archiveren

Franse literatuur

9492068192.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Er is veel te vertellen over Het meesterwerk van Émile Zola. Allereerst is het een kunstenaarsroman. Het speelt zich grotendeels af in Parijs tussen 1860 en 1870 en gaat over de strijd van een schilder, Claude Lantier, om het ultieme meesterwerk af te leveren. Zola gaf dit zelf als volgt weer;

‘Met Claude Lantier wil ik het gevecht van de artiest tegen de natuur schilderen, de inspanningen die met bloed en tranen gepaard gaan […] om leven te scheppen: steeds weer strijden met het ware, en steeds weer verslagen worden, het gevecht met de engel.’

En het begint allemaal zo rustig. Claude Lantier is een beginnend schilder die, als hij zijn kamer binnen wil gaan, een meisje ziet schuilen voor de regen. Hij nodigt Christine binnen uit en laat haar overnachten. ’s Morgens schildert hij haar, aanvankelijk zonder haar medeweten. Christine vertrekt en we maken kennis met het milieu waarin Claude leeft. Zijn vrienden, de schrijver Pierre Sandoz, de aankomend architect Louis Dubuche en later nog anderen als de beeldhouwer Mahoudeau en de schilder Fagerolles. Op de vaste donderdagavond, tijdens de etentjes bij Sandoz, wordt er vaak heftig gediscussieerd. Allemaal zijn ze vastbesloten Parijs op de grondvesten te doen schudden met hun werk;

‘O, alles zien en alles schilderen!’ riep Claude uit…’Mijn handen jeuken. Ja, heel het moderne leven! Fresco’s zo hoog als het Pantheon! Een serie doeken, zo fantastisch dat het Louvre ervan ontploft!’

Claude ontmoet Christine weer en ze worden onafscheidelijk. Tegelijk wordt zijn doek geweigerd door de prestigieuze kunsttentoonstelling Salon de Paris. Het komt terecht op de Salon des Refusés, de salon voor de geweigerden, waar het bespot en uitgelachen wordt. Het is een hard gelag voor Claude en Christine en ze verlaten Parijs om in het landelijke Bennecourt te gaan wonen. Daar wordt hun zoon Jacques geboren.

Uiteindelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan en keren ze terug naar Parijs. Claude raakt er steeds meer van overtuigd dat hij iets prachtigs zal gaan scheppen, maar zijn doeken worden keer op keer geweigerd. Hij wordt depressiever en de eerste ruzies ontstaan tussen Claude en Christine. Zij ziet dat ze Claude meer en meer kwijtraakt aan een rivale, de schilderkunst. De contacten met zijn vrienden waren verwaterd maar worden hersteld en hij verschijnt weer op de etentjes. Toch merkt hij dat de verhoudingen anders zijn. De vriendschappen zijn niet meer als voorheen.

Ondertussen heeft hij een atelier ingericht en vindt hij een definitief onderwerp voor zijn meesterwerk. Maar zijn grote doek zorgt voor een definitieve verwijdering tussen Claude en Christine. Er komt soms lange tijd niets uit zijn vingers;

Hij leed als een verdoemde die eeuwig een rotsblok omhoog moet duwen dat terugrolt en hem verplettert, maar hij had de toekomst nog, de zekerheid dat hij het blok op een dag met beide handen op zou tillen en het naar de sterren zou slingeren.

Christine poseert uit wanhoop maar voor zijn doek om bij hem te zijn, maar ze voelt dat hij haar gebruikt en wordt verstikkend jaloers. Hij verkiest zijn geschilderde kopie boven haar en maakt de kopie alleen maar mooier.

Het mooie is dat zijn vrienden ook allemaal een proces meemaken. Sandoz, de schrijver, gaat ook op in zijn werk. Dubuche, de architect, trouwt met de dochter van een beroemde vakgenoot maar zal dat berouwen. Mahoudeau, de beeldhouwer, ziet één van zijn werken voor zijn ogen instorten en leeft in grote armoede, het zijn stuk voor stuk mooie verhalen die parallel lopen en elkaar vaak kruisen.

Claude wisselt enkele hoogtepunten af met veel meer dieptepunten en Christine ziet het angstig aan;

‘Wat maakt het ook uit, verdomme…Ik begin gewoon opnieuw…’
Ze stak het licht aan, ze zag heel bleek en wierp een blik vol vrees en haat op het schilderij. Het ging dus niet weg, de verschrikking begon weer van voren af aan!
‘Ik begin gewoon opnieuw,’ herhaalde Claude, ‘ook al ga ik eraan onderdoor, gaat mijn vrouw eraan onderdoor, mijn kind, de hele bliksemse boel, maar het zal godsakkerju een meesterwerk worden!’

Of dat gebeurt moet u vooral zelf gaan lezen, maar het boek laat schitterend zien wat een worsteling dit voor deze kunstenaars soms is. Ze weten dat het wellicht voor een erkenning is die ze nooit meemaken, en wellicht is zelfs dat te hoog gegrepen. Het is ook herkenbaar, we kunnen schilders opnoemen voor wiens werk er nu miljoenen neergeteld worden en die dat nooit hebben meegemaakt. Verder laat het de strijd van de oude garde zien die ooit een meesterwerk afleverde, maar waarvan verwacht wordt dat dit geëvenaard of overtroffen wordt. Ook is er een verhaallijn over de kunsthandelaar die een middelmatige schilder tot grote hoogte weet op te stuwen en die zelfs een rol gaat spelen in het wel of niet toelaten van het werk van Claude tot de Salon.

