archiveren

Franse literatuur

9085600820.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De tweede roman van de Rougon-Macquart cyclus van Émile Zola heet Buit maken. Het eerste deel speelde zich af in Zuid-Frankrijk in Plassans, maar dit deel heeft Parijs als decor.

De zoon van Pierre Rougon, de hoofdpersoon uit het eerste deel, eist in dit deel de hoofdrol voor zich op. Aristide Rougon komt met zijn vrouw naar Parijs en zoekt via zijn broer, Eugène, een betrekking waarmee hij snel geld hoopt te verdienen. Dat is meteen de rode draad voor Aristide; geld is alles en hij richt zijn leven er op in. Als zijn vrouw Angèle overlijdt stelt zus Sidonie al direct een nieuwe kandidate aan hem voor als vrouw. Renée zal namelijk een hoop geld met zich meebrengen.

Met dat geld kan Aristide gaan speculeren en beleggen. Het is de tijd dat Parijs op de schop gaat en ingenieur Haussman hele wijken plat legt om met zijn boulevards Parijs opnieuw in te delen. Zola gaat er, bij monde van Aristide, uitgebreid op in;

“Wanneer het eerste netwerk voltooid is, begint de grote dans. Het tweede netwerk zal de stad van alle kanten doorboren om de buitenwijken met het eerste netwerk te verbinden…Van de Boulevard du Temple tot aan de Barrière du Trône, een snede; dan aan deze kant nog een snede…Parijs gehouwen met slagen van zwaarden, de aderen open, honderduizend arbeiders en metselaars voedend, doorkruist door bewonderenswaardige strategische routes die het hart van de oude wijken zal versterken.”

Hij zal er veel geld verdienen en er zijn jonge vrouw Renée mee onderhouden. Het is geen gelukkig huwelijk maar ze weten wat ze aan elkaar hebben;

Voor haar deed hij zijn kas wijd open. In feite hield ze van hem als van een gedienstige bankier.

Renée zoekt haar plezier elders en wel bij de jonge zoon van Aristide, Maxime. Renée is zijn stiefmoeder, maar dat staat een relatie niet in de weg. Maxime is overigens beloofd aan de gebochelde Louise, wat ook een geldkwestie is.

Eigenlijk gaan we met dit verhaal een beetje de diepte in. Zola beoogt met zijn romancyclus een tijdsbeeld weer te geven aan de hand van de belevenissen van de families Rougon en Macquart. In deel één voerden politieke verwikkelingen nog de boventoon, in deel twee ligt dat anders. Er is meer focus op de hoofdpersonen Aristide, Renée en Maxime.

Bij Aristide gaan we de diepte in over de herindeling van Parijs en de schimmige deals die daar in rond gaan en het geld dat er mee te verdienen is. De verhaallijnen over Renée en Maxime gaan vooral over het leven van de gegoede burgerij die wat geld te verteren heeft. Zola beschrijft uitgebreid hun woningen, de bals die ze geven, de rijtuigen waarin men zich verplaatst en de kleding die men draagt;

Ze had een japon van wonderbaarlijke gratie en originaliteit…Het was een eenvoudige japon van wit gaas, maar afgezet met een veelvoud aan kleine ruches, uitgeknipt en afgezet met een net van zwart fluweel. De tuniek, van zwart fluweel, had een vierkant uitgesneden decolleté, heel laag op haar borst, omlijst met een randje dun kant, nauwelijks een vinger hoog. Geen bloem, geen stukje lint. Aan haar polsen waren armbanden zonder gravering en op haar hoofd een smalle gouden diadeem, een eenvoudige cirkel, waardoor hij op een aureool leek.

Bereidt u zich voor op veel meer van dit, maar daardoor krijg je wel een prachtig beeld van het milieu waarin het verhaal zich afspeelt.

Voor de aandachtige lezer is er ook nog een diepere laag. Zola heeft de Griekse mythe van Phaedra als basis voor dit verhaal genomen. Zij is de vrouw van Theseus en gaat met hem mee naar Athene. Daar ontmoet ze de zoon van Theseus, Hippolyte en wordt verliefd op hem, als stiefmoeder en stiefzoon. U hoeft dat niet helemaal zelf te bedenken, de aanwijzingen zitten in het verhaal, in een verklarende woordenlijst en de vertaalster licht één en ander toe in een nawoord. Ik ben onverminderd benieuwd naar het vervolg van deze cyclus.

Lees ook de uitgebreide bespreking van Bettina hier.

Vertaling; Martine France Delfos

 

12d4abe9e565eae59764b797a41444341587343_v5
Guy de Maupassant (1850-1893) heeft talloze verhalen geschreven die in acht mooie delen zijn uitgegeven dooor uitgeverij L.J. Veen, allen vertaald door Hans van Cuijlenborg. Die verhalen beslaan de periode 1875-1891 en Op een lenteavond is het eerste deel, over de jaren 1875-1881.

Dit deel telt 331 pagina’s voor 20 verhalen. Daar zitten hele korte verhalen bij en het langste verhaal telt 56 pagina’s. Van alles wat en het is een plezier om te lezen. Gelukkig is dat ook meteen mijn criterium en hoef ik geen uitspraken te doen of dit nu wel of geen literatuur is (ik vind overigens van wel, dus doe het toch). Anderen dachten daar anders over. Hoewel Maupassant altijd verdedigd is door grootheden als Émile Zola, Albert Camus en Georges Simenon, zouden verfijnde taalkunstenaars als Edmond de Goncourt en Paul Claudel hem nooit als literator erkennen. Vertaler Van Cuijlenborg over Maupassant;

Het vertalen van Maupassant, aldus Van Cuijlenborg, lijkt op het spelen van Mozart, ‘schijnbaar simpel, maar daardoor juist verraderlijk. Maupassant is een orale verteller die zijn verhalen ook heel goed kan opschrijven…Het vertaalwerk is emotioneel aangrijpend. Ik moet soms letterlijk wenen bij het vertalen.’

Wat het lezen van die verhalen zo leuk maakt is dat we in allerlei milieus en op allerlei plaatsen terecht komen. Soms onder studenten, soms onder professoren, soms bij een boerengezin, soms in Parijs, soms in Normandië, vaak onderweg zij het in de diligence of varend over de Seine. Een prachtig verhaal is dat over Doctor Heraclius die een manuscript ontdekt over de zielsverhuizing, ofwel reïncarnatie. Hij raakt hiervan in de ban en haalt een aap in huis waarvan hij wil weten hoe deze is gereïncarneerd. Aanvankelijk gelooft hij dat de aap de oorspronkelijke auteur is van zijn manuscript, vervolgens denkt hij dat hijzelf het was in een vorig leven, tot hij in een gesticht wordt opgenomen waar nog iemand zit die claimt het werk geschreven te hebben.

