archiveren

Maandelijks archief: januari 2015

209f33cc4a4b65c59374e415377437641414141
De meesten zullen de titel De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera wel kennen, al is het maar om de film die er in 1988 van is gemaakt met Juliette Binoche en Daniel-Day Lewis in de hoofdrollen. Ik heb de film niet gezien dus beperk mij tot het boek.

Het boek wordt gezien als een klassieker en daar ben ik het mee eens. Voor mij is dan een soort voorwaarde dat het boek verschillende lagen heeft en dat je het ook zo kan lezen. Dat kan hier. De auteur pakt de verhouding tussen twee stellen aan om een aantal filosofische en psychologische onderwerpen aan te pakken en hij doet dat in zeer begrijpelijke taal.

Het gaat allereerst om Tomas en Tereza. Tomas is een briljant chirurg in Praag en Tereza een jonge vrouw uit een Tsjechisch stadje. Ze ontmoeten elkaar en trouwen. Tomas is echter een leven gewend vol met maîtresses en hij is niet van plan dat op te geven. Tereza lijdt hieronder en beseft dat ze Tomas tot last is. Ze droomt erover, heeft er last van en kan de lichtheid en het genoegen van de liefde niet meer inzien.

Dan zijn er Sabina en Franz. Sabina, kunstenares, is als Tomas. Het is de favoriete minnares van Tomas en een vrijgevochten vrouw. Helemaal de tegenpool van Tereza, staat zij voor de extreme lichtheid van het bestaan. Franz is ook een minnaar van Sabina en hij worstelt met het verraad aan zijn eigen vrouw. Hij staat weer voor de zware kant van het bestaan, uiteindelijk leidend tot een betekenisloze dood in Bangkok.

Wat het mooie is aan deze roman is de gelaagdheid. Natuurlijk, het is te lezen als een roman over de relaties tussen vier mensen maar dan doe je het werk tekort. Er zijn een aantal thema’s die door de auteur bij de lurven gepakt worden. Allereerst die “ondraaglijke lichtheid”. Die komt diverse malen terug dus is niet over het hoofd te zien:

Na vier jaar in Genève te hebben doorgebracht ging Sabina in Parijs wonen, maar ze kon haar melancholie niet ontvluchten. Had iemand haar gevraagd wat er aan de hand was, dan had ze dat niet onder woorden kunnen brengen. Een drama in ons leven wordt altijd door de metafoor van zwaarte uitgedrukt. We zeggen dat we een zware last dragen….Maar wat is Sabina dan overkomen? Niets. Ze is weggegaan bij een man omdat ze bij hem weg wilde…Haar drama was niet een drama van zwaarte, maar van lichtheid. Sabina ging niet gebukt onder een last, maar onder de ondraaglijke lichtheid van het bestaan.

Een ander thema is herhaling. De roman begint met het idee van de eeuwige terugkeer der dingen zoals opgebracht door Nietzsche. Tomas gelooft er niet in. Wel in toevalligheden, dat past beter bij zijn “lichte bestaan”.  Een ander thema is afscheid. Tereza heeft afscheid genomen van haar moeder met haar vrijzinnige denkbeelden. Tomas van zijn vorig huwelijk en zijn zoon. Franz uiteindelijk van zijn vrouw en dochter. Het mooiste afscheid is het afscheid van Tomas en Tereza van hun hond Karenin, een prachtige scène in het boek. Kundera weet afscheid mooi in een beeld te vangen, als Tereza over de brugleuning naar de rivier de Vltava kijkt:

Ze keek lang in het water, dat hier droever en donkerder leek, en opeens zag ze in het midden van de rivier een voorwerp, een rood voorwerp, ja, het was een bank. Een houten bank met metalen poten, waarmee de Praagse parken vol staan. Het ding dreef langzaam in het midden van de Vltava. En daarachter weer een bank. En weer een en weer een en toen pas zag Tereza dat de banken uit de Praagse parken wegdreven uit de stad…ze dreven op het water als herfstbladeren die het water uit de bossen wegvoert…Ze keek opnieuw naar de rivier. Ze voelde zich intens droevig. Ze begreep dat wat ze zag een afscheid was.

