archiveren

Franse literatuur

Het fortuin van de Rougons van Émile Zola is het eerste deel van zijn twintigdelige Rougon-Macquart cyclus. Dat zijn twintig boeken over de families Rougon en Macquart, die hij situeert ten tijde van het Tweede Keizerrijk, als Lodewijk Napoleon ofwel Napoleon III aan de macht is. Het is een turbulente tijd, want er waren al een paar machtswisselingen geweest, waarbij het steeds de vraag was wie er aan de macht kwam. De royalisten die in de lijn van de afstammelingen van Lodewijk XIV iemand op de troon wilden hebben, of de Republikeinen die een opvolging van Napoleon I wilden. Voorlopig heeft Lodewijk Napoleon, de neef van laatsgenoemde, dus de macht. President zijn was echter niet genoeg, hij pleegde een staatsgreep om keizer te worden en tegen deze achtergrond speelt dit boek zich af.

Dit boek, maar ook de komende twintig delen blijkbaar, waarvan er nu drie verschenen zijn in een nieuwe vertaling. Hier leest u er meer over. Zola wil zo een tijdsbeeld schetsen aan de hand van twee families en al hun verwanten en hij zegt daar zelf het volgende over;

Ik wil uitleggen hoe een gezin…zich gedraagt in een samenleving, wanneer het uitbreidt en tien, twintig individuen op de wereld zet, die op het eerste gezicht totaal verschillend lijken, maar waar een analyse aantoont dat ze nauw met elkaar verbonden zijn…Ik zal proberen om de draad te vinden en te volgen die wiskundig van de ene naar de andere mens leidt, om zo de tweeledige vraag naar temperament en omgeving te ontrafelen.

Hij doet dat aan de hand van twee families, de Rougons en de Macquarts, waarvan Adélaïde Fouque de stammoeder is. Zij trouwt met de koopman Rougon en ze krijgen een zoon. Rougon sterft vroeg en Adélaïde vlucht in de armen van de smokkelaar Macquart en krijgt met hem nog een zoon en een dochter.

Zola plaatst de families in het zuiden van Frankrijk, ergens tussen Marseille en Cannes, in het fictieve plaatsje Plassans. Zola kan hier goed zijn jeugherinneringen in kwijt van toen hij zelf in Aix-en-Provence leefde. Macquart wordt gedood door een gendarme tijdens zijn verboden activiteiten en Adélaïde blijft achter met haar kinderen.

Haar zoon Pierre Rougon is een geslepen man. Hij troggelt zijn moeder geld af en wil dat zijn zonen op hun beurt fortuin maken, alleen schiet dat weinig op. De één verdwijnt naar Parijs, één wordt een arts in de buurt die zich meer interesseert voor wetenschap dan voor politiek en de derde zoon keert zich politiek gezien van de familie af. Die politiek is belangrijk voor Pierre Rougon. Hij kijkt de kat uit de boom en kiest voor steun aan Lodwijk Napoleon als die staatsgreep lijkt te lukken. Hij heeft daar wel de hulp van zijn vrouw Félicité voor nodig, die nog een tandje sluwer is;

Wat haar zorgen baarde, was de houding van een almachtige meester die Pierre noodzakelijkerwijs aan zou nemen als hij zonder haar hulp zegevierde. Toen ze met deze boerenzoon was getrouwd…was dat omdat ze hem wilde gebruiken als een stevig gebouwde trekpop, waarvan ze naar wens aan de touwtjes zou trekken.

U proeft al dat hier een aardige soap uit kan ontstaan en dat is precies wat er gebeurt. De halfbroer van Pierre, Antoine Macquart verschijnt op het toneel en die blijkt een absolute nietsnut. Hij presteert het om zo’n twintig jaar de kost door zijn vrouw en kinderen te laten verdienen en om zich ideologisch tegenover zijn broer te plaatsen. Zijn kinderen zijn de voorzaten van de kunstschilder Lantier, die ik in Het meesterwerk tegenkwam, deel 14 uit deze cyclus. Verder is er nog een mooie verhaallijn voor een neef van Pierre Rougon, de jonge Silvère Mouret en zijn geliefde Miette. Silvère opent het verhaal als hij Miette ontmoet en hij vertelt dat hij zich bij de opstandelingen gaat aansluiten. Deze twee zijn eigenlijk de enige sympathieke karakters uit het hele verhaal en u raadt het; dat gaat verkeerd aflopen. Gelukkig zorgen ze voor een paar prachtige scenes, zoals hun ontmoetingen bij de gezamenlijke put. Die put wordt gescheiden door een muur, maar in het water kunnen ze elkaar zien;

Op een ochtend, heel vroeg, boog Silvère, terwijl hij de watervoorziening van tante Dide kwam ophalen, automatisch voorover, net toen hij het touw beetpakte. Hij had een rilling, hij bleef gebogen, onbeweeglijk. Op de bodem van de put dacht hij het hoofd van een jong meisje te zien, dat hem met een glimlach aankeek.

Hoe Plassans en de families zich door deze woelige tijden heen slepen moet u vooral zelf gaan lezen. Zola is een naturalistisch schrijver, wat zoveel wil zeggen dat het om echte en geloofwaardige karakters gaat. Natuurlijke dialogen, een stuk maatschappijkritiek en een wat vrijere omgang met seksualiteit zijn kenmerken van deze literaire stroming. Die laatste is in onze ogen al niet eens meer zichtbaar in dit verhaal, maar voor de katholieke kerk was dit werk al een paar bruggen te ver. De realistische omgang tussen man en vrouw werd niet gewaardeerd en de boeken van Zola kwamen al snel op de index van verboden boeken vanwege hun zedeloze karakter. Gelukkig komen ze nu in een prima vertaling weer op de markt en ik kijk uit naar de volgende delen, het is een project om te gaan volgen.

De uitgave is verzorgd met leeslint, een plattegrondje van Plassans achterin en een verklarende woordenlijst van een aantal termen en niet te vergeten een stamboom voor in het boek, die erg handig is om de familielijnen goed te kunnen volgen.