Om terug te gaan naar het begin van deze bespreking; allereerst een kunstenaarsroman dus. Maar ook een sleutelroman. Claude Lantier zou een alter ego van de schilder Paul Cézanne zijn en met Pierre Sandoz zou Zola zichzelf een plaats in het verhaal hebben gegeven. Het ligt wel iets complexer, beiden zijn uit meerdere figuren samengesteld. Er zitten wel autobiografische elementen in; het landelijke Bennecourt en de donderdagavondbijeenkomsten van de vriendengroep zijn aan de werkelijkheid ontleend.

Verder is het een naturalistische roman. Zola was erg precies in zijn weergave en documentatie. Hij verdiepte zich voor deze roman in de kunstwereld, in de organisatie en het verloop van de Salons en hij maakte zelfs een lijstje van uitdrukkingen die hij argeloze bezoekers hoorde gebruiken. Overigens haal ik deze wijsheid uit een prima nawoord van Marjolein van Tooren.

Tot slot is het een roman met als groot thema de strijd tussen liefde en kunst. Waar Claude en Christine eerst gek op elkaar zijn, verschuift de liefde van Claude langzaam maar zeker naar zijn kunst en moet Christine wijken. Het levert een prachtige roman op.

Vertaling; Lidewij van den Berg en Marijke Scholts

27060b849555942593546785777444341587343
Het Chanson de Roland of Het Roelantslied, geschreven door ene Turoldus stond al even bij mij in de kast, maar ik moest nog even een reden vinden om het te lezen. Die vond ik in het boek Stemmen op schrift. Daarin wordt het genoemd en beschreven dus ik pakte het maar eens op.

Het Chanson de Roland is een zogenaamd ‘chanson de geste’, een in de middeleeuwen populaire vorm van verhaalvertelling, waarin historische personen een hoofdrol spelen. In dit geval betreft het een heuse ridderroman, waarin het begrip roman niet in de huidige betekenis moet worden opgevat, daar het volledig in versvorm is opgeschreven.

Het Franse origineel dateert uit de periode 1050-1150 en de eerste, fragmentarisch overgeleverde, Nederlandse vertaling komt uit het begin van de 16e eeuw. Het verhaal zelf mag er zijn. Karel de Grote heeft vrijwel heel Spanje veroverd op de Saracenen. Deze bereiden samen met de Franse graaf Ganelon een verraderlijk plan voor dat moet leiden tot een aanval op het zich terugtrekkende Frankische leger en de dood van zijn stiefzoon Roeland en zijn vriend Olivier.

Ik zal het maar verklappen, dat plan lukt. Wat volgt staat bekend als de Slag bij Roncevaux. Roeland en de zijnen worden overvallen en de hoofdpersoon weigert om met zijn hoorn versterkingen in te roepen. Zij vechten zich eervol dood. De verraderlijke graaf zal echter zijn verdiende straf uiteindelijk krijgen.

Nu weet ik graag wat achtergronden voor ik zo’n vers ga lezen, dus begon ik met het lezen van het nawoord van de vertaler. Dat was nuttig, want ik kreeg zo aanwijzingen voor het verhaal. Er wordt uitgelegd waarom het verraad gepleegd werd. Ook wordt Roeland’s merkwaardige gedrag verklaard met het blazen op zijn hoorn Olifant. Hij weigerde, zei ik al, om versterkingen in te roepen. Later blaast hij toch. Toch bang geworden? Wanhoop? Nee, dat was enkel nog bedoeld om te voorkomen dat de heidenen zouden ontkomen, niet als hulp voor hem persoonlijk. Dan lees je het toch net even anders;

Roeland zet de Olifant aan zijn mond,
plaatst hem goed en blaast er dan krachtig op.
Hoog zijn de bergen, ver draagt zijn stem rond:
tot ruim twintig mijlen heeft hij weerklonken.
Karel hoort hem met zijn hele gevolg.
‘Onze mannen voeren strijd!’ zegt de vorst
Maar dat wordt weersproken door Ganelon:
‘Zei een ander dat, dan leek het bedrog!’ 

Karel de Grote gaat toch terug terwijl Roeland, Olivier en hun metgezellen vechten voor hun leven. Die vechtpartijen worden zeer beeldend beschreven en volgen een vast ‘ridderlijk’ patroon (hier en daar met variaties). Het paard wordt gespoord, de lans gericht, de ridder slaat toe, het schild breekt, het maliënkolder wordt verscheurd, de tegenstander wordt doorboord en van zijn paard geworpen. Iets als volgt;

Engeler, de Gascogner uit Bordeaux,
laat de teugel vrij, geeft zijn paard de sporen
om Escremiz van Valterne te doden.
Hij breekt het schild aan zijn hals middendoor
en ’t kinstuk van zijn kolder: steekt hem voorts
recht in het borstbeen. Met volle lans stoot
hij hem uit het zadel op de grond, dood.
Daarna zegt hij hem: ‘Nu ben je verloren!’

Karel komt dus te laat en zijn jammerklacht is een prachtige. Uiteindelijk zal hij de Saracenen najagen en verslaan en wordt de verrader gevierendeeld. Eind goed, al goed, zo ongeveer.