Er valt echt veel meer te vertellen over het boek. De “kleine woordenboeken van onbegrepen woorden” die er in opgenomen zijn, de bolhoed van Sabina als symbool voor haar frivoliteit en erotiek, de politieke achtergrond van de Russische tanks die Praag binnenvallen. Lees het vooral zelf. Zo’n 335 pagina’s, verdeeld in korte hoofdstukken. Een ogenschijnlijk eenvoudig verhaal dat gaandeweg steeds rijker wordt door de variaties, dromen en bespiegelingen die Kundera door het verhaal heen weeft. De moeite waard.

Vertaling: Jana Beranová

Advertenties

9024559790.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De kathedraal van de zee van Ildefonso Falcones verscheen al in 2006 en de auteur heeft inmiddels drie historische romans op zijn naam staan. Het leek mij logisch om met de eerste te beginnen, zijn historische epos over de stad Barcelona.

De horige Bernat vlucht met zijn zoon Arnau naar Barcelona om te ontvluchten aan zijn heer. Als het hen lukt om een jaar en een dag binnen de muren van Barcelona te verblijven, dan zijn ze vrij. Probleem is wel dat Bernat een moord heeft gepleegd om zijn zoon te kunnen redden, dus hij moet schuilen. Hij kan terecht bij zijn zus en haar man. Arnau sluit vriendschap met Joan en samen zijn ze vaak te vinden in de kerk Santa Maria del Mar. Daar zien ze de ‘bastaixos’, de mannen die op hun rug de stenen brengen die bedoeld zijn voor de uitbreiding van de kerk. Arnau wordt één van hen, Joan gaat leren en kiest voor de kerk.

Het zijn zware tijden en Bernat is inmiddels terecht gesteld in een graanoproer. De pest doet Barcelona aan en Arnau, inmiddels getrouwd, verliest zijn vrouw aan de ziekte. De Joden krijgen de schuld van de pest en hun wijk wordt belegerd. Arnau redt drie kinderen en hun slaaf van de dood en verzekert zich hiermee van de dankbaarheid van de Joodse gemeenschap. Zij maken hem wegwijs in de financiële wereld en zorgen ervoor dat hij een schatrijke geldwisselaar wordt. Uiteindelijk krijgt Arnau te maken met de Spaanse inquisitie, waardoor hij alles dreigt kwijt te raken, ondanks het feit dat zijn vriend, een broer eigenlijk voor hem, ook inquisiteur is geworden. Misschien werk dat zelfs tegen hem…

Er gebeurt nog veel meer in het boek. Arnau voert oorlog, heeft te maken met een jeugdliefde die hij eigenlijk wil ontlopen, kan niet trouwen met zijn grote liefde maar geeft haar zelfs weg aan haar verkrachter… kortom, alle ingrediënten voor een historisch epos zijn er wel.

Toch had ik er aanvankelijk wat moeite mee en dat zat hem in de voorspelbaarheid. Ik heb de boeken van Ken Follett gelezen en ook daar eist de heer de bruid van zijn horige op. Ik voelde al aankomen dat Bernat het niet lang ging maken. Je weet al dat Arnau’s moeder ergens weer gaat opduiken en tot slot wordt er ook nog aan een kathedraal gebouwd. Gelukkig verdwenen die bezwaren. De auteur geeft een levendig beeld van Barcelona in de 14e eeuw. Een stuk kathedraalbouw, maar ook de wereld van de geldwisselaars, de gruwelen van de pest en de inquisitie, het wordt allemaal logisch in het verhaal geweven. De Jodenhaat wordt treffend beschreven tijdens het inquisitieverhoor van Arnau:

‘Die drie mannen hadden schuld bekend. Waarom neem je het op voor ketters? Joden…’
‘Joden! Joden!’ protesteerde hij. ‘Wat is er toch met de Joden?’
‘Weet je dat niet?’ vroeg de inquisiteur met luide stem. ‘Ze hebben Jezus Christus gekruisigd!’…
‘Hebben ze daarvoor nog niet genoeg geboet met hun eigen leven?’…”U spreekt over iets wat meer dan dertienhonderd jaar geleden is gebeurd. Waarover moet een Jood die in onze tijd geboren is nu berouw hebben? Aan wat toen gebeurd is, heeft hij totaal geen schuld.’