Lees hier ook de uitstekende inleiding van Anna op deze cyclus, hier haar bespreking en hier de uitgebreide bespreking van Bettina inclusief geschiedkundige achtergronden.   

Vertaling: Martine France Delflos

Dit gaat helemaal de verkeerde kant op. Parijs retour van Bart van Loo wordt omschreven als een literaire reisgids voor Frankrijk. Eigenlijk dacht ik hier probleemloos doorheen te kunnen lezen omdat ik niet zo geweldig thuis ben in de Franse literatuur, dus hele stukken zouden vast langs mij heen glijden.

Zo werkt dat dus niet en dat is vast de bedoeling van het boek. Mijn verlanglijst is in no-time uitgegroeid tot onbeheersbare grootte. Maar goed, hoe komt dat zo? Ik heb in een grijs verleden Les Misérables gelezen van Victor Hugo. Het complete verhaal, in het Engels, want helaas is er geen goede Nederlandse integrale vertaling. Van George Sand heb ik Mauprat gelezen, van Flaubert Madame Bovary en van Emile Zola Het Meesterwerk, een deel uit zijn Rougon-Macquart cyclus. Verder staat De graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas mij al een tijd aan te kijken vanuit de boekenkast wanneer het zijn beurt is, maar daar houdt het qua Franse literatuur wel zo’n beetje mee op. Toen las ik dit boek…

Hierin neemt Bart van Loo ons mee langs de levens en het werk van een aantal auteurs. Dat zijn Victor Hugo, Alexandre Dumas père, George Sand, Honoré de Balzac, Emile Zola, Alphonse Daudet, Guy de Maupassant en Gustave Flaubert. Hij doet dat door daadwerkelijk door Frankrijk te reizen, op zoek naar geboortehuizen en woonplaatsen van de auteurs, maar ook om de plaatsen te zien die worden beschreven in hun werk. Waar haalden ze hun inspiratie vandaan en is daar nog iets van terug te vinden? Dat levert een uiterst leesbaar boek op met talloze tips.

Waar ik aanvankelijk bang voor was, dat je al enige kennis van de Franse literatuur dient te hebben om van dit boek te genieten, valt reuze mee. Van Loo vertelt over de auteurs zelf, haalt delen aan uit hun werk en gebruikt zijn eigen waarnemingen om ons te informeren, zoals bij Les Misérables in Parijs;

Op zoek naar de beschrijving van het einde van Gavroche, de beroemde straatjongen in de roman…Eindelijk heb ik het gevonden. De pakkende bladzijden waarop Hugo beschrijft hoe Gavroche wordt doodgeschoten…De plek zelf heb ik ook gevonden. Vele straten zijn ondertussen verdwenen, maar enig onderzoek leert me dat Hugo de schermutselingen van 1832 hier situeert. Heilige grond.

Hij is dan nabij het Centre Pompidou en de place Stravinsky. Zo wisselt hij autobiografische gegevens en informatie over het oeuvre van een schrijver af met zijn reisbeschrijvingen en dat werkt heel goed.

Onvermijdelijk komen veel schrijvers in Parijs terecht en daarom heet het boek ook Parijs retour. Uiteraard zijn ze er niet allemaal geboren of hebben ze er altijd gewoond, dus Van Loo reist ook af naar het zuiden voor Alphonse Daudet bijvoorbeeld, een man uit de Provence. Van hem wist ik zo goed als niets en nu ben ik benieuwd naar zijn Brieven uit mijn molen. Ik had wel gehoord van Guy de Maupassant als meester van het kortere verhaal, maar na het lezen van dit boek kan je de hele reeks wel op je wensenlijst zetten. Dat geldt ook voor de cyclus van Emile Zola, waarvan Het Meesterwerk mij zeer goed is bevallen. Laat nu de hele twintigdelige Rougon-Macquart cyclus opnieuw uitgegeven gaan worden. Zo blijf je dus bezig.

Dat geldt ook voor het werk van Honoré de Balzac. Een buitenbeentje in het literaire milieu van Parijs met een duizelingwekkend schrijfregime. Hij schrijft op 30 oktober 1846;

Gisteren heb ik 19 uur geschreven, nu moeten het er 20 of 22 worden.

Hij redt dat op zwarte koffie en een nijvere rekenaar heeft ooit berekend dat hij ongeveer 50.000 gitzwarte koffies naar binnen gewerkt moet hebben. Dit soort details en anekdotes houden het verhaal ook erg levendig. Ik ken het werk van Balzac niet maar Van Loo heeft mij enthousiast gemaakt voor Verloren illusies, de novelle Kolonel Chabert en het fantasieverhaal De huid van chagrijn. Waar ik de tijd voor dit alles vandaan moet halen staat natuurlijk nergens bij.

Het oeuvre van Flaubert is beter te overzien. Hij was niet zozeer veelschrijver alswel fijnschrijver. Hij kon wakker liggen van een zin die niet liep of eindeloos schrappen en weer opnieuw beginnen. Dat viel hem niet altijd makkelijk;

‘De kunst bezorgt me soms aanvallen van wanhoop om van te schreeuwen, en een dodelijke vermoeidheid, en dan voel ik mij uitgeput alsof ik een gebergte op mijn rug tors. Ik crepeer nog wel eens tussen twee volzinnen.’

Maar het levert dan wel weer prachtige literatuur op. Zo heeft Van Loo met dit boek dus heel wat enthousiasme teweeg gebracht waarvan wij maar weer moeten zien hoe we hier mee omgaan. Een prima reisgids dus maar u bent gewaarschuwd.

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Met het boek Roemloze levens van Pierre Michon is van alles aan de hand. Dat kan veel kanten op maar ik bedoel dit louter positief. Het is namelijk een prachtig geschreven boek. Het gaat over de levens van een aantal personages uit het Franse departement Creuse. Mini-biografieën over familieleden van de schrijver, over ongeletterde boeren, over een aan lager wal geraakte pastoor of twee broers die elkaar naar het leven staan. Levens die zouden verdwijnen in de mist van het verleden, als ze niet door Michon beschreven zouden zijn.