Er valt verder genoeg over dit verhaal te vertellen, zoals de twijfel aan een deel waarin de emir Baligant optreedt. Het is een andere verteltechniek en er zijn redenen aan te voeren dat het deel niet past, maar afdoende bewijs is nooit geleverd. Leuk om te lezen dat de term ‘la douce France’ in dit vers voor het eerst opduikt (‘het zoete Frankrijk’). Ook de auteur, ene Turoldus, blijft een mysterie. Er zijn er die zeggen dat het om Turoldus van Fécamp gaat, de halfbroer van Willen de Veroveraar. Ook zijn er kroniekschrijvers die melden dat tijdens Willems campagne bij de slag van Hastings een jongleur, genaamd Taillefer, een Roelantslied zong. Dan is er het beroemde tapijt van Bayeux, waarop bij een klein figuurtje in jongleurstenue de naam TVROLD vermeld staat…tenzij die naam slaat op de forse krijgsman naast hem. Kortom, ook daar een mysterie. Het wordt prachtig toegelicht door de vertaler in het nawoord, lees dat vooral eerst.

Vertaling; Arjaan van Nimwegen

9025367836.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De essays van Michel de Montaigne. Dan heb je ze ineens alle 107 gelezen, 1377 pagina’s achter elkaar. Waarvan wordt gezegd dat je ze niet allemaal achter elkaar moet lezen. Wat ik natuurlijk wel heb gedaan. Wat mij overigens uitstekend is bevallen, ik heb mij geen moment verveeld.

Montaigne trok zich in 1570 terug uit het openbare leven om de “Klassieken” te gaan bestuderen en om zijn gedachten op papier te zetten. Aanvankelijk in korte geschriften, later in veel langere betogen. De onderwerpen gaan vaak over persoonlijke ervaringen en algemeen bekende gemoedstoestanden, zoals de titels laten zien; ‘Over droefheid’, ‘Over de ijdelheid’ en ‘Over de vriendschap’ zijn wat voorbeelden. Hij geeft zelf aan hoe hij te werk gaat:

Hoe grote nonsens ik ook te berde breng, ik ben niet van plan die te verbergen…Want ook wat ik nu schrijf zijn míjn gevoelens en meningen. Ik breng ze naar voren als wat ík geloof, niet als wat men geloven moet. Het gaat er mij alleen om hier mijn eigen ik te ontdekken, dat er morgen misschien anders uitziet, als ik verander met het nieuwe dat ik leer.

Als ik nadenk over waarom mij dit boek zo goed is bevallen, dan is dat ten eerste omdat het een prachtige inkijk in de 16e eeuw verschaft. Amerika is net ontdekt en de gruwelen van de ‘conquistadores’ in Zuid- en Midden-Amerika zijn dan al doorgedrongen tot Europa. De ‘Decamerone’ wordt gezien als moderne literatuur en Copernicus en Galileï poneren boude stellingen over de plaats van de aarde in het heelal. Er gebeuren dingen. Ten tweede is het de vertelwijze. Alsof hij je een persoonlijk verhaal zit te vertellen en feitelijk doet hij dat ook. Hij geeft het zelfs aan in zijn voorwoord, het boek is bestemd voor vrienden en verwanten. Voilà, ik behoor ineens tot zijn ‘inner circle’.

Verder is hij redelijk no-nonsense en ook dat bevalt. Hij hekelt de heksenprocessen van zijn tijd met woorden zoals wij er nu tegenaan kijken;

wat is er met het verstand van een rechter aan de hand dat hij op grond van andermans verklaringen gelooft dat iemand in staat is op een bezemsteel uit de schoorsteenpijp weg te vliegen?

Geen alcohol schenken aan kinderen voor hun zestiende of achttiende levensjaar, geeft hij aan. We hebben het er in onze tijd nog over. Waarom worden de dingen door wijsgeren met opzet zo moeilijk gezegd? Meer cachet geven aan loze materie, vertelt hij. Als hij voor zijn nierstenen rattenkeutels voorgeschreven krijgt schuift hij dit terzijde.  Hij gaat voor degelijke wetenschap en anders niets. Ook zijn eigen tekortkomingen schuwt hij niet;

Ik persoonlijk vind elk antwoord uitstekend, als het maar ter zake is. Maar als de discussie warrig en ordeloos verloopt, verlies ik de draad en klamp mij nurks en ongenuanceerd vast aan de uiterlijke vorm en begin schamper en verbeten te disputeren, zó bedillerig dat ik er later het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Het zijn 107 essays met een veelheid aan onderwerpen. Wel gelardeerd met een niet-aflatende stroom aan voorbeelden en anekdotes. Uit zijn eigen leven, maar vaak ontleend aan de “Klassieken”. Het leest geweldig en de vertaler heeft hier ook de hand in. Ik weet niet wat er in het origineel heeft gestaan, maar ik kom woorden tegen als “moeders pappot”, “hineininterpretiert’, “zielenpiet” en “haastje-repje” en het lijken de enige juiste woorden.

Vertaling; Hans van Pinxteren

a61142a7034224359326b695551437641414141
De roman Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq maakte nogal wat reacties los bij het verschijnen ervan. De auteur werd beschuldigd van vrouwenhaat, racisme, pornografie en homofobie. Als je dat met goed 300 pagina’s voor elkaar krijgt heb je in ieder geval wat bereikt.