Een mooi fragment, uit het hart gegrepen natuurlijk, alleen weet ik niet hoevelen zoiets voor een inquisitie zouden zeggen. Maar goed, het verhaal heeft een held nodig en dat is Arnau in dit geval. De auteur geeft overigens een mooie toelichting op een aantal passages in het boek die echt zijn gebeurd, zoals de list om Barcelona tegen een aanvalsvloot te beschermen door een walvisvaarder voor de vaargeul te leggen. Uiteraard lost Arnau dit op in het verhaal. Het begon voor mij dus wel een beetje met een herhaling van zetten, maar uiteindelijk pakte het verhaal mij wel en las ik het verhaal ook achter elkaar uit.

Vertaling: Marleen Eijgenraam

71c595cdacb3ef15979702f5667437641414141
De Camera Obscura van Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets) is zo’n klassieker die ik graag gelezen wilde hebben. Gewoon, om te weten waarom het zo’n bekend werk is en of het mij kan boeien. Het is een verzameling verhalen over het Nederland van begin 19e eeuw. Het vastleggen van het leven van alledag, iets dat je met een fototoestel kan doen of zijn voorloper, de camera obscura.

De verhalen spelen zich goeddeels af in het gegoede milieu of in studentenkringen, vaak met Hildebrand in de hoofdrol. Mild sarcastisch en ironisch af en toe, maar nergens echt vilein. In het voorwoord lezen we nog dat Koningin-Moeder Emma zeer te spreken was over het boek.

De verhalen dan. Er zitten en paar prachtige tussen. Zo is er Robertus Nurks die zichzelf bij Hildebrand uitnodigt op het moment dat deze met een vriend de dag al had ingepland. Nurks kraakt alles af en is eigenlijk gewoon een naar mannetje;

‘Lieve hemel, Hild, wat heb je een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achter is.’

De familie Stastok is natuurlijk een klassieker. Hildebrand trekt op met Pieter Stastok junior, de wat onhandige jongeman die een flater slaat bij het biljarten, die graag wat nader tot Koosje wil komen maar dat bruut verhinderd ziet tijdens een roeitochtje door de leegloper Rudolf van Brammen. Als hij dan ook nog overboord kiepert is de afgang compleet. Gelukkig weet het gezelschap zich te vermaken met wat gezang. Zo kom ik het dansliedje “Dans, nonneke, dans” tegen waarvan de tekst overeen komt met een liedje dat ik zelf eens op Youtube heb gezet, zie hieronder.”Nonneke” is alleen vervangen door “Kwezelken”.

Prachtig is ook het verhaal van Kees het Diakenhuismannetje. Heeft zijn leven lang gespaard om uiteindelijk fatsoenlijk begraven te worden in eigen doodshemd en -kist. Hij mag echter geen eigen geld hebben in het Diakenhuis en hij wordt verraden door Klein Klaasje, de gebochelde dwerg.

Wat ik fascinerend vindt aan het boek is dat je terug in de tijd wordt geschoten. De eerste spoorrails wordt aangelegd maar diligence en trekschuit zijn nog volop aanwezig;

Zodra men de trekschuit binnenstapt en het deurtje doorgekropen is, en zijn muts opgezet, en zijn hoekje gekozen heeft, is het alsof er vanzelf een geest van bekrompenheid, van kleinheid op ons valt…De treurige, benauwde indruk…wordt nog verergerd door de lectuur van het tarief, door het zien van het koperen blakertje, het driekanten blikken kwispedoortje en alle verder klein huisraadje…

Of je zelf naar binnen stapt in zo’n ding. Het verhaal van Hildebrand en William Kegge mag er ook zijn. William is mede-student en komt te overlijden. Hildebrand staat hem bij en wordt uitgenodigd door de familie van William om te komen logeren. Het geeft een mooi beeld van het milieu waarin een welgestelde familie leeft aan het begin van de 19e eeuw.