Michon beschijft die levens in een ongemeen mooie stijl, maar er is nog iets aan de hand. Hij beschrijft niet alleen zijn protagonisten, maar ook zichzelf. Hij wil graag schrijver worden, maar het boek tekent zijn onmacht om hierin te slagen. Maar het was toch zo’n mooi boek? Ja, dat is het. Door het beschrijven van die roemloze levens en zijn pogingen om iets van zijn schrijverscarrière te maken heeft hij zijn lot omgebogen en gaat hij als groot schrijver de geschiedenis in. Dit boek wordt namelijk gerekend tot de 100 belangrijkste boeken in de literatuur (ik weet even niet door wie, ik schrijf hier de achterflap na, maar u begrijpt de importantie van dit boek).

Wat ook opmerkelijk is, is dat Roemloze levens het debuut van Michon is, uitgebracht op 39-jarige leeftijd. Zijn latere werk, wat toch iets minder gewaardeerd wordt dan dit werk is eerder uitgebracht. Dan is er het genre. Het zijn biografieën, het is een autobiografie, maar het is het ook allemaal niet. In een interview in De avonden noemt vertaler Rokus Hofstede het een hybride vorm. Het is het allemaal, het is deels ook journalistiek, maar Michon vult hele delen zelf in, soms aan de hand van maar een paar gegevens. Reden waarom ik het boek echt onder de fictie plaats.

Wat maakt het nu tot zo’n prachtig boek? We verblijven niet de hele tijd in schilderachtige Franse dorpjes, al komt dat ook voor, maar er worden familieverhalen verteld. Eén verhaal gaat over een weeskind dat in de familie wordt geplaatst, André Dufourneau. Er is weinig over hem bekend, maar de verteller verbeeldt zich van alles. Het weeskind verdween uit de familie en zijn roeping zou Afrika zijn geweest. Daar is hij ook vast gestorven, net als zijn grootmoeder Élise die niet meer onder de mensen is;

Misschien herinnerde gisteren nog een oude vrouw die ergens in Grand-Bassam bij haar deur zat zich de ontzetting in de blik van een Blanke toen de klingen flikkerden, en het luttele gewicht van zijn lichaam waaruit de besmeurde klingen werden getrokken: vandaag is ze dood; en dood is ook Élise, die zich herinnerde hoe een kleine jongen voor het eerst glimlachte toen hem een mooie, op een schort gepoetste rode appel werd aangereikt: tussen appel en kapmes vlood een leven zonder gevolgen, en met elke dag die verstreek werd de smaak van de appel zwakker en de snede van het kapmes scherper.

Een leven zonder gevolgen en er zijn er meer. Antoine Peluchet is ook zo’n karakter. Over hem is nog minder bekend dus de aannames worden groter. Het geeft niet. Michon weeft er een prachtig verhaal van waarbij en passant de knecht en pias Fiéfié van Antoine’s vader Toussaint meesterlijk wordt geportretteerd. Het loopt niet goed af met hem;

Op een dag ten slotte kwam de pias niet.
Het was in de zomer, stel ik me voor. Vooruit, het was in augustus. Een mooie hemel boog zich werktuiglijk over de oogsten en de hei, wierp harde schaduwen op het huis van de Peluchets. De oude vrouwtjes die in het dorp waren gebleven, gitzwarte waaksters op hun drempel, geduldig als het daglicht, zagen met hun zieneroog Toussaint van tijd tot tijd post vatten in de omlijsting van zijn donkere deur: in het weidse azuur probeerde hij de nog blauwere vlucht van de kraaien te duiden; hij liep de stal in voor een onduidelijk karweitje of een onbestemde gedachte, keek er naar de al te oude, nutteloze, naar het halfduister verbannen ossen…

Michon gebruikt soms lange zinnen maar dat is prima. Het is een boek om langzaam tot je te nemen en dan is de beloning groot. Het taalgebruik is bloemrijk en het is wel gemaniëreerd genoemd voor in een debuut (‘kijk eens hoe ik kan schrijven’), maar auteur P.F. Thomèse waardeert in zijn boeiende artikel in De Revisor juist die hoogdravendheid en pathos. Ik onderschtijf dat ten volle, ik heb er van genoten. In zijn latere werk heeft Michon dat meer achterwege gelaten en in het interview in De Avonden zegt vertaler Hofstede dat Michon heeft toegegeven met zijn debuut wellicht zijn meesterwerk te hebben geschreven.

Uit dat interview leer ik ook dat er een Joods gezegde is dat zegt dat je twee maal kan sterven. Eén maal fysiek, de tweede maal als je vergeten wordt. Michon heeft met zijn boek Roemloze levens een aantal karakters hiervoor behoed, maar tegelijkertijd zichzelf ook en terecht wat mij betreft. Ik vind de Nederlandse titel Roemloze levens de lading beter dekken dan de Franse titel overigens, Vies minuscules. Dat is meteen een groot compliment aan de vertaler, Rokus Hofstede. Ik spreek redelijk goed Frans, maar ik ben passages tegengekomen die ik met geen mogelijkheid zou kunnen terugvertalen in het Frans, ik moet echt het origineel er een keer bij hebben. Ik sta niet alleen in die opvatting, Hofstede heeft dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontvangen en wat mij betreft, gebaseerd op dit boek, zeer terecht.

Vertaling; Rokus Hofstede

f.eu1.jwwb.nl_public_y_r_p_temp-bqxkcsckxpmnicbzkicb_y0h6gu_Onzepublicaties-01-01-1
De bibliomaan van Charles Nodier is de eerste publicatie van Stichting Desiderata. Een stichting die, naar eigen zeggen, gepresenteerd wordt als een open inrichting voor boekverdwaasden en die zich ongeremd overgeeft aan bibliofiele neigingen. Ik kon niet anders dan lid van die club worden… Een publicatie van Nodier’s ‘De bibliomaan’ is een mooie eerste stap van de stichting; dat er maar velen mogen volgen.