Reuzelpotje is ook een pareltje en meteen een rechtse directe naar de hypocriete burgerij. De naam is van een mollige dame van vederlichte zeden die op een lange tocht haar eten deelt met de rest van de diligence. Als ze bij een herberg aankomen mogen ze niet doorreizen tot Reuzelpotje het bed deelt met een Pruisische officier. Ze wordt hier door haar medepassagiers toe gedwongen en ze kunnen door, maar;

Niemand keek haar aan, niemand dacht aan haar. Ze voelde zich verdrinken in de minachting van die eerzame schoften die haar eerst hadden opgeofferd, om haar daarna als iets smerigs en onbruikbaars te verwerpen.

Het is dus niet aleen vrolijkheid in de verhalen en het taalgebruik is soms behoorlijk direct. We zien ontrouwe kerels, sterke vrouwen, maar ook ontrouwe vrouwen; als Madeleine, de vrouw van Paul ligt te rotzooien met dikke Pauline, weet Paul niets beters te doen dan zich te verdrinken in de Seine. In een eerder verhaal bleef een schipper met zijn anker al steken achter een verzwaard lijk. Genoeg drama dus. Gelukkig zijn niet alle doden even dood. Als moeder en oma overlijdt en keurig boven ligt opgebaard komt Marie-Louise naar beneden;

Ze gooide totaal van streek de deur open…en buiten adem stamelde ze: ‘Mama, papa, grootmoeder is zich aan het aankleden!’
Caravan sprong zo plotseling overeind dat zijn stoel tegen de muur rolde. Hij stamelde; ‘Wat zeg je? Wat zeg je daar?’
Maar Marie-Louise, die stikte van aandoening, herhaalde: ‘Groot…groot…grootmoeder kleedt zich aan…ze komt zo naar beneden.’

Laten ze net de klok en de mooie kast van grootmoeder al veilig gesteld hebben. Gedoe dus maar erg vermakelijk om te lezen.

Er zijn te veel verhalen om op te noemen, alleen Huize Tellier wil ik u niet onthouden. Een huis van plezier in een dorpje dat op slot gaat, omdat de madame naar de communie van haar nichtje moet. Alle (meest getrouwde) kerels weten even niet waar ze het moeten zoeken. Ze neemt namelijk alle dames mee en die zetten prompt het hele dorp waar de communie gehouden wordt op z’n kop. Tot de viering begint en alle dames zo geroerd zijn dat ze en masse beginnen te huilen en de hele kerk hierin meenemen.

De verhalen lezen prima door en de vertaling lijkt me dik in orde, maar ik ben af en toe benieuwd naar het origineel, zeker als ik zo’n stuk lees;

En hij maakte een grapje over het woord ‘dol’ waarmee de twee pinnen worden bedoeld die de riemen vasthouden, door te zeggen dat de roeiers er nooit zonder dollen op uit gingen.

Waar het Franse woord voor ‘dol’ dus ‘tolet’ is en ik niet zou weten hoe dit in het Frans terug te vertalen. Ieder zijn vak, zeg maar.

Ik heb gelukkig nog een paar delen te gaan, het is voor mij weer een fijne ontdekking in het Franse literaire landschap.

Vertaling; Hans van Cuijlenborg

 

ad6cddf55f3ff68593164335577444341587343_v5 (2)
Kolonel Chabert van Honoré de Balzac is een korte novelle van ruim honderd pagina’s en maakt deel uit van La Comédie humaine, het magnum opus van Balzac waarover ik hier iets schreef.

Op een dag dient zich ten kantore van procureur Derville een oude man aan die de procureur wenst te spreken. De klerken verzoeken hem ’s nachts terug te komen, omdat de procureur dan op kantoor werkt. Dat doet hij en hij vertelt zijn verhaal aan procureur Derville.

Hij is kolonel Chabert en heeft bijgedragen aan de overwinning van Napoleon bij Eylau in Oost-Pruisen. Hij raakte zwaar gewond en werd voor dood achtergelaten in een massagraf. Toch wist hij zich te bevrijden, vond onderdak bij lokale mensen en wist uiteindelijk in Parijs terug te komen. Onderweg naar Parijs begon zijn tragiek al, want het nieuws van zijn dood was al bekend gemaakt;

Dikwijls hielden mijn pijnen me maandenlang in een stadje vast, waar men mij als zieke Fransman goed verpleegde, maar zodra diezelfde Fransman beweerde kolonel Chabert te zijn, werd hij midden in zijn gezicht uitgelachen. Tijden lang werd ik door hun gelach en ongeloof tot een vorm van razernij gebracht, die schadelijk voor mij was en mij in Stuttgart zelfs als een gek achter slot en grendel deed belanden.

Tot overmaat van ramp merkt hij dat zijn vrouw inmiddels getrouwd is met ene graaf Ferraud en daar twee kinderen mee heeft. Zij heeft het vermogen van Chabert handig veilig gesteld en wil niets meer van hem weten. Dat is de reden waarom Chabert naar procureur Derville komt. Hij is ook de raadsman van zijn vrouw en hij wil weten of hij zijn geld terug kan krijgen. Er is wel bewijs dat hij de echte Chabert is, dat moet uit Pruisen komen, van de mensen die hem daar hebben opgevangen. Derville wordt geraakt door zijn verhaal en ziet mogelijkheden, maar schetst wel even de juridische molen. Eindeloze processen die een hoop geld kosten;

Grote tranen welden uit de fletse ogen van de arme soldaat en biggelden over zijn gegroefde wangen. Nu de moeilijkheden zo groot bleken, zonk de moed hem in de schoenen. De maatschappij en het rechtswezen benauwde hem als een nachtmerrie.

Derville stuurt aan op een schikking en brengt een bezoek aan Chaberts vrouw. Hij legt haar uit wat de gevolgen van een proces voor haar zijn en zij lijkt te luisteren. In ieder geval komt zij naar zijn kantoor, waar Chabert ook verschijnt. Hun ontmoeting loopt aanvankelijk niet zo goed maar na afloop weet zij Chabert mee te tronen naar haar landgoed om eens over de zaak te praten. Bijna pakt ze hem in, maar hij doorziet op het laatst haar listen.

Hoe dit afloopt moet u vooral zelf gaan lezen, maar Balzac heeft in  kort bestek een mooi verhaal opgetuigd dat toch een heel tijdsbeeld weergeeft. Het is het tijdperk van de Restauratie, waarin Napoleon heeft afgedaan en waarin de Bourbon-dynastie weer op de troon kwam. De landgoederen die tijdens de Revolutie door onteigening van de adel zijn afgenomen werden weer aan de oude eigenaren toegewezen. De grote verliezers zijn degenen die mee hebben geholpen aan de machtsbasis van Napoleon. Na zijn verbanning worden zijn twaalfduizend officieren op wachtgeld gesteld en ontvangen ze nog maar de helft van hun soldij.