Kortom, ik heb genoten van het boek. Er is een uitgave verschenen waarin de taal geactualiseerd is door Ivo de Wijs. Ik heb een oudere uitgave gelezen met ‘ouderwets’ taalgebruik en dat heeft voor mij absolute meerwaarde. Het stoort niet, sommige woorden kende ik niet naar die zijn op te zoeken of uit de context te halen. Daar heb ik geen modern Nederlands voor nodig.

“Het Kwezelken”

2b720d6a95a4fe7592f32725777437641414141
De omgevallen boekenkast van Hans van Straten is het gevolg van een ingeving. De journalist en schrijver trok bij ingeving zijn boekenkast omver. zodat de boeken overal in zijn kamer verspreid lagen (zo’n ingeving heb ik overigens nooit, ik blijf het wat merkwaardig vinden). Uit die boeken kwamen allerhande papiertjes zetten met aantekeningen die hij in de loop der jaren had gemaakt. Anekdoten, herinneringen, droomverslagen, dagboekfragmenten en aforismen. Een bonte verzameling die hun weg vonden naar zes cahiers, die uiteindelijk in bovenstaand boek zijn uitgegeven. Ze vormen een soort zelfportret van de man en zijn tijd.

Het is een idee, maar werkt het? Voor mij wel. Het is af en toe van de hak op de tak, verbrokkeld ook maar het leest als een trein. De auteur staat midden in het literaire leven van de vorige eeuw en dat geeft mooie fragmenten:

Begrafenis van Nescio. Met ons drieën lopen we in de kleine stoet mee, Gerrit Borgers, Remco Campert en ik. ‘Heren,’ zeg ik, snuivend in de zomerwind, ‘ik geloof dat ik de begrafenisborrel al ruik.’ ‘Nee, dat ben ik,’ zegt Remco. ‘In de tram zeggen ze ook altijd dat ik zo stink.’

Als biograaf van Willem Frederik Hermans was hij niet bang om hem ook literair de oren te wassen. Hij geeft fijntjes aan dat WFH, die anderen genadeloos op onvolkomenheden in hun werk kon wijzen, zelf ook niet altijd even zorgvuldig was. Hetzelfde met de uitgeverij De Arbeiderspers, die ook dit boek heeft uitgegeven. Die uitgeverij heeft ook de dagboeken van Paul Léauteaud uitgegeven, maar Van Straten fileert de vertaler ervan;

Na zo iets zou ik erg rot willen doen tegen Matth. Kockelkoren, iemand die denkt dat hij Léautaud moet vertalen in het idioom van een dertienjarige mavoscholier. Een van de karakteristieke kanten van Léautaud was juist, dat de natuurlijkheid van zijn schrijftrant volledig samenviel met de traditie van Diderot en Chamfort. Wie dat niet doorheeft, heeft niets van hem begrepen.

Zo, dat is duidelijk. Er staan talloze anekdotes in het boek, over Slauerhoff die een hoed over zeven meter op een Jezusbeeld gooit, over schietoefeningen in het Rijksmuseum, over Mulisch die Bomans van impotentie beticht, over de Zangeres zonder Naam die Jan Wolkers haar benen laat zien, over de homoseksuele verwijzingen in Reinaert de Vos en ga zo maar door. Jammer dat het notenapparaat niet zo zorgvuldig is samengesteld, daar staan wat fouten in wat betreft de paginanummering.  Verder is het gewoon een leuk boek. Voor een mooi overzicht van de aforismen in het boek, lees het verslag van Erik.