Het is het verhaal van de halfbroers Michel en Bruno. Michel is slim en wordt een briljant moleculair bioloog. Bruno is een losbol en ontwikkelt zich tot een aan sex verslaafde genotzoeker. Michel zou succes bij de dames kunnen hebben maar toont geen belangstelling. Bruno wil graag succes bij de dames maar is veroordeeld tot peepshows en prostituees. Zijn leven in een notendop:

Terwijl hij zijn screwdriver opdronk, merkte Bruno dat Karim erin was geslaagd de rozenkruiserin op een helling in het gras te krijgen…’Ze doet toch mooi wel haar beentjes wijd, die nazi-snol…’ dacht hij, terwijl hij bij de dansers wegliep. Net voordat hij de lichtcirkel verliet, zag hij in een flits hoe het katholieke meisje haar kont liet betasten door een soort van skileraar. Hij had in zijn tent nog een blik ravioli staan.

De taal en de sex in het boek zijn onverbloemd. Aan de kant van Michel wordt een andere taal gesproken. Hier worden de teksten gelardeerd met kleine biologische colleges die laten zien dat Houellebecq zijn huiswerk heeft gedaan (hij is zelf afgestudeerd landbouwingenieur). Michel houdt zich bezig met de bouwstenen van het leven en hoe die naar zijn hand te zetten. Hij schrijft er een belangrijk werk over waar andere geleerden verder mee kunnen. Michel verdwijnt uiteindelijk spoorloos, Bruno eindigt in een inrichting.

Dat werk van Michel, dat heeft te maken met de visie van Houellebecq op de mensheid (althans, in deze roman). Eigenlijk deugt daar niets van. Hij bouwt voort op het boek Brave new world van Aldous Huxley, waarin verschillende typen mensen in reageerbuizen worden gekweekt. In Houellebecq’s roman moet de mensheid eigenlijk verdwijnen. – Spoileralert! – Dat komt ook uit, want aan het eind van het verhaal blijkt er sprake van een alwetende verteller die een kloon is van het soort, bedacht door Michel. Het is een mooie passage in het boek:

Er bestaat nog altijd een aantal mensen van het oude ras…Hun vruchtbaarheidscijfer daalt echter elk jaar, en het lijkt nu onvermijdelijk dat ze zullen uitsterven. Tegen alle pessimistische verwachtingen geschiedt die uitsterving heel rustig…Het is zelfs verbazingwekkend te zien hoe kalm, gelaten, en heimelijk misschien wel opgelucht, de mensen hebben ingestemd met hun eigen verdwijning.

Het is geen vrolijk verhaal, zelfs pessimistisch. Toch heb ik wel genoten van die mix van rauwe wellust enerzijds en kille wetenschap anderzijds, met zijn beklemmende einde. Het leest als een aanklacht tegen de hedendaagse maatschappij met zijn consumentisme en het kan nooit kwaad de boel eens flink op te schudden. Brave new world ga ik herlezen.

Vertaling: Martin de Haan

4091384a8f2638b593962355541437641414141
Ik houd van het woord “melancholie”. Het is een beetje een ondefinieerbaar woord, net zoals het Portugese ‘saudade’. Het gaat om gevoel. Toen ik dat woord tegenkwam in dit werk van François René de Chateaubriand én ik vernam dat Umberto Eco dit boekje als zijn meesterwerk beschouwde was er geen ontkomen aan, De melancholie van het graf moest gelezen worden.

Chateaubriand is een Franse dichter, schrijver, historicus en politicus. Hij wordt beschouwd als de historicus van het christendom, door zijn grote werk “Le Génie du Christianisme” uit 1802. Hierin geeft hij zijn bespiegelingen weer van de invloed van het christendom op de wereldgeschiedenis. Een deel van dat werk gaat over de “Melancholie van het graf” en dat is apart uitgegeven. Het is geen dik boek, het telt maar 118 pagina’s, en daarvan begint het nawoord van Chateaubriand-kenner en -bewonderaar Martin Ros al op pagina 59.

Wat blijft er dan over? Een aantal korte hoofdstukken met bespiegelingen over het christendom, de dood en de rituelen die erbij horen. Het woord dat bij mij opkwam tijdens het lezen is “meditatie”. Het zijn korte meditaties die wat mij betreft het beste in stilte gelezen kunnen worden. Chateaubriand helpt u een handje, hij schrijft prachtig. Zoals in het hoofdstuk over Zang en gebeden:

Des te treffender is dit gezang wanneer het vergezeld gaat van het geruis van het spinnewiel, en de kinderen op de schoot van hun moeder met de grootste aandacht. de geschiedenis van het kind Jezus in zijn kribbe horen. Vergeefs zou men zachtere tonen zoeken, noch een godsdienst voor een moeder meer geschikt.

Verder zijn er hoofdstukken over De kruisdagen, Kerkelijke hoge feesten, Lijkplechtigheden voor een vorst, Lijkplechtigheden van een krijgsman, De gebeden voor de overledene en Graftomben in kerken. Ik weet niet of ik dit boek nu aan het aanprijzen ben, maar ik vond het toch erg de moeite waard. Het volgende staat op de achterkant van het boek en dat nodigde mij uit tot lezen;

Het heiligdom verzinkt, gelijk het hol der oude Sibylle, en terwijl het metaal zich boven onze hoofden met gedruis laat horen, nemen de onderaardse gewelven des doods, onder onze voeten, diep stilzwijgen in acht.

Zo’n zin, gecombineerd met de titel en ik kan zo’n boek niet laten liggen. Ik ga dat ook niet uitleggen, het is een gevoel. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap.