En Chabert? Hij wil niets meer van zijn vrouw en de wereld weten. Geld heeft hij niet meer, alleen zijn eer;

‘mevrouw, ik vervloek u niet, ik veracht u…U kunt rustig leven met mijn woord van eer: dat is meer waard dan het gekrabbel van alle notarissen uit Parijs bij elkaar. Ik zal nooit meer aanspraak maken op de naam die ik misschien beroemd heb gemaakt. Ik ben alleen nog maar een arme drommel die Hyacinthe heet en slechts zijn plaatsje in de zon wil hebben. Gegroet…’

Waar Balzac in De huid van chagrijn nog fantastische elementen door zijn verhaal weefde, is dit een realistisch verhaal. Balzac zal vaker bestaande historische gebeurtenissen in zijn verhalen gebruiken en daar fictieve personen in laten optreden. Bovendien heeft hij zijn eigen werkervaring als jongste bediende op een notariskantoor gebruikt voor de beschrijving van het procureurskantoor in dit verhaal. Een mooi en sterk verhaal en ik ben nog niet klaar met deze auteur.

Vertaling; Hans van Pinxteren

 

80b05ab9ba14160596968516e51444341587343_v5
Honoré de Balzac was een ambitieuze schrijver. Hij nam het op zich op La Comédie humaine te schrijven, een beoogd oeuvre van 134 romans waarin hij het Frankrijk van na Napoleon wilde beschrijven in al haar facetten. Hij strandde op zo’n 95 romans en novellen, toen was hij op. De huid van chagrijn wordt wel beschouwd als de eerste echte roman uit de reeks.

Balzac wordt vaak als een groot realistisch schrijver gezien, maar dit boek laat zien dat er aardig wat fantastische elementen inzitten. Hij is eerder een overgangsfiguur tussen de romantiek en het realisme. Voor een eerste kennismaking met deze schrijver beviel het uitermate goed.

De wat merkwaardige titel heeft niets te maken met de gemoedstoestand van een stuk huid, maar chagrijn is een harde leersoort, gemaakt van een paarden- of ezelshuid. In dit geval komt het van een onager, een Aziatische wilde ezel.

Het begint allemaal met Raphaël Valentin. Hij heeft zijn geld vergokt en wil er een einde aan maken door in de Seine te springen, maar dat doe je niet op klaarlichte dag. Hij brengt wat tijd zoek bij een antiquair en vindt daar een stuk huid van chagrijn, met een tekst erop;

Als je mij bezit, bezit je alles, maar je leven zal mij toebehoren, God heeft het zo gewild. Wens, en je wensen zullen vervuld worden, maar regel je verlangens naar je leven. Daar is het. Bij ieder willen zal ik afnemen zoals je dagen afnemen. Wil je me? Neem. God zal je verhoren. Zo zij het!

Een ouderwets pact met de duivel, Faust weet er alles van. Valentin gelooft er niet zo in maar is wel nieuwsgierig en wenst een groot bacchanaal. U raadt het, zodra hij met dat vel de winkel uitloopt ontmoet hij vrienden die hem uitnodigen voor een geweldig feest. Wat volgt is een lange monoloog van Valentin over zijn leven en zijn armoede. Hij leefde lang op een zolderkamertje, aanbeden door het meisje Pauline, maar hij was zelf geobsedeerd door de gravin Foedora. Het is een roman in een roman want de monoloog duurt zo’n 100 pagina’s waar het boek 245 pagina’s telt.

Met die gravin wordt het niets. Ze gebruikt Valentin en wijst hem uiteindelijk af. Als de monoloog ten einde is, is er nog genoeg te wensen over en Valentin wenst, weinig verrassend, rijkdom. Prompt krijgt hij bericht dat hij de enige erfgenaam is van een in Calcutta gestorven majoor. Hij is nu schatrijk, maar hij bemerkt wel dat de huid van chagrijn steeds kleiner wordt en langzaam begint het te dagen…

Later zien we hem terug als een schatrijk man in een prachtig huis, maar hij wil niemand zien. Niemand met wie hij een gesprek kan voeren waarin een wens vervuld wordt; dat gaat ten koste van de huid en dus van zijn leven. Soms gaat hij er op uit en in het theater ziet hij gravin Foedora zitten maar komt hij ook Pauline weer tegen. Ook zij is rijk geworden omdat haar verloren gewaande vader met een hoop geld is teruggekeerd. Ze vallen nu wel voor elkaar en eeuwig geluk lijkt in de maak.

Maar wij, en Valentin eigenlijk ook, weten wel beter;

Maar toen kreeg hij een verschrikkelijke hoestbui, zo’n diepe, sonore hoest die uit een grafkelder lijkt te komen, die het voorhoofd van zieken doet verbleken en hen, na eerst hun zenuwen geschokt, hun ribben door elkaar geschud, hun ruggemerg uitgeput en een drukkend gevoel in hun aderen geperst te hebben, bevend en badend in hun zweet achterlaat.

Hij merkt dat hij ziek wordt en hij doet er alles aan om de huid weer op te laten rekken. Door de natuurkunde, waarbij een gigantische pers wordt gebruikt en waarbij we de wet van Pascal nog even voorgeschoteld krijgen, door de scheikunde die er verschillende goedjes op los laat maar het helpt allemaal niets, de huid geeft (nu) geen krimp.

Voor zijn gezondheid vlucht Valentin naar een kuuroord waar hij nog een duel moet aangaan. Dat wint hij op zijn sloffen, maar ten koste van een stuk huid, dat onderhand nog zo groot is als een klein eikenblad. Of dit alles goed afloopt kunt u waarschijnlijk wel raden.

Het is een prachtig geschreven verhaal waarin ik heb genoten van de lange monoloog, van de meer concrete stukken zoals in het laatste citaat maar ook van bijvoorbeeld de beschrijving van het interieur van het antiquariaat. Balzac laat daarin in kort bestek de wonderen van de wereld voorbij komen in één winkel.

Daarbij is het verhaal natuurlijk een commentaar op de maatschappij. Hebzucht en materialisme gepersonaliseerd door de kille en harde gravin Foedora maar ook door Valentin en het ongrijpbare geluk in de vorm van Pauline. Het geheel krijgt een filosofische geladenheid omdat het leven van Valentin samenhangt met de huid van chagrijn, ‘symbool voor het leven dat zichzelf verteert in het vuur van zijn begeerte.’

Vertaling; Jean A. Schalekamp

 

29e83188f2a8f98592b44705a67444341587343_v5
De titels van veel werken of boeken zitten goed in het collectieve geheugen, maar dat wil niet zeggen dat de originelen dan ook even bekend zijn. De werken van Victor Hugo ‘lijden’ hier ook onder. Les Misérables is uiterst bekend door de musical, maar ik ben benieuwd hoeveel bezoekers het uitgebreide originele werk kennen. De klokkenluider van de Notre-Dame is bekend door een Disneyfilm (één van de weinigen die ik overigens niet met mijn dochter heb bekeken), maar laten wij vooral het origineel niet vergeten. Dat was ik wel, tot ik mij een beetje tegen de Franse literatuur ging aanbemoeien.