86cf23ce6d25bcc597a72365341444341587343
I
k werd door Maarten ’t Hart gewezen op het boek Tobias en de dood van J. van Oudshoorn, ofwel Jan Koos Feylbrief. ’t Hart zegt in zijn boek De som van misverstanden dat Van Oudshoorn hem geen ogenblik somber mag verstemmen. Dat leek mij knap met een boek waarin iemand over de dood mijmert, dus vandaar dit boek maar eens gelezen.

Tobias Termaete is een heerschap van middelbare leeftijd en lijkt redelijk gearriveerd. Hij woont samen met zijn huishoudster en houdt zijn inkomen op peil met de handel in effecten. Verder gaat hij graag naar de club en blijkbaar is hij in zakelijk conflict met zijn zwager verwikkeld. Waar hij ook van houdt zijn jonge dames, met de nadruk op jong. Dat heeft hij overigens gemeen met de hoofdpersoon in Van Oudshoorn’s boek Louteringen. Tobias heeft een relatie met de zeventienjarige Irma. Een wispelturige dame die Tobias laat beloven dat hij haar helpt als zij er een eind aan wil maken.

Hee, daar komt de dood om de hoek kijken. Want hoe zit dat? Tobias zit waarschijnlijk in een midlife, want hij mijmert nogal eens over de dood;

Sindsdien had hij er zich dan ook niet meer tegen verzet, wanneer zijn gemijmer die sombere kant uitging. Want al bleef de dood natuurlijk voor goed het einde, die afscheidswoorden aan de groeve behoorden toch als laatste nog de overledene. En juist omdat hem dit oordeel over zijn leven…zo geheel van buiten af, als het ware, opgedrongen werd…dààrom hechtte Tobias er niet alleen werkelijke waarde aan, maar voelde ook hoe hem daardoor…de kracht geboden werd met zijn tegenwoordige leven te breken.

En zo verder. Irma gaat exit en Fransje komt langs. Tobias krijgt te maken met een afperser, Jules Wafel. Dat is een man die in de cel belandde na het proces dat tegen Tobias gevoerd werd na zijn relatie met de minderjarige Irma. De afperser komt onder een auto, waar Tobias weer goed wegkomt. Zo zit hij eigenlijk aan het begin van het boek nog overal aan vast, dames, werk, een afperser en laat hij langzaam alles los. Eén verbintenis blijft, hij gaat trouwen met Kitty, ondanks zijn eigen uitspraak “vooral geen sentimentaliteit, of banden, die knellen”.

Ondanks het enthousiasme van Maarten ’t Hart deed het boek mij niet veel. Er zitten leemtes in het boek, sprongen in de tijd. Opeens is Tobias verloofd bijvoorbeeld. In het begin stap je ook zomaar ergens zijn leven in. Dat kan, maar het overtuigde hier niet. Waar ik wel van heb genoten is het taalgebruik. Ik kan uit de voeten met termen als “aangedruild”, “zwarte wolkendrommen” en “klirrend geschamp”. Als dan ook de biljartballen nog “rein aangeklotst” worden mag het boek alleen daarom al gewoon in de kast blijven staan.

9041425659.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Treindromen van Denis Johnson is een korte novelle van 92 bladzijden en erg de moeite waard. Je moet van goede huize komen om in zo’n kort bestek het leven weer te geven van een man en de auteur doet dat, met prachtig proza ook nog eens. Ieder woord doet er toe.

Het boek gaat over Robert Grainier en het jaar is 1917. Grainier werkt bij de spoorwegploeg in Idaho en is bijna medeplichtig aan moord. Ze willen een Chinees de afgrond in storten maar deze ontsnapt. Dat lijkt geen mooie kennismaking met de heer Grainier, maar dat komt goed. Hij is er van overtuigd dat de Chinees hem vervloekt heeft en dat is niet prettig met vrouw Gladys en dochtertje Kate thuis.