Dit boek is meer dan een vertaald verhaal van Nodier. Bart van Loo schrijft een voorwoord, Ed Schilders schrijft een essay dat ‘Een bibliomaan van stand’ heet en Peter IJsenbrant geeft nog een biografische schets van Charles Nodier, die naast schrijver ook bibliothecaris was.

Het kan bijna niet anders dan dat dit een zeer verzorgde, gebonden uitgave is met dubbel leeslint en met prachtige illustraties, waarvan u hier een voorbeeld kunt zien. Er zit zelfs een Elzevierometer in. Een wat? Daar kom ik nog op terug.

Wat is nu een bibliomaan? Er is namelijk een verschil tussen een bibliomaan en een bibliofiel. Nodier heeft dit zelf wel eens op humorvolle wijze uitgewerkt;

De bibliofiel is een verzamelaar met smaak en intelligentie en de bibliomaan is feitelijk een persoon met antipathie jegens het boek…De bibliofiel weet boeken te selecteren, de bibliomaan stapelt ze op. De bibliofiel bekijkt de boeken met aandacht en de bibliomaan bekijkt de boeken met een meetlat in de hand.

Voilà, nu heeft u een beeld. Kwaliteit versus boeken per strekkende meter. De hoofdpersoon van Nodier’s verhaal is Théodore. Hij schuimt de kades van de Seine af, op zoek naar bijzondere uitgaven. Dat doet hij bij de ‘bouquinistes’, de verkopers die in Parijs nog steeds uit houten kisten hun boeken verkopen. Als blijkt dat hij een boekenveiling heeft gemist, is dat een ramp;

‘Ach hemel! Mijn beste Théodore,’ zei de eerzame heer Silvestre, ‘u hebt zich een dag vergist. De laatste veiling vond gisteren plaats. De boeken die u hier ziet, zijn al verkocht en wachten op de kruiers.’ Théodore wankelde en verbleekte. Zijn gezicht kreeg de kleur van ietwat versleten citroenmarokijn.

In die verkochte partij ziet hij een boek dat hij opmeet met zijn, jawel, Elzevierometer. Een meetinstrument waarmee hij de prijs en intrinsieke waarde van zijn boeken bepaalt. Het begrip komt van de kleine Elzevieruitgaven waarbij het ging om de manier waarop die boekjes gebonden waren en de mate waarin zij afgesneden waren. Hoe breder de marges om het tekstblok, hoe waardevoller de exemplaren waren. Meten is dus weten, maar dat kan zo maar slecht uitpakken;

‘U ziet nu,’ zei hij tegen mij,’ de ongelukkigste aller mensen! Dat boek is de Vergilius van 1676, op grootformaat papier, waarvan ik dacht het reuzenexemplaar te bezitten, en het overtreft het mijne met een derde linie. Kwaadwilllige of vooringenomen geesten zouden er zelfs een halve linie in kunnen zien. Een derde linie, mijn God!’

Hij vervalt in koortsen en die derde linie wordt zijn mantra tot aan zijn dood. Een mooi verhaal met romantische trekken en dat is Charles Nodier ten voeten uit. Hij wordt gezien als de vader van de Romantiek in Frankrijk. Hij heeft veel geschreven op allerlei denkbare terreinen en werd uiteindelijk aangesteld als bibliothecaris in de Bibliothèque de l’Arsenal. Daar hield hij ook salon waar veel jongere schrijvers hun opwachting maakten. Dat waren niet de minsten; Victor Hugo, Alexandre Dumas, Honoré de Balzac, Prosper Merimée en nog zo wat van die generatie. Nodier zou zelfs toegelaten worden tot de prestigieuze Académie Française.

Het verhaal van De bibliomaan vertoont aardig wat autobiografische trekjes. Ook bestaande personen worden genoemd, zoals de beroemde bibliomaan Antoine Boulard. Over hem zou Nodier in een apart essay nog meer publiceren. Deze Parijse oud-notaris zou naar verluidt zo’n 600.000 banden hebben bezeten, verdeeld over zes huizen. Ed Schilders gaat er in zijn essay ook nader op in en zoekt uit waar deze Boulard overal opduikt. Hij vindt zelfs een bericht uit de Java-bode van 1883 met een ‘eigenzinnig portretje’ van Boulard, die een ‘archi-millionair’ wordt genoemd;

…die zich geheel wijdde aan de letterkunde. Hij kocht wat los en vast was. Hij was de vreugde van de boekenjoden, die langs den kaaimuur van de Seine hun waren uitstalden. (…) Zijn huis was vol van den kelder tot aan den zolder. De politie moest zich er mede bemoeien, daar men bevreesd was dat de zolders hun vracht niet zouden kunnen dragen.

Al met al is dit een zeer mooi verzorgde uitgave voor iedere boekenliefhebber (niet per se bibliofiel of bibliomaan zijnde) met een vertaald verhaal, een essay waarin ingegaan wordt op bibliomanie en bibliofilie, een biografische schets van Charles Nodier, een uitgebreid notenapparaat met veel informatie én met als mooi curiosum die Elzevierometer. Waarvan overigens het bestaan überhaupt onzeker is omdat er geen één exemplaar is overgeleverd. Dat vind ik eigenlijk het mooiste verhaal.

Vertaling; Martin Hulseboom

1fa3918ad118f51597868775467444341587343_v5
Françoise Sagan was achtien jaar toen ze het manuscript inleverde voor haar beroemdste roman, Bonjour tristesse. Dat was in 1954 en het boek deed aardig wat stof opwaaien in die tijd. Het is geen dik boek en de plot is snel verteld. De zeventienjarige Cécile is met haar vader Raymond op vakantie in een villa aan de Middellandse Zee. Raymond is al vijftien jaar weduwnaar maar een behoorlijke losbol en hij wordt vergezeld van zijn vriendin op dat moment, Elza. Die is aardig wat jaren jonger dan Raymond en ze is een danseres in de bars op de Champs-Elysées in Parijs.

Raymond vertelt hen plompverloren dat Anne op bezoek komt. Anne was een vriendin van Cécile’s moeder en meer van Raymond’s leeftijd. Dat valt niet goed bij Elza en die pakt haar koffers. Cécile ziet de bui al hangen en dat klopt, Raymond verkondigt met Anne te gaan trouwen. Anne is rustig en bestendig, heel wat anders dan het leven dat Cécile en haar vader nu leiden.