Volgens de overlevering kreeg Victor Hugo inspiratie voor de roman toen hij werd rondgeleid door de Notre-Dame. In één van de klokkentorens ontdekte hij het Griekse woord ANAΓKH, geschreven in een muur. Dat betekent ‘noodlot’ en hij verzon er een verhaal omheen over een gebochelde klokkenluider.

We zitten in Parijs in het jaar 1482 en er wordt een mysteriespel opgevoerd ter gelegenheid van Driekoningen. Dat spel, geschreven door Pierre Gringoire, wordt onderbroken door een Narrenfeest, waarbij de persoon met de gekste grimas wordt verkozen tot Narrenkoning. Quasimodo, de aartslelijke klokkenluider van de Notre-Dame, wint. Tot ieders verbazing is zijn grimas zijn vaste gelaatsuitdrukking.

Het mysteriespel heeft al helemaal geen kans meer als er een zigeunermeisje komt optreden. Het is Esmeralda, die met haar geitje Djali de menigte weet te vermaken.

Nu zag Parijs er in de Middeleeuwen behoorlijk anders uit dan nu en Hugo neemt de tijd om de stad te beschrijven. Dat is meteen één van de meest aantrekkelijke kanten van dit boek. Het zorgt ervoor dat je je prima kan verplaatsen in een heel andere wereld. Zo zijn er aparte hoofdstukken gewijd aan de Place de Grève, aan de Notre-Dame zelf en aan het uitzicht over Parijs vanaf de kathedraal;

Hiervoor hebben wij getracht die bewonderenswaardige kerk, de Notre-Dame van Parijs, voor de lezer te laten herrijzen. In het kort hebben wij een aantal van de rijkdommen beschreven die in de vijftiende eeuw nog aanwezig waren en tegenwoordig ontbreken. Maar de belangrijkste zijn wij vergeten: het uitzicht over Parijs waarvan men toen vanaf de torens kon genieten.

Dit zegt meteen iets over de schrijstijl van Hugo, die leest erg prettig en er zit nog een hoop humor in ook, daar kom ik op terug.

Gringoire gaat zwerven na zijn mislukte mysteriespel en komt terecht op de Cour des Miracles, waar hij zich aansluit bij de vagebonden van Parijs. Hij wordt overigens door Esmeralda van de strop gered omdat het geboefte andere plannen met hem had. Esmeralda trouwt met hem, maar is in de ban van kapitein Phoebus, die haar heeft gered van een ontvoering door nota bene Quasimodo en zijn pleegvader, de aartsdiaken van de Notre Dame, Claude Frollo. De reden voor die ontvoering wordt vanzelf duidelijk.

Ik hoef niet alle verwikkelingen te vertellen, maar Esmeralda en Quasimodo hebben meer met elkaar te maken dan ze zelf denken. Esmeralda komt in een lastig parket als zij wordt beschuldigd van moord, maar Quasimodo redt haar en geeft haar onderdak in de kathedraal. In die tijd gold dat als asiel, ze was daar veilig voor de arm der wet.

Uiteindelijk wordt ze toch opgejaagd en hoe dat afloopt, leest u het vooral zelf. Nog even over de schrijfstijl van Hugo. Hij zorgt ervoor dat je veel mee krijgt van de sfeer. Van de stad, van de kathedraal maar vooral van de tijd waarin het speelde. Ook gebruikt hij de nodige humor, zoals in het hilarische tafereel waarin een dove rechter de eveneens dove Quasimodo moet verhoren;

‘Je naam?’
Dit nu, dat een dove een dove moest verhoren, was een geval waarin niet werd ‘voorzien bij de wet’.
Quasimodo, zich onbewust van de tot hem gerichte vraag , bleef de rechter strak aankijken en antwoordde niet. De dove rechter, zich onbewust van de doofheid van de beklaagde, meende dat hij had geantwoord zoals alle aangeklaagden gewoonlijk deden en ging met zijn mechanische en stompzinnige zelfverzekerdheid voort…

Soms zit de humor in een zin, als aan koning Lodwijk XI voorgesteld wordt om Gringoire weer eens tot de strop te veroordelen:

‘Och,’ antwoordde de koning achteloos, ‘ik zie daar geen bezwaar in.’
‘Ik een heleboel!’ zei Gringoire.

Humor dus in wat verder best een hoogromantisch verhaal is in een schilderachtig decor. De voorspelbaarheid is groot, je ziet de ontknoping van ver aankomen, maar laat dit alles u niet weerhouden om het te gaan lezen. Een portie onvoorwaardelijke trouw, verraad, geweld, ontroering en uitgesproken domheid zijn de ingrediënten voor een prachtig verhaal. De enorme populariteit van het boek heeft ook een impuls gegeven aan de restauratie van de Notre-Dame door de architect Viollet-le-Duc, zo leerde mij het boek van Bart van Loo.

Vertaling; Willem Oorthuizen

Het fortuin van de Rougons van Émile Zola is het eerste deel van zijn twintigdelige Rougon-Macquart cyclus. Dat zijn twintig boeken over de families Rougon en Macquart, die hij situeert ten tijde van het Tweede Keizerrijk, als Lodewijk Napoleon ofwel Napoleon III aan de macht is. Het is een turbulente tijd, want er waren al een paar machtswisselingen geweest, waarbij het steeds de vraag was wie er aan de macht kwam. De royalisten die in de lijn van de afstammelingen van Lodewijk XIV iemand op de troon wilden hebben, of de Republikeinen die een opvolging van Napoleon I wilden. Voorlopig heeft Lodewijk Napoleon, de neef van laatsgenoemde, dus de macht. President zijn was echter niet genoeg, hij pleegde een staatsgreep om keizer te worden en tegen deze achtergrond speelt dit boek zich af.

Dit boek, maar ook de komende twintig delen blijkbaar, waarvan er nu drie verschenen zijn in een nieuwe vertaling. Hier leest u er meer over. Zola wil zo een tijdsbeeld schetsen aan de hand van twee families en al hun verwanten en hij zegt daar zelf het volgende over;

Ik wil uitleggen hoe een gezin…zich gedraagt in een samenleving, wanneer het uitbreidt en tien, twintig individuen op de wereld zet, die op het eerste gezicht totaal verschillend lijken, maar waar een analyse aantoont dat ze nauw met elkaar verbonden zijn…Ik zal proberen om de draad te vinden en te volgen die wiskundig van de ene naar de andere mens leidt, om zo de tweeledige vraag naar temperament en omgeving te ontrafelen.