Voegt het uitgebreide nawoord van Martin Ros nog iets toe? Voor mij wel. Ik wist zo goed als niets van de auteur en heb in een bestek van 50 pagina’s snel bijgeleerd. Chateaubriand groeide op in Bretagne in een katholiek gezin. Hij maakte een geloofscrisis door en zijn moeder stierf in de wetenschap dat haar zoon het geloof had verlaten. Hij keerde later terug naar het christendom en schreef zijn meesterwerk deels met zijn moeder in gedachten, een goedmaker zogezegd. Blijkbaar was Chateaubriand een uitmuntend archivaris, want wat steeds terugkomt is zijn zeer gedetailleerde bronvermelding in zijn werken. Martin Ros vertelt;

De drie boeken waaruit de geest mij meteen meesleepte, al kan men Chateaubriands stellingen betwisten, de Génie du Christianisme, de Mémoires d’outre-tombe en de biografie van Rancé, blinken vooral uit door een werkelijk onvoorstelbare documentatie. Het is mij nog steeds, na alles wat ik over zijn werk gelezen heb, een raadsel waar hij alle documenten en dan vooral de brieven en de neerslagen van grote gesprekken vandaan haalde.

Het is altijd mooi als iemand Martin Ros verbaasd kan doen staan, het blijft vooralsnog één der mysteriën der literatuur.

Verder was Chateaubriand getrouwd maar hij beleefde talloze escapades. Eén van zijn belangrijkste minnaressen was Pauline de Beaumont. Zij wordt niet oud en Chateaubriand zit aan haar sterfbed;

De vierde november 1802 is de laatste dag van haar leven. Ze vraagt Chateaubriand…het raam te openen. Het is drie uur in de middag. De laatste doodsstrijd vangt aan. Zij schokt vertwijfeld heen en weer. Chateaubriand vraagt of zij hem nog ziet. Ze knikt. Ze probeert te glimlachen en een teken te maken met haar hoofd. Dan sterft zij.

Chateaubriand liet een herdenkingsmonument voor haar oprichten in de kapel van Saint-Louis des Français. In het nawoord van Ros staan genoeg foto’s, ook van dit monument. Misschien moet ik zijn mémoires ook eens lezen, want ook die schijnen vol te zitten van nevel en kerkhoven; Daar fluistert de eeuwigheid ons de toekomst in…

Vertaling: Frans van Woerden

 

a564600f6acafd9593757785251444341587343
Houdt u van Brahms…van Françoise Sagan is om onduidelijke redenen in mijn kast beland. Waarschijnlijk in een opwelling aangeschaft. Maakt ook niet uit, het is een bekende titel en zo gelezen. 

Een klassieke driehoeksverhouding. Paula is 39 jaar en heeft een verhouding met de iets oudere Roger. Die is nogal met zichzelf ingenomen en houdt Paula aan het lijntje. Hij veroorlooft zich een avontuurtje als hem dat uitkomt en verzint doorzichtige smoezen voor Paula.

Paula komt op haar beurt de jongeling Simon tegen. Hij is 25, een beroepslanterfanter en behoorlijk in de ban van Paula. Zij beseft dat haar verhouding met Roger weinig meer voorstelt en is geamuseerd door de dweperige aandacht van Simon. Maar het is een dubbel gevoel.

“Laat me door,’ zei ze met ijzige kalmte. Hij antwoordde niet, maar bukte zich en trok voorzichtig haar hoofd tegen zijn schouder. Ze hoorde het hevig bonzen van zijn hart en voelde zich plotseling in verwarring raken. “Laat me, Simon; u verveelt me.’
Maar hij bewoog zich niet. Hij mompelde alleen zacht haar naam. Paula, Paula…”Mijn kleine Simon,’ zei ze, eveneens fluisterend, ‘laat me er door.’ Hij ging opzij; zij glimlachte vaag voor ze heen ging.

 Het is aantrekken en afstoten tussen die twee. De titel komt van een vraag van Simon aan Paula, hij neemt haar mee naar een concert. Dat kan makkelijk, wnat Roger is vaak weg. Toch heeft Roger een enorme zwak voor Paula en blijft haar opzoeken:

‘Paula, mijn kleine Paula, wat heeft die knul je verteld? En vooral: wat wil hij van je?’ Roger was woedend. Hij had het gevoel dat hij ergens van buitengesloten, dat hij beduveld werd. ‘Natuurlijk, hij is vijfentwintig,’ zei hij nadenkend. ‘Voor mij is dat geen kwaliteit, maar een gebrek’, zei ze teder. Hij sloot haar opnieuw in zijn armen.

Uiteindelijk trekt Simon bij haar in en heeft Roger het nakijken. Tot ze elkaar weer tegenkomen op een diner-dansant. Dat blijkt een keerpunt en het lijkt, ik zeg lijkt, allemaal goed te komen. Tot zover de cliffhanger. Het is een aardig verhaal over een klassiek thema, waarbij de vraag of iemand van Brahms houdt eigenlijk fungeert als een keerpunt. Ze had er namelijk nog nooit over nagedacht, of ze van Brahms hield. Ze had ook vermeden om over haar bestaan na te denken of over de absurde situatie waarin ze verkeerde. Tot ze naar Brahms ging…

Vertaling: Th. Oegema van der Wal

293e5958cdfe888597871755567444341587343
En dan lees je Justine, of de tegenspoed der deugdzaamheid van de Marquis de Sade. Van die naam zal eenieder wel eens gehoord hebben en het voorspelt weinig goeds. Dat klopt. Dit is een boek vol verdriet, misbruik, martelingen en andere ellende. Het heeft ook al geen happy end.