Het noodlot slaat inderdaad toe. Bij een grote brand verliest hij vrouw en kind. De hut waarin zij woonden is afgebrand, er is niets over. Grainier is gebroken. Hij bouwt een nieuw onderkomen en werkt zich onderuit in de houtwinning en later als vervoerder, om de rest van het jaar op de plek te wonen van zijn grote verlies. Zijn enige gezelschap is een rode hond die is komen aanlopen en het pak wolven in de verte.

Het verhaal beweegt zich heen en weer in de tijd. Zo zien we ineens de eerste treinreis van Grainier, alleen, als kind.

Als kind was Grainier alleen naar Idaho gestuurd…Hoe was hij zijn eigen ouders kwijtgeraakt? Niemand heeft het hem ooit verteld…Voor zover hij kon nagaan was hij ergens in 1886 geboren, ofwel in Utah ofwel in Canada, en had hij zijn weg naar zijn nieuwe familie gevonden via de Great Northern Railroad…Hij arriveerde na verscheidene dagen in de trein met zijn bestemming op zijn borst geprikt op de achterkant van een kassabon.

De spoorweg, honden en wolven. Die lopen als een rode draad door het boek. We volgen Grainier in zijn verdriet, zijn wanen af en toe en de misdaad uit het begin is hem al lang vergeven.

Grainier ging heel af en toe nog steeds naar de kerkdienst, als die samenviel met een bezoek aan het stadje. De mensen daar waren aardig tegen hem; ze herkenden hem uit de tijd dat hij min of meer regelmatig met Gladys naar de kerk ging, maar over het algemeen kreeg hij spijt als hij was gegaan. Hij moest heel vaak huilen in de kerk. Zoals hij leefde, langs de Moyea, met volop klusjes om hem af te leiden, vergat hij dat hij een treurig man was. Als de hymnen begonnen, herinnerde hij het zich weer.

Hij draagt het lang met zich mee, hij wordt oud en sterft op de plaats waar hij zijn geluk ooit vond. Het is een kort en krachtig verhaal en de twist heb ik nog niet eens weggegeven. Liefhebbers van het boek Stoner zullen dit zeker mooi vinden, maar overall is het een grote aanrader.

Lees ook de bespreking van Anna hier.

Vertaling; Maarten Polman

cd49e361183d05b596b4d656a67444341587343
I
k had van John Julius Norwich in mij pré-blogtijdperk al eens zijn boek De Middellandse Zee gelezen. Dat is een prachtig boek over de geschiedenis van dit gebied. Zijn boek over De pausen is voor mij dus een logische keuze.

Niet omdat ik mij zo verbonden voel met dit instituut. Wel omdat ik van geschiedenis houd en vooruit, ook van intriges. Ik vermoedde dat zoiets hier te halen was en ik werd niet teleurgesteld. Ik wist er niets van. Iets van Petrus, iets van een schisma en dat was het wel. Allereerst, het aantal pausen en tegenpausen is enorm. Ik kom uit de tijd dat pausen (lees Johannes Paulus II) even meegaan, maar dat was natuurlijk niet altijd zo. We zijn al toe aan paus nummer 266. Uiteraard kunnen die niet allemaal besproken worden, er is een selectie gemaakt en die beslaat ruim 500 pagina’s.

Hoe kwam het zo? Petrus is natuurlijk de grondlegger van de Rooms-Katholieke kerk en de stichter van dit alles, is ons geleerd. Welnu, dat zou kunnen. Er zijn wat flintertjes bewijs dat Petrus in Rome geweest zou kunnen zijn, maar niets is zeker. Er zijn aanwijzingen dat, als Petrus in Rome is geweest, hij er maar heel kort is geweest en dus razendsnel de Kerk van Rome heeft moeten stichten. Sterker, het is niet eens zeker of hij wel een kerk moest stichten, toch het fundament van het Rooms-Katholicisme. Kortom, het boek begint al veelbelovend.