Hij doet dat aan de hand van twee families, de Rougons en de Macquarts, waarvan Adélaïde Fouque de stammoeder is. Zij trouwt met de koopman Rougon en ze krijgen een zoon. Rougon sterft vroeg en Adélaïde vlucht in de armen van de smokkelaar Macquart en krijgt met hem nog een zoon en een dochter.

Zola plaatst de families in het zuiden van Frankrijk, ergens tussen Marseille en Cannes, in het fictieve plaatsje Plassans. Zola kan hier goed zijn jeugherinneringen in kwijt van toen hij zelf in Aix-en-Provence leefde. Macquart wordt gedood door een gendarme tijdens zijn verboden activiteiten en Adélaïde blijft achter met haar kinderen.

Haar zoon Pierre Rougon is een geslepen man. Hij troggelt zijn moeder geld af en wil dat zijn zonen op hun beurt fortuin maken, alleen schiet dat weinig op. De één verdwijnt naar Parijs, één wordt een arts in de buurt die zich meer interesseert voor wetenschap dan voor politiek en de derde zoon keert zich politiek gezien van de familie af. Die politiek is belangrijk voor Pierre Rougon. Hij kijkt de kat uit de boom en kiest voor steun aan Lodwijk Napoleon als die staatsgreep lijkt te lukken. Hij heeft daar wel de hulp van zijn vrouw Félicité voor nodig, die nog een tandje sluwer is;

Wat haar zorgen baarde, was de houding van een almachtige meester die Pierre noodzakelijkerwijs aan zou nemen als hij zonder haar hulp zegevierde. Toen ze met deze boerenzoon was getrouwd…was dat omdat ze hem wilde gebruiken als een stevig gebouwde trekpop, waarvan ze naar wens aan de touwtjes zou trekken.

U proeft al dat hier een aardige soap uit kan ontstaan en dat is precies wat er gebeurt. De halfbroer van Pierre, Antoine Macquart verschijnt op het toneel en die blijkt een absolute nietsnut. Hij presteert het om zo’n twintig jaar de kost door zijn vrouw en kinderen te laten verdienen en om zich ideologisch tegenover zijn broer te plaatsen. Zijn kinderen zijn de voorzaten van de kunstschilder Lantier, die ik in Het meesterwerk tegenkwam, deel 14 uit deze cyclus. Verder is er nog een mooie verhaallijn voor een neef van Pierre Rougon, de jonge Silvère Mouret en zijn geliefde Miette. Silvère opent het verhaal als hij Miette ontmoet en hij vertelt dat hij zich bij de opstandelingen gaat aansluiten. Deze twee zijn eigenlijk de enige sympathieke karakters uit het hele verhaal en u raadt het; dat gaat verkeerd aflopen. Gelukkig zorgen ze voor een paar prachtige scenes, zoals hun ontmoetingen bij de gezamenlijke put. Die put wordt gescheiden door een muur, maar in het water kunnen ze elkaar zien;

Op een ochtend, heel vroeg, boog Silvère, terwijl hij de watervoorziening van tante Dide kwam ophalen, automatisch voorover, net toen hij het touw beetpakte. Hij had een rilling, hij bleef gebogen, onbeweeglijk. Op de bodem van de put dacht hij het hoofd van een jong meisje te zien, dat hem met een glimlach aankeek.

Hoe Plassans en de families zich door deze woelige tijden heen slepen moet u vooral zelf gaan lezen. Zola is een naturalistisch schrijver, wat zoveel wil zeggen dat het om echte en geloofwaardige karakters gaat. Natuurlijke dialogen, een stuk maatschappijkritiek en een wat vrijere omgang met seksualiteit zijn kenmerken van deze literaire stroming. Die laatste is in onze ogen al niet eens meer zichtbaar in dit verhaal, maar voor de katholieke kerk was dit werk al een paar bruggen te ver. De realistische omgang tussen man en vrouw werd niet gewaardeerd en de boeken van Zola kwamen al snel op de index van verboden boeken vanwege hun zedeloze karakter. Gelukkig komen ze nu in een prima vertaling weer op de markt en ik kijk uit naar de volgende delen, het is een project om te gaan volgen.

De uitgave is verzorgd met leeslint, een plattegrondje van Plassans achterin en een verklarende woordenlijst van een aantal termen en niet te vergeten een stamboom voor in het boek, die erg handig is om de familielijnen goed te kunnen volgen.

Lees hier ook de uitstekende inleiding van Anna op deze cyclus, hier haar bespreking en hier de uitgebreide bespreking van Bettina inclusief geschiedkundige achtergronden.   

Vertaling: Martine France Delfos

Dit gaat helemaal de verkeerde kant op. Parijs retour van Bart van Loo wordt omschreven als een literaire reisgids voor Frankrijk. Eigenlijk dacht ik hier probleemloos doorheen te kunnen lezen omdat ik niet zo geweldig thuis ben in de Franse literatuur, dus hele stukken zouden vast langs mij heen glijden.

Zo werkt dat dus niet en dat is vast de bedoeling van het boek. Mijn verlanglijst is in no-time uitgegroeid tot onbeheersbare grootte. Maar goed, hoe komt dat zo? Ik heb in een grijs verleden Les Misérables gelezen van Victor Hugo. Het complete verhaal, in het Engels, want helaas is er geen goede Nederlandse integrale vertaling. Van George Sand heb ik Mauprat gelezen, van Flaubert Madame Bovary en van Emile Zola Het Meesterwerk, een deel uit zijn Rougon-Macquart cyclus. Verder staat De graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas mij al een tijd aan te kijken vanuit de boekenkast wanneer het zijn beurt is, maar daar houdt het qua Franse literatuur wel zo’n beetje mee op. Toen las ik dit boek…

Hierin neemt Bart van Loo ons mee langs de levens en het werk van een aantal auteurs. Dat zijn Victor Hugo, Alexandre Dumas père, George Sand, Honoré de Balzac, Emile Zola, Alphonse Daudet, Guy de Maupassant en Gustave Flaubert. Hij doet dat door daadwerkelijk door Frankrijk te reizen, op zoek naar geboortehuizen en woonplaatsen van de auteurs, maar ook om de plaatsen te zien die worden beschreven in hun werk. Waar haalden ze hun inspiratie vandaan en is daar nog iets van terug te vinden? Dat levert een uiterst leesbaar boek op met talloze tips.

Waar ik aanvankelijk bang voor was, dat je al enige kennis van de Franse literatuur dient te hebben om van dit boek te genieten, valt reuze mee. Van Loo vertelt over de auteurs zelf, haalt delen aan uit hun werk en gebruikt zijn eigen waarnemingen om ons te informeren, zoals bij Les Misérables in Parijs;

Op zoek naar de beschrijving van het einde van Gavroche, de beroemde straatjongen in de roman…Eindelijk heb ik het gevonden. De pakkende bladzijden waarop Hugo beschrijft hoe Gavroche wordt doodgeschoten…De plek zelf heb ik ook gevonden. Vele straten zijn ondertussen verdwenen, maar enig onderzoek leert me dat Hugo de schermutselingen van 1832 hier situeert. Heilige grond.