Waarom dan toch gelezen? Ik kan best zeggen “omdat het literatuur is, omdat het staat in “1001 boeken die je gelezen moet hebben” maar het is toch ook gewoon botte nieuwsgierigheid. Voilà, het is gezegd.

Het gaat over twee gezusters, Justine en Juliette, die als wees hun weg in de wereld proberen te vinden. Justine is vastberaden een deugdzaam leven te leiden, Juliette gaat een losbandig en libertijns leven tegemoet. Het is een keuze. Wij volgen Justine. Zij zoekt haar weg in de wereld en komt eigenlijk alleen maar mannen tegen die het slechtste met haar voor hebben. Waar zij mannen tracht te helpen of waar zij zelf om hulp vraagt, zonder uitzondering ontmoet zij libertijnen met gruwelijke behoeften, waarvan Justine, die zich Thérèse noemt, het lijdend voorwerp is. Opvallen zijn de af en toe lange monologen waarin de monsters zich rechtvaardigen voor hun wangedrag. Zo is daar de chirurgijn Rodin, die Justine oplapt als ze weer eens is mishandeld. Rodin blijkt ook een naar heerschap, die zijn dochter Rosalie wil opofferen voor de wetenschap:

De kennis der anatomie, zei Rodin, zal nooit helemaal volmaakt zijn, zolang er geen proef is genomen op de bloedvaten van een kind van een jaar of veertien, vijftien dat een gruwelijke dood is gestorven…

Rodin’s collega Rombeau vult aan..

Je dochter is precies wat we nodig hebben; hoewel ze vijftien is, heeft ze nog geen menstruaties gehad; de manier waarop wij haar bezeten hebben, brengt dat vlies geen enkele schade toe…het doet me genoegen dat je eindelijk een besluit hebt genomen.

Dat is niet mis te verstane taal en het is nog een nette passage. Het gaat veel verder. Justine wordt misbruikt door monnikken, door edelmannen en wordt op alle mogelijke manieren vernederd. Als zij zich in een klooster bevindt waarin zij als slaaf dient voor de monniken, neemt De Sade een loopje met zichzelf:

– O God! zei ik, zelfs als hij slaapt, wil deze booswicht dat allen die hem omgeven zich in een smartelijke toestand bevinden?
-Ja, antwoordde mijn gezellin, en juist de onmenselijkheid van deze gedachte maakt dat hij zo hevig opgewonden is als hij wakker wordt, je zult het wel zien. In dat opzicht is hij net als sommige perverse schrijvers, wier verdorvenheid zo gevaarlijk is, zo werkzaam, dat zij hun afschuwelijke ideeën alleen laten drukken met de opzet, de totaliteit van hun misdaden na hun dood te laten voortduren…

Justine ondergaat kwellingen die je niet voor mogelijk houdt. Zij behoudt haar deugdzaamheid en wordt herenigd met haar libertijnse zuster. Uiteindelijk komt zij tamelijk schlemielig aan haar eind.

De schrijver van dit werk, dat toch echt niet geschikt is voor de zachtmoedigen onder ons, stond zelf bekend om zijn seksuele escapades en orgiën. Tijdens een reis naar Nederland gaf hij aan dat

de Nederlanders goed in handelen zijn, klaar staan voor een ander zolang hen dat niets kost, en dat de vrouwen mooier hadden kunnen zijn en hun gebit verwoesten met te veel hete thee en koffie (bron Wikipedia)

Daar kunnen we het mee doen. De Sade werd een paar maal ter dood veroordeeld, opgesloten in een gekkenhuis maar uiteindelijk begraven in gewijde grond. Een opmerkzaam heerschap met een opmerkzaam oeuvre. Toch blij dat ik het gelezen heb.

Vertaling: Gemma Pappot

9061005558.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Even een niet te dik boek voor tussendoor, De Kleine Prins van Antoine de Saint-Exupéry. Kinderboek, literatuur, allebei? Ik vind het altijd lastig om dat soort etiketten uit te delen. Het is in ieder geval een verhaal dat op meerdere niveaus is te lezen en dat is altijd leuk.

Antoine de Saint-Exupéry was schrijver en vliegenier. Hij schreef dit verhaal een jaar voor zijn dood, toen hij in dienst van de Geallieerden in 1944 tijdens een vlucht werd neergeschoten. Het zal dan ook niet toevallig zijn dat het verhaal wordt verteld door een piloot, die na een noodlanding in de Sahara plotseling een klein mannetje naast hem ziet staan.

Het mannetje vraagt hem om een schaap te tekenen. Nu is dat in de woestijn eenmaal niet een logisch verzoek en de piloot is dan ook stomverbaasd. Het kereltje zegt niet veel, maar langzamerhand wordt duidelijk dat hij van een andere planeet komt. Een piepkleine asteroïde met één bloem en drie nog piepkleinere vulkanen. Ik ga hier niet te veel weggeven, maar het is een surrealistisch verhaal. De kleine prins verlaat zijn planeet om andere planeten te bezoeken en ontmoet een koning, een ijdeltuit, een dronkaard, een zakenman, een lantaarnopsteker, een aardrijkskundige en uiteindelijk belandt hij op aarde. Ga het vooral lezen, het is een leuk verhaal in 89 pagina’s met tekeningen van de auteur zelf.