Cécile heeft inmiddels een leuke jongen ontmoet op vakantie, Cyril. Met de komst van Anne verandert er inderdaad het nodige. Cécile wordt door Anne naar haar kamer gestuurd om te studeren en Cyril mag ze niet meer zien. Dat staat haaks op het levensmotto van Cécile dat ze ontleent aan Oscar Wilde;

‘De zonde is het laatste beetje kleur, dat in onze moderne wereld nog overgebleven is.’

Ze komt in opstand maar soms denkt ze er ook anders over. Ze kijkt op tegen Anne, is soms een beetje bang voor haar maar toch…;

Was ik trouwens niet gelukkig? Anne was immers goed en vrij van alle bekrompenheid? Zij zou me leiden, de verantwoordelijheid voor mijn leven op zich nemen en mij onder alle omstandigheden de weg wijzen die ik moest volgen. Ik zou volmaakt worden en vader met mij.

Uiteraad loopt het anders. Zij smeedt met Elza en Cyril een complot om Anne weg te krijgen. Cyril en Elza moeten doen of ze verliefd op elkaar zijn om haar vader jaloers te krijgen. Waar ze al eens gezakt was voor haar examen en er verder maar wat op los leefde met haar vader, merkt Cécile ineens dat ze met dit plan de aandacht heeft en dat iemand moeiteloos kon doorgronden en voor zich kan gebruiken, in dit geval Elza die haar vader graag terug wil winnen.

Ze moeten geduld hebben en Cécile en Cyril ontmoeten elkaar tussendoor in het geheim om elkaar te beminnen, maar langzamerhand lijkt hun plan te slagen. Cécile denkt in haar opportunisme dat het wel goed komt met haar vader;

Toen ik het plan had opgevat Anne uit onze kleine gemeenschap te stoten, had ik niet aan hem gedacht; ik wist immers dat hij wel troost zou vinden, zoals hij zich steeds had weten te troosten: een breuk met Anne zou voor hem minder erg zijn dan een ordelijk leven; werkelijk lijden en ten onder gaan kon hij alleen door een sleurleven zonder opwindende verrassingen, evenals ikzelf trouwens. Wij behoorden tot hetzelfde ras, hij en ik; nu eens noemde ik het in mezelf een prachtig ras van nomaden, dan weer een miserabel zooitje genieters.

Ik geef weinig weg hoop ik als ik zeg dat het verhaal niet voor iedereen goed afloopt. Wat bijzonder is aan het verhaal dat het een hedonistisch leven schildert van een zeventienjarig meisje en haar losbandige vader. Ze drinkt whisky, rookt en heeft onbekommerd sex met haar vriend en dat was nogal een ding in die tijd. Sagan was even oud als haar hoofdpersoon en soms vond ik het opmerkelijk hoe je op die leeftijd dialogen kan schrijven vanuit de veel oudere Anne:

‘Je vormt je van de liefde een al te simplistisch denkbeeld. De liefde heeft niets te maken met een opeenvolging van op zichzelfstaande lichamelijke gewaarwordingen…’…’Er is ook blijvende tederheid, de zachtheid, de pijn van het gemis…Allemaal dingen, waar jij nog niets van kunt begrijpen.’

Daar komt bij dat Sagan een tweedeling heeft gemaakt tussen de naïeve Cécile in het eerste deel en de veel meer berekende Cécile in het tweede deel die denkt de personages naar haar hand te kunnen zetten. Het verhaal eindigt tenslotte met de titel, Bonjour tristesse, als laatste woord, dat Sagan ontleende aan het gedicht ‘A peine défigurée’ van Paul Eluard, dat begint met de verzen ‘Adieu tristesse / Bonjour tristesse’. Kortom, er valt genoeg te beleven en te vertellen over een roman van toch maar 159 pagina’s.

Vertaling; Hubert Lampo

 

3bec23d81911bc859694c677641444341587343_v5
Ik kwam Jean Genet tegen in het boek van singer-songwriter Patti Smith en werd benieuwd naar zijn Dagboek van een dief. Dat is zijn meest autobiografische werk en het is een verslag van zijn zwerversleven in Antwerpen, Barcelona en in andere delen van Europa gedurende de jaren dertig.

Jean Genet leek niet voor het geluk geboren. Hij werd als kind afgestaan en belandde in een pleeggezin in de Morvan. Hij mocht van de armenzorg een opleiding volgen tot typograaf, waar hij al snel wegliep. Hij was toen dertien jaar. Met vijftien jaar werd hij naar de ‘agrarische strafkolonie’ van Mettray gestuurd. Een harde wereld, waar hij zijn homoseksualiteit ontdekte.

Op zijn achttiende ging hij in dienst wat hem in Marokko, Syrië en Libanon bracht. Later in de jaren dertig werd hij regelmatig opgepakt en gevangengezet, onder meer voor diefstal, illegaal wapenbezit en desertie. In de gevangenis begon hij te schrijven en wel met zo veel succes, dat een aantal bekende schrijvers ervoor zorgden dat een mogelijke levenslange gevangenisstraf die Genet boven het hoofd hing werd kwijtgescholden.

Een bewogen leven en een deel daarvan wordt in dit boek beschreven. Genet zelf zegt hierover;

In dit dagboek wil ik de andere redenen die mij tot een dief maakten niet verhelen – waaronder de eenvoudigste: de noodzaak om te eten -, maar bij mijn keuze kwamen nooit verzet, bitterheid, woede of een vergelijkbaar gevoel kijken. Met een maniakale, een ‘angstvallige’ zorg bereidde ik mijn avontuur voor, zoals men een bak of een kamer voor de liefde inricht: ik geilde op de misdaad.