Hij is dan nabij het Centre Pompidou en de place Stravinsky. Zo wisselt hij autobiografische gegevens en informatie over het oeuvre van een schrijver af met zijn reisbeschrijvingen en dat werkt heel goed.

Onvermijdelijk komen veel schrijvers in Parijs terecht en daarom heet het boek ook Parijs retour. Uiteraard zijn ze er niet allemaal geboren of hebben ze er altijd gewoond, dus Van Loo reist ook af naar het zuiden voor Alphonse Daudet bijvoorbeeld, een man uit de Provence. Van hem wist ik zo goed als niets en nu ben ik benieuwd naar zijn Brieven uit mijn molen. Ik had wel gehoord van Guy de Maupassant als meester van het kortere verhaal, maar na het lezen van dit boek kan je de hele reeks wel op je wensenlijst zetten. Dat geldt ook voor de cyclus van Emile Zola, waarvan Het Meesterwerk mij zeer goed is bevallen. Laat nu de hele twintigdelige Rougon-Macquart cyclus opnieuw uitgegeven gaan worden. Zo blijf je dus bezig.

Dat geldt ook voor het werk van Honoré de Balzac. Een buitenbeentje in het literaire milieu van Parijs met een duizelingwekkend schrijfregime. Hij schrijft op 30 oktober 1846;

Gisteren heb ik 19 uur geschreven, nu moeten het er 20 of 22 worden.

Hij redt dat op zwarte koffie en een nijvere rekenaar heeft ooit berekend dat hij ongeveer 50.000 gitzwarte koffies naar binnen gewerkt moet hebben. Dit soort details en anekdotes houden het verhaal ook erg levendig. Ik ken het werk van Balzac niet maar Van Loo heeft mij enthousiast gemaakt voor Verloren illusies, de novelle Kolonel Chabert en het fantasieverhaal De huid van chagrijn. Waar ik de tijd voor dit alles vandaan moet halen staat natuurlijk nergens bij.

Het oeuvre van Flaubert is beter te overzien. Hij was niet zozeer veelschrijver alswel fijnschrijver. Hij kon wakker liggen van een zin die niet liep of eindeloos schrappen en weer opnieuw beginnen. Dat viel hem niet altijd makkelijk;

‘De kunst bezorgt me soms aanvallen van wanhoop om van te schreeuwen, en een dodelijke vermoeidheid, en dan voel ik mij uitgeput alsof ik een gebergte op mijn rug tors. Ik crepeer nog wel eens tussen twee volzinnen.’

Maar het levert dan wel weer prachtige literatuur op. Zo heeft Van Loo met dit boek dus heel wat enthousiasme teweeg gebracht waarvan wij maar weer moeten zien hoe we hier mee omgaan. Een prima reisgids dus maar u bent gewaarschuwd.

Wellicht weet u dat ik wel vaker iets lees over Parijs en de kunstenaars die het aantrekt. Hier, hier en hier leest u daar meer over. Gare du Nord van Eric Min is een boek dat daat goed op aansluit en deels overlapt. Het gaat over Belgische en Nederlandse kunstenaars in Parijs in de periode 1850-1950.

De titel slaat uiteraard op het treinstation in Parijs waar die noordelingen arriveerden. Hendrik Marsman was één van hen en hij beschreef in zijn autobiografische mijmering Drijfzand al Gare du Nord als lieu de passage;

‘Ik had het gevoel alsof ik mijn stroeve nordieke natuur had afgegeven aan het bagagedepot van de Gare du Nord alsof ik uit de onderwereld, het souterrain van mijzelf, opdook in mijn eigen stad. Ik stak het plein over en slenterde door die verrukkelijke St. André des Arts in de richting van de Boulevard St. Germain, neuriënd.’

Nu zit Marsman aan het eind van het verhaal zoals Min het vertelt, er waren er tallozen voor hem. Die hadden allemaal zo hun redenen om naar Parijs te komen. Een rode draad hierin is het volgen of voltooien van een opleiding in de kunsten, maar ook het leggen van contacten, de liefde of juist de sfeer en cultuur zijn vaak belangrijk.

De Belgische schilder Antoine Wiertz (1806-1865) ging naar Parijs om zijn kunst te verfijnen. Hij deed zijn best om te mogen exposeren in de Parijse Salon maar dat mislukte. Dat zinde hem niet en prompt stuurde hij een jaar later een echte Rubens in uit de collectie van een vriend, waarbij hij de signatuur van Rubens met zijn eigen handtekening overschilderde. Overigens vind ik het werk van Wiertz zeer de moeite waard.

De Belgische graficus, karikaturist en schilder Félicien Rops (1833-1898) was een onbekende voor mij en die maakte niet direct een esthetische keuze om naar Parijs te komen. Die kon niet wachten tot hij de gezusters Duluc het hof kon maken. Dat de jongsten toen zestien en negentien waren…#MeToo was nog niet geboren zullen we maar zeggen. Rops had met zijn tekeningen wel veel succes met zijn satanistisch en licht pornografisch werk. Zozeer zelfs dat hij de beeldhouwer Rodin betichtte van plagiaat; hij vond dat Rodin in 3D namaakte wat hij in 2D creëerde.

Het verhaal van Vincent van Gogh 91853-1890) zal wat bekender zijn en die ontbreekt uiteraard niet, maar artiesten zoals de art-nouveau-schilder Privat Livemont (1861-1936) of de componist Guillaume Lekeu (1870-1894) zijn wellicht minder bekend. De Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) kwam ook naar Parijs om er zijn opleiding tot schilder af te ronden. Hij richtte een atelier in op zeshoog onder de Parijse dakpannen. Een ezel, een modeltafel, gordijnen voor het hoge raam en een kachel, zo is hij trouw aan de stereotypen van het milieu;

‘Om een echte artiste peintre te zijn moet ik alleen nog een brede slappe hoed kopen, een stevige en knoestige wandelstok en een wijde kapmantel. Een vies pijpje roken en op afgetrapte schoenen lopen. En vooral niet vergeten schulden te maken.’

In de beschreven periode veranderde de wereld en dus ook Parijs en dat is terug te zien in de kunst. Er kwamen schilderijen waarin ineens het licht anders was. Geen kaars- of gaslicht maar electriciteit. Industrialisatie en automatisch vervoer bepaalden meer en meer het straatbeeld en de kunst groeide daarin mee.