De schrijfstijl is eenvoudig, ik ga het mijn dochter nog eens voorlezen. Zo schrijft hij over een tekening die hij als kind maakte:

Ik liet mijn meesterwerk aan de grote mensen zien en vroeg hun of ze er bang voor waren. Zij antwoordden: << Wie zou er nu bang zijn voor een hoed?>> Mijn tekening stelde geen hoed voor maar een boa constrictor, die bezig is een olifant te verteren. Toen heb ik het binnenste van de boa getekend, zodat de grote mensen het zouden begrijpen. Die moeten altijd bij alles uitleg hebben.

Dat snapt mijn dochter en dan is het een leuk kinderverhaal. Anderzijds kan je het lezen als de volwassene die het kind in zichzelf tegenkomt. Het kind laat de verteller kritisch naar zichzelf en zijn leven kijken. In een bespreking lees ik zelfs dat het verhaal leest als een manifest over hoe het volwassen leven geleefd zou kunnen en moeten worden. Dat is wel heel zwaar ingezet, maar ala, het kan. Ik zou eigenlijk willen eindigen met het begin, de opdracht. Want door die te lezen werd ik meteen al meegetrokken in de aanstekelijke schrijfstijl van de schrijvende vliegenier:

Aan Léon Werth

Hopelijk zullen de kinderen mij vergeven dat ik dit boek aan een groot mens heb opgedragen.
Ik heb er een goede reden voor: dit grote mens is de beste vriend, die ik op de wereld heb.
En dan is er nog een reden: dit grote mens kan alles begrijpen, ook kinderboeken. En een derde
reden: dit grote mens woont in Frankrijk, waar hij honger en kou lijdt. Hij heeft echt troost
nodig. En als dat nog geen redenen genoeg zijn, dan wil ik dit wel opdragen aan het kind dat dit grote mens vroeger geweest is. Alle grote mensen zijn eerst kinderen geweest (maar alleen een
héél enkele herinnert het zich). Ik verbeter dus mijn opdracht:

Aan Léon Werth
toen hij nog een klein jongetje was.

Vertaling: Laetitia de Beaufort-van Hamel

36391f3670c9ec9593171475141444341587343
Ik kende George Sand als de onafhankelijke metgezel van de componist Chopin. Vrijgevochten, zich hullend in mannelijke outfits en sigarenrokend, was ze toch één van de belangrijke schrijfsters van de 19e eeuw. Dat maakte me nieuwsgierig naar haar boeken, dus ik kocht onlangs haar roman Mauprat.

Dat heb ik in één adem uitgelezen. Mauprat is het verhaal van Bernard Mauprat, die zijn levensverhaal uit de doeken doet. Hij groeide op op het kasteel La Roche- Mauprat. Nadat zijn ouders overleden waren werd hij meegenomen door zijn tirannieke oom Tristan Mauprat. Die voerde met zijn zoons een schrikbewind onder de bevolking en leidde en losbandig en liederlijk bestaan. Het plan was om Bernard hierin op te nemen, maar de jongen had een te goede inborst om volledig voor de verleiding te bezwijken. Toch ontkomt hij niet aan het plegen van wandaden, onder druk van zijn familie. Dat zorgt voor de nodige innerlijke conflicten bij hem.

In de buurt van het kasteel staat een verlaten toren waar de kluizenaar en heksenmeester Patience woont. Hij staat aanvankelijk vijandig tegenover Bernard Mauprat, maar zal later een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Ook de mollenvanger Marcasse en een gevallen pater spelen een grote rol in het verhaal.

Op een avond wordt Edmée de Mauprat binnengebracht in het kasteel. Ze is verdwaald en heeft geen idee in wat voor gevaar ze verkeert. Het is de achternicht van Bernard en aanvankelijk wil hij zich aan haar opdringen. Na een trouwbelofte redt hij haar tijdens een aanval van de gendarmes op het kasteel. Een aantal ooms komen om, twee vluchten er en het kasteel wordt deels verwoest. Bernard en Edmée komen terecht bij Patience in de verlaten toren. Edmée komt met haar trouwbelofte in een lastig parket want ze is al verloofd met De La Marche. Uiteindelijk gaan ze allen op het kasteel wonen van de vader van Edmée. Zij trouwt noch met de één, noch met de ander. Bernard wordt verscheurd door twijfel en de emoties laaien af en toe hoog op.

Uiteindelijk vertrekt Bernard naar Amerika om deel te nemen aan de Onafhankelijkheidsoorlog. Hij ontmoet daar Arthur en dat wordt een boezemvriend. Ook Marcasse voegt zich bij hen en hij wordt de trouwe sergeant die Bernard overal zal volgen. Eenmaal weer terug in Frankrijk keert Bernard terug naar Edmée. Zij is nog steeds niet met De La Marche getrouwd en blijft volhouden dat zij zich aan haar belofte ten opzichte van Bernard zal houden. Zelfs haar vader snapt niets van haar gedrag:

‘God bewaar me, u bent nu al zeven jaar bezig dat alles af te wegen,’ zei de ridder, ‘u zou nu wel eens moeten weten waar u zich wat uw neef betreft aan te houden hebt. Als u met hem wilt trouwen, trouw dan met hem, maar als u het niet wilt, zeg het dan om godswil en laat een ander zich aandienen.’ ‘Vader,’ antwoordde Edmée koeltjes, ‘ik zal alleen met hem trouwen.’