Hier hebben we meteen een belangrijk kenmerk van zijn stijl en eigenlijk van zijn hele oeuvre te pakken, de omkering van waarden. De vertaalster Kiki Coumans zegt in haar nawoord dat Genet een heel eigen waardesysteem heeft waarin het kwaad wordt verheerlijkt en verraad als de allerhoogste deugd wordt gezien. Dat zou wel eens een interessant verhaal kunnen opleveren en dat klopt ook.

Het is geen makkelijk leven. In Barcelona is hij getuige van een moord als hij net Stilitano heeft ontmoet, waar hij helemaal van ondersteboven is. Dat levert een mooi beeld op;

De zon ging net onder. De dode man en de mooiste van alle mensen leken met elkaar te versmelten in hetzelfde gouden stof, te midden van een groep matrozen, soldaten, schooiers en dieven uit alle hoeken van de wereld.

In deze zin zit voor mij de essentie van het boek verborgen. Bij Genet gaan misdaad en liefde hand in hand en worden naar een hoger niveau getild door het als iets moois te presenteren. Die tegenstrijdigheden vinden we door zijn hele verhaal. Hij wordt vaak gearresteerd en vernederd maar vreemd genoeg schrikt de gevangenis hem niet af;

De gevangenis geeft me dezelfde veiligheid. Niets kan haar verwoesten. Geen rukwinden, geen stormen, geen faillissementen. De gevangenis blijft zeker van zichzelf, en wie erin zit ook.

Hij pleegt vaak diefstallen, handelt in vals geld, maar soms lijkt het lijntje dun naar serieuzere misdaad. In Polen heeft hij een revolver op zak en stelt voor een chauffeur dood te schieten als deze Genet en zijn vriend niet naar de grens brengt met Tsjechoslowakije. In hoeverre dit opgeklopt is of niet weten we niet, er wordt niemand vermoord.

Naast de misdaad loopt zijn homoseksualiteit als een rode draad door het verhaal heen. Altijd is hij in de ban van een man en die liefde wordt lang niet altijd beantwoord. Als hij hoort van een jongen die heulde met de Franse Gestapo, gaat die vreemde omgekeerde gedachtengang van Genet direct aan het werk;

Opnieuw was ik het middelpunt van een meeslepende draaikolk. De Franse Gestapo bevatte twee fascinerende elementen: verraad en diefstal. Als daar nog homoseksualiteit bij kwam, werd ze schitterend en onaantastbaar.

Jean Genet schreef naast dit dagboek een aantal romans, essays, een prozagedicht en vier toneelstukken. Hij stierf in 1986 tijdens een verblijf in Parijs en ligt begraven op het Spaanse kerkhof  in Larache, Marokko.

Vertaling: Kiki Coumans

9492068192.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Er is veel te vertellen over Het meesterwerk van Émile Zola. Allereerst is het een kunstenaarsroman. Het speelt zich grotendeels af in Parijs tussen 1860 en 1870 en gaat over de strijd van een schilder, Claude Lantier, om het ultieme meesterwerk af te leveren. Zola gaf dit zelf als volgt weer;

‘Met Claude Lantier wil ik het gevecht van de artiest tegen de natuur schilderen, de inspanningen die met bloed en tranen gepaard gaan […] om leven te scheppen: steeds weer strijden met het ware, en steeds weer verslagen worden, het gevecht met de engel.’

En het begint allemaal zo rustig. Claude Lantier is een beginnend schilder die, als hij zijn kamer binnen wil gaan, een meisje ziet schuilen voor de regen. Hij nodigt Christine binnen uit en laat haar overnachten. ’s Morgens schildert hij haar, aanvankelijk zonder haar medeweten. Christine vertrekt en we maken kennis met het milieu waarin Claude leeft. Zijn vrienden, de schrijver Pierre Sandoz, de aankomend architect Louis Dubuche en later nog anderen als de beeldhouwer Mahoudeau en de schilder Fagerolles. Op de vaste donderdagavond, tijdens de etentjes bij Sandoz, wordt er vaak heftig gediscussieerd. Allemaal zijn ze vastbesloten Parijs op de grondvesten te doen schudden met hun werk;

‘O, alles zien en alles schilderen!’ riep Claude uit…’Mijn handen jeuken. Ja, heel het moderne leven! Fresco’s zo hoog als het Pantheon! Een serie doeken, zo fantastisch dat het Louvre ervan ontploft!’

Claude ontmoet Christine weer en ze worden onafscheidelijk. Tegelijk wordt zijn doek geweigerd door de prestigieuze kunsttentoonstelling Salon de Paris. Het komt terecht op de Salon des Refusés, de salon voor de geweigerden, waar het bespot en uitgelachen wordt. Het is een hard gelag voor Claude en Christine en ze verlaten Parijs om in het landelijke Bennecourt te gaan wonen. Daar wordt hun zoon Jacques geboren.

Uiteindelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan en keren ze terug naar Parijs. Claude raakt er steeds meer van overtuigd dat hij iets prachtigs zal gaan scheppen, maar zijn doeken worden keer op keer geweigerd. Hij wordt depressiever en de eerste ruzies ontstaan tussen Claude en Christine. Zij ziet dat ze Claude meer en meer kwijtraakt aan een rivale, de schilderkunst. De contacten met zijn vrienden waren verwaterd maar worden hersteld en hij verschijnt weer op de etentjes. Toch merkt hij dat de verhoudingen anders zijn. De vriendschappen zijn niet meer als voorheen.

Ondertussen heeft hij een atelier ingericht en vindt hij een definitief onderwerp voor zijn meesterwerk. Maar zijn grote doek zorgt voor een definitieve verwijdering tussen Claude en Christine. Er komt soms lange tijd niets uit zijn vingers;

Hij leed als een verdoemde die eeuwig een rotsblok omhoog moet duwen dat terugrolt en hem verplettert, maar hij had de toekomst nog, de zekerheid dat hij het blok op een dag met beide handen op zou tillen en het naar de sterren zou slingeren.

Christine poseert uit wanhoop maar voor zijn doek om bij hem te zijn, maar ze voelt dat hij haar gebruikt en wordt verstikkend jaloers. Hij verkiest zijn geschilderde kopie boven haar en maakt de kopie alleen maar mooier.