Niet iedereen vond het geluk in Parijs natuurlijk. De jonge Antwerpse schilder Jules Schmalzigaug (1882-1917) kon er slecht aarden en vetrok naar Venetië (Het eten is daar zoveel lekkerder, en Parijs werkt hem op de zenuwen). Daar had de excentrieke schilder en beeldhouwer Henry de Groux (1866-1930) geen last van. Leest u vooral het verhaal van deze figuur en dan volgt er later in het boek een nog vreemder verhaal van de Vlaamse schrijver André Baillon (1875-1932). Dat ga ik hier niet weergeven maar deze uitspraak van de auteur maakt u wellicht nieuwsgierig;

André is, met permissie gezegd, knettergek.

Niets is minder waar en ik heb zelfs zijn biografie besteld om er eens wat dieper in te duiken. Overigens schrijft Eric Min in zeer prettige stijl met hier en daar een verwijzing naar voren (‘dat verhaal komt er verderop in het boek nog aan’ of ‘hij staat ons verderop nog op te wachten’).

Er staan nog talloze artiesten in het boek die ik niet heb genoemd, zoals de schrijvers Georges Simenon (1903-1989), Hugo Claus (1929-2008), Jan van Nijlen (1884-1965) en Simon Vinkenoog (1928-2009), kunstschilders Piet Mondriaan (1872-1944), Léon Spilliaert (1881-1946) en Rik Wouters (1882-1916) en dan nog ben ik niet compleet. Het is een overvloed aan informatie en een plezier om te lezen. Allemaal verenigd door die gemene deler, Parijs, waarover de schrijver Paul Kenis (1885-1934) schreef aan zijn redacteur André de Ridder;

In zijn brieven aan De Ridder zucht Kenis dat er voor hem een ton poëzie schuilt in namen als Montparnasse, Montmartre en de Boul’ Miche. De stad zelf heeft hij lief ‘lijk een koket wijfje dat u bedriegt en u doet lijden en op den hoop toe nog uitlacht…maar u toch niet los laat. Zoo’n echte cocotte…heel Parijs!’

Met het boek Roemloze levens van Pierre Michon is van alles aan de hand. Dat kan veel kanten op maar ik bedoel dit louter positief. Het is namelijk een prachtig geschreven boek. Het gaat over de levens van een aantal personages uit het Franse departement Creuse. Mini-biografieën over familieleden van de schrijver, over ongeletterde boeren, over een aan lager wal geraakte pastoor of twee broers die elkaar naar het leven staan. Levens die zouden verdwijnen in de mist van het verleden, als ze niet door Michon beschreven zouden zijn.

Michon beschijft die levens in een ongemeen mooie stijl, maar er is nog iets aan de hand. Hij beschrijft niet alleen zijn protagonisten, maar ook zichzelf. Hij wil graag schrijver worden, maar het boek tekent zijn onmacht om hierin te slagen. Maar het was toch zo’n mooi boek? Ja, dat is het. Door het beschrijven van die roemloze levens en zijn pogingen om iets van zijn schrijverscarrière te maken heeft hij zijn lot omgebogen en gaat hij als groot schrijver de geschiedenis in. Dit boek wordt namelijk gerekend tot de 100 belangrijkste boeken in de literatuur (ik weet even niet door wie, ik schrijf hier de achterflap na, maar u begrijpt de importantie van dit boek).

Wat ook opmerkelijk is, is dat Roemloze levens het debuut van Michon is, uitgebracht op 39-jarige leeftijd. Zijn latere werk, wat toch iets minder gewaardeerd wordt dan dit werk is eerder uitgebracht. Dan is er het genre. Het zijn biografieën, het is een autobiografie, maar het is het ook allemaal niet. In een interview in De avonden noemt vertaler Rokus Hofstede het een hybride vorm. Het is het allemaal, het is deels ook journalistiek, maar Michon vult hele delen zelf in, soms aan de hand van maar een paar gegevens. Reden waarom ik het boek echt onder de fictie plaats.

Wat maakt het nu tot zo’n prachtig boek? We verblijven niet de hele tijd in schilderachtige Franse dorpjes, al komt dat ook voor, maar er worden familieverhalen verteld. Eén verhaal gaat over een weeskind dat in de familie wordt geplaatst, André Dufourneau. Er is weinig over hem bekend, maar de verteller verbeeldt zich van alles. Het weeskind verdween uit de familie en zijn roeping zou Afrika zijn geweest. Daar is hij ook vast gestorven, net als zijn grootmoeder Élise die niet meer onder de mensen is;

Misschien herinnerde gisteren nog een oude vrouw die ergens in Grand-Bassam bij haar deur zat zich de ontzetting in de blik van een Blanke toen de klingen flikkerden, en het luttele gewicht van zijn lichaam waaruit de besmeurde klingen werden getrokken: vandaag is ze dood; en dood is ook Élise, die zich herinnerde hoe een kleine jongen voor het eerst glimlachte toen hem een mooie, op een schort gepoetste rode appel werd aangereikt: tussen appel en kapmes vlood een leven zonder gevolgen, en met elke dag die verstreek werd de smaak van de appel zwakker en de snede van het kapmes scherper.

Een leven zonder gevolgen en er zijn er meer. Antoine Peluchet is ook zo’n karakter. Over hem is nog minder bekend dus de aannames worden groter. Het geeft niet. Michon weeft er een prachtig verhaal van waarbij en passant de knecht en pias Fiéfié van Antoine’s vader Toussaint meesterlijk wordt geportretteerd. Het loopt niet goed af met hem;

Op een dag ten slotte kwam de pias niet.
Het was in de zomer, stel ik me voor. Vooruit, het was in augustus. Een mooie hemel boog zich werktuiglijk over de oogsten en de hei, wierp harde schaduwen op het huis van de Peluchets. De oude vrouwtjes die in het dorp waren gebleven, gitzwarte waaksters op hun drempel, geduldig als het daglicht, zagen met hun zieneroog Toussaint van tijd tot tijd post vatten in de omlijsting van zijn donkere deur: in het weidse azuur probeerde hij de nog blauwere vlucht van de kraaien te duiden; hij liep de stal in voor een onduidelijk karweitje of een onbestemde gedachte, keek er naar de al te oude, nutteloze, naar het halfduister verbannen ossen…

Michon gebruikt soms lange zinnen maar dat is prima. Het is een boek om langzaam tot je te nemen en dan is de beloning groot. Het taalgebruik is bloemrijk en het is wel gemaniëreerd genoemd voor in een debuut (‘kijk eens hoe ik kan schrijven’), maar auteur P.F. Thomèse waardeert in zijn boeiende artikel in De Revisor juist die hoogdravendheid en pathos. Ik onderschtijf dat ten volle, ik heb er van genoten. In zijn latere werk heeft Michon dat meer achterwege gelaten en in het interview in De Avonden zegt vertaler Hofstede dat Michon heeft toegegeven met zijn debuut wellicht zijn meesterwerk te hebben geschreven.