En dat houdt mevrouw nog wel even vol. Bernard wordt heen en weer geslingerd tussen liefde en wanhoop en verwoordt dit uiteindelijk in een hartstochtelijke brief:

Ach, als u wist hoe ongelukkig ik ben! Er zijn twee mannen in mij die elkaar onophoudelijk op leven en dood bestrijden. Laten we hopen dat de bandiet het onderspit delft, maar hij verzet zich tot het uiterste en brult omdat hij voelt dat hij, overdekt met wonden, dodelijk getroffen is…Edmée, zie toch hoe ziek mijn geest is en heb medelijden met me. Heb geduld, sta me toe verdrietig te zijn, twijfel nooit aan mijn toewijding. Ik ben vaak gek, maar ik heb u nog altijd teder lief.

Tijdens een jachtpartij gaat het mis. Edmée wordt neergeschoten en Bernard krijgt hiervan de schuld. Er volgt een proces waarin hij alle schijn tegen heeft en hij wordt veroordeeld. Ik zal de afloop hier niet verklappen, ga het vooral zelf lezen.

Ik wist niet zo goed wat ik moest verwachten van dit boek maar heb het zoals gezegd in één adem uitgelezen. Sand schrijft in heldere taal en als een kind van haar tijd. De schrijfstijl deed me denken aan die van de zusjes Brönte, maar dan in een Frans decor. Naast de hoofdfiguren van Bernard en Edmée spelen er een aantal sterke karakters mee zoals Patience en Marcasse. Veel emotie, drama en wanhoop maar ook liefde, geluk en trouw passeren de revue in een mooi 19e-eeuws Frans decor. Een prachtboek en een uitnodiging om meer van George Sand te lezen.

   litsand3[1]

George Sand

d4cad87b55ef251593265725751444341587343
Alea iacta est, zei Caesar bij de Rubicon en ik zeg het gewoon op de bank thuis. De kant van Swann van Marcel Proust is gelezen, is uit en ligt achter mij en dat is jammer. Maar ook weer niet, want het is de aanzet tot een groot avontuur.

Zoals velen moest ik er ook even toe komen. Je begint niet in een verloren uurtje aan A la recherche du temps perdu.

Ook ik kende de verhalen over dikke boeken, lange, doorwrochte zinnen en eindeloze bespiegelingen. Nu, na het eerste deel weet ik meer. Moet je omzichtig omgaan met een literaire mammoet als deze? Welnee, geen zorg. Begin eraan, desnoods in een verlaten uurtje maar neem de tijd. Neem alle tijd.

Ik heb natuurlijk te snel gelezen. Ik kan zo’n boek niet na 10 bladzijden opzij leggen. Ik wil weten wat er komt, ik ben zelf namelijk ook erg goed in mijmeren. Ik mijmer dus eindeloos mee. Over de inhoud hoef ik niet te zeer uit te weiden. Het zijn geen ingewikkelde plots maar redelijk omlijnde delen. Deel 1 gaat over des vertellers jeugd in het gehucht Combray. In dit deel troffen mij de prachtige beschrijvingen van de omgeving en natuur:

De hoogte van een onduidelijke boom aftoppend, beijverde een onzichtbare vogel zich om de dag korter te laten lijken, zocht met een langgerekte noot de omringende eenzaamheid af, maar kreeg er een zo eenstemmig antwoord uit terug, van de weeromstuit dubbel zo verstomd en roerloos, dat het was of hij zo-even het ogenblik dat hij vlugger voorbij wilde laten gaan voor altijd had stilgezet.

Zulke zinnen herkauw ik graag even. Beroemd is de scène waarin een madeleine-cakeje, gedoopt in de lindebloesemthee de schrijver terugschiet naar zijn jeugd. Dat wordt nog eens prachtig samengevat:

Zo…kwamen nu alle bloemen van onze tuin en van het park van M. Swann, en de waterlelies van de Vivonne, en de brave lieden van het dorp en hun woninkjes en de kerk en heel Combray en zijn omgeving, kwam dat alles, vorm en vastheid krijgend, tevoorschijn, stad en tuinen, uit mijn kopje thee.

Het boek heeft nog twee delen. Deel 2 handelt over monsieur Swann en het leven dat hij in de salons van Parijs leidt. Geen beschrijvingen meer van de prachige natuur, maar des te meer portretten en observaties van de salondeelnemers. Zijn relatie met de wispelturige Odette kent pieken en dalen. Hij beweegt zich in voornamere kringen, houdt van serieuze muziek en Hollandse meesters (met name Vermeer). Zij wil zich graag bewegen in die voorname kringen, houdt van populaire walsen en heeft geen idee wie Vermeer is. Toch komt Swann niet los van Odette, die hem genadeloos weet te manipuleren. In het korte derde deel krijgen we weer een terugblik en wordt duidelijk waar Swann en Odette eindigen.

Zoals gezegd heb ik het boek voor mijn gevoel te snel gelezen. Er zit veel meer in het boek dan hier te beschrijven is. Ik heb een boek besteld, Paintings in Proust, waarin alle schilderijen worden getoond die in “A la recherche…” worden genoemd. Ik ga de muziekstukken erbij zoeken die worden genoemd, inclusief de door Swann en Odette zo geliefde Sonate van de niet bestaande componist Vinteuil (die is bijv. gereconstrueerd door de Chileen Jorge Arriagada en door de Belg Boudewijn Buckinx). Hiervoor zal ik het boek voor een groot deel weer herlezen en dat is echt geen opgave. De prima (herziene) vertaling van Thérèse Cornips heeft ervoor gezorgd dat ik geen probleem heb gehad met de lange zinnen. Het leest vloeiend. Zij gaat in de komende jaren de overige delen ook herzien. Voorlopig ben ik dus aangewezen op dit deel en kijk ik reikhalzend uit naar het vervolg.