Het mooie is dat zijn vrienden ook allemaal een proces meemaken. Sandoz, de schrijver, gaat ook op in zijn werk. Dubuche, de architect, trouwt met de dochter van een beroemde vakgenoot maar zal dat berouwen. Mahoudeau, de beeldhouwer, ziet één van zijn werken voor zijn ogen instorten en leeft in grote armoede, het zijn stuk voor stuk mooie verhalen die parallel lopen en elkaar vaak kruisen.

Claude wisselt enkele hoogtepunten af met veel meer dieptepunten en Christine ziet het angstig aan;

‘Wat maakt het ook uit, verdomme…Ik begin gewoon opnieuw…’
Ze stak het licht aan, ze zag heel bleek en wierp een blik vol vrees en haat op het schilderij. Het ging dus niet weg, de verschrikking begon weer van voren af aan!
‘Ik begin gewoon opnieuw,’ herhaalde Claude, ‘ook al ga ik eraan onderdoor, gaat mijn vrouw eraan onderdoor, mijn kind, de hele bliksemse boel, maar het zal godsakkerju een meesterwerk worden!’

Of dat gebeurt moet u vooral zelf gaan lezen, maar het boek laat schitterend zien wat een worsteling dit voor deze kunstenaars soms is. Ze weten dat het wellicht voor een erkenning is die ze nooit meemaken, en wellicht is zelfs dat te hoog gegrepen. Het is ook herkenbaar, we kunnen schilders opnoemen voor wiens werk er nu miljoenen neergeteld worden en die dat nooit hebben meegemaakt. Verder laat het de strijd van de oude garde zien die ooit een meesterwerk afleverde, maar waarvan verwacht wordt dat dit geëvenaard of overtroffen wordt. Ook is er een verhaallijn over de kunsthandelaar die een middelmatige schilder tot grote hoogte weet op te stuwen en die zelfs een rol gaat spelen in het wel of niet toelaten van het werk van Claude tot de Salon.

Om terug te gaan naar het begin van deze bespreking; allereerst een kunstenaarsroman dus. Maar ook een sleutelroman. Claude Lantier zou een alter ego van de schilder Paul Cézanne zijn en met Pierre Sandoz zou Zola zichzelf een plaats in het verhaal hebben gegeven. Het ligt wel iets complexer, beiden zijn uit meerdere figuren samengesteld. Er zitten wel autobiografische elementen in; het landelijke Bennecourt en de donderdagavondbijeenkomsten van de vriendengroep zijn aan de werkelijkheid ontleend.

Verder is het een naturalistische roman. Zola was erg precies in zijn weergave en documentatie. Hij verdiepte zich voor deze roman in de kunstwereld, in de organisatie en het verloop van de Salons en hij maakte zelfs een lijstje van uitdrukkingen die hij argeloze bezoekers hoorde gebruiken. Overigens haal ik deze wijsheid uit een prima nawoord van Marjolein van Tooren.

Tot slot is het een roman met als groot thema de strijd tussen liefde en kunst. Waar Claude en Christine eerst gek op elkaar zijn, verschuift de liefde van Claude langzaam maar zeker naar zijn kunst en moet Christine wijken. Het levert een prachtige roman op.

Vertaling; Lidewij van den Berg en Marijke Scholts

27060b849555942593546785777444341587343
Het Chanson de Roland of Het Roelantslied, geschreven door ene Turoldus stond al even bij mij in de kast, maar ik moest nog even een reden vinden om het te lezen. Die vond ik in het boek Stemmen op schrift. Daarin wordt het genoemd en beschreven dus ik pakte het maar eens op.

Het Chanson de Roland is een zogenaamd ‘chanson de geste’, een in de middeleeuwen populaire vorm van verhaalvertelling, waarin historische personen een hoofdrol spelen. In dit geval betreft het een heuse ridderroman, waarin het begrip roman niet in de huidige betekenis moet worden opgevat, daar het volledig in versvorm is opgeschreven.

Het Franse origineel dateert uit de periode 1050-1150 en de eerste, fragmentarisch overgeleverde, Nederlandse vertaling komt uit het begin van de 16e eeuw. Het verhaal zelf mag er zijn. Karel de Grote heeft vrijwel heel Spanje veroverd op de Saracenen. Deze bereiden samen met de Franse graaf Ganelon een verraderlijk plan voor dat moet leiden tot een aanval op het zich terugtrekkende Frankische leger en de dood van zijn stiefzoon Roeland en zijn vriend Olivier.

Ik zal het maar verklappen, dat plan lukt. Wat volgt staat bekend als de Slag bij Roncevaux. Roeland en de zijnen worden overvallen en de hoofdpersoon weigert om met zijn hoorn versterkingen in te roepen. Zij vechten zich eervol dood. De verraderlijke graaf zal echter zijn verdiende straf uiteindelijk krijgen.

Nu weet ik graag wat achtergronden voor ik zo’n vers ga lezen, dus begon ik met het lezen van het nawoord van de vertaler. Dat was nuttig, want ik kreeg zo aanwijzingen voor het verhaal. Er wordt uitgelegd waarom het verraad gepleegd werd. Ook wordt Roeland’s merkwaardige gedrag verklaard met het blazen op zijn hoorn Olifant. Hij weigerde, zei ik al, om versterkingen in te roepen. Later blaast hij toch. Toch bang geworden? Wanhoop? Nee, dat was enkel nog bedoeld om te voorkomen dat de heidenen zouden ontkomen, niet als hulp voor hem persoonlijk. Dan lees je het toch net even anders;

Roeland zet de Olifant aan zijn mond,
plaatst hem goed en blaast er dan krachtig op.
Hoog zijn de bergen, ver draagt zijn stem rond:
tot ruim twintig mijlen heeft hij weerklonken.
Karel hoort hem met zijn hele gevolg.
‘Onze mannen voeren strijd!’ zegt de vorst
Maar dat wordt weersproken door Ganelon:
‘Zei een ander dat, dan leek het bedrog!’ 