Uit dat interview leer ik ook dat er een Joods gezegde is dat zegt dat je twee maal kan sterven. Eén maal fysiek, de tweede maal als je vergeten wordt. Michon heeft met zijn boek Roemloze levens een aantal karakters hiervoor behoed, maar tegelijkertijd zichzelf ook en terecht wat mij betreft. Ik vind de Nederlandse titel Roemloze levens de lading beter dekken dan de Franse titel overigens, Vies minuscules. Dat is meteen een groot compliment aan de vertaler, Rokus Hofstede. Ik spreek redelijk goed Frans, maar ik ben passages tegengekomen die ik met geen mogelijkheid zou kunnen terugvertalen in het Frans, ik moet echt het origineel er een keer bij hebben. Ik sta niet alleen in die opvatting, Hofstede heeft dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontvangen en wat mij betreft, gebaseerd op dit boek, zeer terecht.

Vertaling; Rokus Hofstede

f.eu1.jwwb.nl_public_y_r_p_temp-bqxkcsckxpmnicbzkicb_y0h6gu_Onzepublicaties-01-01-1
De bibliomaan van Charles Nodier is de eerste publicatie van Stichting Desiderata. Een stichting die, naar eigen zeggen, gepresenteerd wordt als een open inrichting voor boekverdwaasden en die zich ongeremd overgeeft aan bibliofiele neigingen. Ik kon niet anders dan lid van die club worden… Een publicatie van Nodier’s ‘De bibliomaan’ is een mooie eerste stap van de stichting; dat er maar velen mogen volgen.

Dit boek is meer dan een vertaald verhaal van Nodier. Bart van Loo schrijft een voorwoord, Ed Schilders schrijft een essay dat ‘Een bibliomaan van stand’ heet en Peter IJsenbrant geeft nog een biografische schets van Charles Nodier, die naast schrijver ook bibliothecaris was.

Het kan bijna niet anders dan dat dit een zeer verzorgde, gebonden uitgave is met dubbel leeslint en met prachtige illustraties, waarvan u hier een voorbeeld kunt zien. Er zit zelfs een Elzevierometer in. Een wat? Daar kom ik nog op terug.

Wat is nu een bibliomaan? Er is namelijk een verschil tussen een bibliomaan en een bibliofiel. Nodier heeft dit zelf wel eens op humorvolle wijze uitgewerkt;

De bibliofiel is een verzamelaar met smaak en intelligentie en de bibliomaan is feitelijk een persoon met antipathie jegens het boek…De bibliofiel weet boeken te selecteren, de bibliomaan stapelt ze op. De bibliofiel bekijkt de boeken met aandacht en de bibliomaan bekijkt de boeken met een meetlat in de hand.

Voilà, nu heeft u een beeld. Kwaliteit versus boeken per strekkende meter. De hoofdpersoon van Nodier’s verhaal is Théodore. Hij schuimt de kades van de Seine af, op zoek naar bijzondere uitgaven. Dat doet hij bij de ‘bouquinistes’, de verkopers die in Parijs nog steeds uit houten kisten hun boeken verkopen. Als blijkt dat hij een boekenveiling heeft gemist, is dat een ramp;

‘Ach hemel! Mijn beste Théodore,’ zei de eerzame heer Silvestre, ‘u hebt zich een dag vergist. De laatste veiling vond gisteren plaats. De boeken die u hier ziet, zijn al verkocht en wachten op de kruiers.’ Théodore wankelde en verbleekte. Zijn gezicht kreeg de kleur van ietwat versleten citroenmarokijn.

In die verkochte partij ziet hij een boek dat hij opmeet met zijn, jawel, Elzevierometer. Een meetinstrument waarmee hij de prijs en intrinsieke waarde van zijn boeken bepaalt. Het begrip komt van de kleine Elzevieruitgaven waarbij het ging om de manier waarop die boekjes gebonden waren en de mate waarin zij afgesneden waren. Hoe breder de marges om het tekstblok, hoe waardevoller de exemplaren waren. Meten is dus weten, maar dat kan zo maar slecht uitpakken;

‘U ziet nu,’ zei hij tegen mij,’ de ongelukkigste aller mensen! Dat boek is de Vergilius van 1676, op grootformaat papier, waarvan ik dacht het reuzenexemplaar te bezitten, en het overtreft het mijne met een derde linie. Kwaadwilllige of vooringenomen geesten zouden er zelfs een halve linie in kunnen zien. Een derde linie, mijn God!’

Hij vervalt in koortsen en die derde linie wordt zijn mantra tot aan zijn dood. Een mooi verhaal met romantische trekken en dat is Charles Nodier ten voeten uit. Hij wordt gezien als de vader van de Romantiek in Frankrijk. Hij heeft veel geschreven op allerlei denkbare terreinen en werd uiteindelijk aangesteld als bibliothecaris in de Bibliothèque de l’Arsenal. Daar hield hij ook salon waar veel jongere schrijvers hun opwachting maakten. Dat waren niet de minsten; Victor Hugo, Alexandre Dumas, Honoré de Balzac, Prosper Merimée en nog zo wat van die generatie. Nodier zou zelfs toegelaten worden tot de prestigieuze Académie Française.

Het verhaal van De bibliomaan vertoont aardig wat autobiografische trekjes. Ook bestaande personen worden genoemd, zoals de beroemde bibliomaan Antoine Boulard. Over hem zou Nodier in een apart essay nog meer publiceren. Deze Parijse oud-notaris zou naar verluidt zo’n 600.000 banden hebben bezeten, verdeeld over zes huizen. Ed Schilders gaat er in zijn essay ook nader op in en zoekt uit waar deze Boulard overal opduikt. Hij vindt zelfs een bericht uit de Java-bode van 1883 met een ‘eigenzinnig portretje’ van Boulard, die een ‘archi-millionair’ wordt genoemd;

…die zich geheel wijdde aan de letterkunde. Hij kocht wat los en vast was. Hij was de vreugde van de boekenjoden, die langs den kaaimuur van de Seine hun waren uitstalden. (…) Zijn huis was vol van den kelder tot aan den zolder. De politie moest zich er mede bemoeien, daar men bevreesd was dat de zolders hun vracht niet zouden kunnen dragen.

Al met al is dit een zeer mooi verzorgde uitgave voor iedere boekenliefhebber (niet per se bibliofiel of bibliomaan zijnde) met een vertaald verhaal, een essay waarin ingegaan wordt op bibliomanie en bibliofilie, een biografische schets van Charles Nodier, een uitgebreid notenapparaat met veel informatie én met als mooi curiosum die Elzevierometer. Waarvan overigens het bestaan überhaupt onzeker is omdat er geen één exemplaar is overgeleverd. Dat vind ik eigenlijk het mooiste verhaal.

Vertaling; Martin Hulseboom