Karel de Grote gaat toch terug terwijl Roeland, Olivier en hun metgezellen vechten voor hun leven. Die vechtpartijen worden zeer beeldend beschreven en volgen een vast ‘ridderlijk’ patroon (hier en daar met variaties). Het paard wordt gespoord, de lans gericht, de ridder slaat toe, het schild breekt, het maliënkolder wordt verscheurd, de tegenstander wordt doorboord en van zijn paard geworpen. Iets als volgt;

Engeler, de Gascogner uit Bordeaux,
laat de teugel vrij, geeft zijn paard de sporen
om Escremiz van Valterne te doden.
Hij breekt het schild aan zijn hals middendoor
en ’t kinstuk van zijn kolder: steekt hem voorts
recht in het borstbeen. Met volle lans stoot
hij hem uit het zadel op de grond, dood.
Daarna zegt hij hem: ‘Nu ben je verloren!’

Karel komt dus te laat en zijn jammerklacht is een prachtige. Uiteindelijk zal hij de Saracenen najagen en verslaan en wordt de verrader gevierendeeld. Eind goed, al goed, zo ongeveer.

Er valt verder genoeg over dit verhaal te vertellen, zoals de twijfel aan een deel waarin de emir Baligant optreedt. Het is een andere verteltechniek en er zijn redenen aan te voeren dat het deel niet past, maar afdoende bewijs is nooit geleverd. Leuk om te lezen dat de term ‘la douce France’ in dit vers voor het eerst opduikt (‘het zoete Frankrijk’). Ook de auteur, ene Turoldus, blijft een mysterie. Er zijn er die zeggen dat het om Turoldus van Fécamp gaat, de halfbroer van Willen de Veroveraar. Ook zijn er kroniekschrijvers die melden dat tijdens Willems campagne bij de slag van Hastings een jongleur, genaamd Taillefer, een Roelantslied zong. Dan is er het beroemde tapijt van Bayeux, waarop bij een klein figuurtje in jongleurstenue de naam TVROLD vermeld staat…tenzij die naam slaat op de forse krijgsman naast hem. Kortom, ook daar een mysterie. Het wordt prachtig toegelicht door de vertaler in het nawoord, lees dat vooral eerst.

Vertaling; Arjaan van Nimwegen

9025367836.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De essays van Michel de Montaigne. Dan heb je ze ineens alle 107 gelezen, 1377 pagina’s achter elkaar. Waarvan wordt gezegd dat je ze niet allemaal achter elkaar moet lezen. Wat ik natuurlijk wel heb gedaan. Wat mij overigens uitstekend is bevallen, ik heb mij geen moment verveeld.

Montaigne trok zich in 1570 terug uit het openbare leven om de “Klassieken” te gaan bestuderen en om zijn gedachten op papier te zetten. Aanvankelijk in korte geschriften, later in veel langere betogen. De onderwerpen gaan vaak over persoonlijke ervaringen en algemeen bekende gemoedstoestanden, zoals de titels laten zien; ‘Over droefheid’, ‘Over de ijdelheid’ en ‘Over de vriendschap’ zijn wat voorbeelden. Hij geeft zelf aan hoe hij te werk gaat:

Hoe grote nonsens ik ook te berde breng, ik ben niet van plan die te verbergen…Want ook wat ik nu schrijf zijn míjn gevoelens en meningen. Ik breng ze naar voren als wat ík geloof, niet als wat men geloven moet. Het gaat er mij alleen om hier mijn eigen ik te ontdekken, dat er morgen misschien anders uitziet, als ik verander met het nieuwe dat ik leer.

Als ik nadenk over waarom mij dit boek zo goed is bevallen, dan is dat ten eerste omdat het een prachtige inkijk in de 16e eeuw verschaft. Amerika is net ontdekt en de gruwelen van de ‘conquistadores’ in Zuid- en Midden-Amerika zijn dan al doorgedrongen tot Europa. De ‘Decamerone’ wordt gezien als moderne literatuur en Copernicus en Galileï poneren boude stellingen over de plaats van de aarde in het heelal. Er gebeuren dingen. Ten tweede is het de vertelwijze. Alsof hij je een persoonlijk verhaal zit te vertellen en feitelijk doet hij dat ook. Hij geeft het zelfs aan in zijn voorwoord, het boek is bestemd voor vrienden en verwanten. Voilà, ik behoor ineens tot zijn ‘inner circle’.

Verder is hij redelijk no-nonsense en ook dat bevalt. Hij hekelt de heksenprocessen van zijn tijd met woorden zoals wij er nu tegenaan kijken;

wat is er met het verstand van een rechter aan de hand dat hij op grond van andermans verklaringen gelooft dat iemand in staat is op een bezemsteel uit de schoorsteenpijp weg te vliegen?

Geen alcohol schenken aan kinderen voor hun zestiende of achttiende levensjaar, geeft hij aan. We hebben het er in onze tijd nog over. Waarom worden de dingen door wijsgeren met opzet zo moeilijk gezegd? Meer cachet geven aan loze materie, vertelt hij. Als hij voor zijn nierstenen rattenkeutels voorgeschreven krijgt schuift hij dit terzijde.  Hij gaat voor degelijke wetenschap en anders niets. Ook zijn eigen tekortkomingen schuwt hij niet;

Ik persoonlijk vind elk antwoord uitstekend, als het maar ter zake is. Maar als de discussie warrig en ordeloos verloopt, verlies ik de draad en klamp mij nurks en ongenuanceerd vast aan de uiterlijke vorm en begin schamper en verbeten te disputeren, zó bedillerig dat ik er later het schaamrood van op mijn kaken krijg.

Het zijn 107 essays met een veelheid aan onderwerpen. Wel gelardeerd met een niet-aflatende stroom aan voorbeelden en anekdotes. Uit zijn eigen leven, maar vaak ontleend aan de “Klassieken”. Het leest geweldig en de vertaler heeft hier ook de hand in. Ik weet niet wat er in het origineel heeft gestaan, maar ik kom woorden tegen als “moeders pappot”, “hineininterpretiert’, “zielenpiet” en “haastje-repje” en het lijken de enige juiste woorden.

Vertaling; Hans van Pinxteren