Feit is wel dat er in die tijd veel christenen naar Rome trokken en de eerste paus aan het firmament verscheen. Dat is het begin van een lange stoet aan pausen en een duizelingwekkend aantal feiten en weetjes. De grote rode draden zijn de verhouding met de kerk in Byzantium, daar hebben ze hun eigen geestelijk leider, de verhouding met de heersende keizers in Europa en de schisma’s over theologische zaken. Lees daar vooral het boek zelf voor, het is fascinerend materiaal.

Norwich vertelt met luchtige toets en maakt duidelijk dat het pausdom allerminst een begeerlijke baan was. De arme Formosus (pontificaat van 891 tot 896) werd beschuldigd van meineed en begeerte naar het pausdom. Hij stierf voor zijn proces, maar dat maakte niet uit. Hij werd opgegraven, in zijn gewaden gehesen, op een troon gezet en alsnog onderworpen aan een schijntribunaal.

Er gebeurt veel meer in het pauselijk paleis der Lateranen. Norwich citeert de historicus Edward Gibbon als hij het heeft over paus Johannes XII;

[…] we lezen, met enige verbazing, dat de waardige kleinzoon van Mazoria openlijk in overspel leefde met de Romeinse matrones; dat het paleis van de Lateranen omgetoverd werd in een prostitutieopleiding; en dat zijn gewoonte om maagden en weduwen te verkrachten de vrouwelijke pelgrims er uit angst van weerhield de tombe van St. Petrus te bezoeken…

Het zijn taferelen waar je je nu niets meer bij kan voorstellen. De meest onwaarschijnlijke paus was wel Celestinus V (pontificaat 1294). Hij was een boer van 85 jaar die meer dan 60 jaar lang als kluizenaar in de Abruzzen had geleefd. Met tegenzin aanvaarde hij de benoeming en hij hield het vijf maanden vol. Hij was de eerste voor Joseph Ratzinger in 2013 die vrijwillig aftrad. Prachtige weetjes, maar er is natuurlijk zo veel meer gebeurd. De bouw van de Sixtijnse kapel en de beschildering door Michelangelo. De oorlogen in Europa en de rol van de paus daarin. Het schisma en de zetel in het Franse Avignon. Napoleon die huis komt houden, de beide Wereldoorlogen en de rol van de kerk daarin, de omvangrijke misbruikschandalen, het is een lange geschiedenis die aan je voorbij trekt. Norwich geeft veel feiten, soms iets teveel; “Innocentius XII was de laatste paus die een baard droeg”. 

Een recenter raadselachtig pontificaat is dat van paus Johannes Paulus I (pontificaat 1978). Een beminnelijke, innemende man, wars van uiterlijk vertoon en verlangend naar vroomheid en eenvoud. Na 33 dagen werd hij dood op bed gevonden. De theorieën wisselen tussen moord en een natuurlijke dood;

Is Johannes Paulus I vermoord? Zeker, er waren goede redenen om dat aan te nemen. Voor een man van zevenenzestig verkeerde hij in uitstekende gezondheid. Sectie of autopsie bleef achterwege. De curie…liet zich betrappen op een serie leugentjes betreffende de omstandigheden van zijn dood…En als de paus…inderdaad op het punt stond een omvangrijk financieel schandaal te onthullen waar de Vaticaanse bank en de directeur…tot over hun nek inzaten, dan waren er tenminste drie internationale criminelen die tot het uiterste zouden zijn gegaan om hem daarvan te weerhouden…

Zijn opvolger, paus Johannes Paulus II ligt nog vers in het geheugen. Nog steeds populair en een recordhouder in heiligverklaringen. Hij voegde 483 heiligen toe aan de kalender, meer dan in de vijf eeuwen ervoor. Ook een paus met orthodoxe opvattingen aangaande homoseksualiteit, anticonceptie en euthanasie.

Ik had dieper kunnen ingaan op het instituut of nog veel meer mooie feiten kunnen weergeven. Vooruit dan nog één. De enige Nederlandse paus, onze Hadrianus, gaf geen zier om kunst en architectuur. Hij was het die bijna een witkwast door de hele Sixtijnse kapel had laten halen en het beroemde beeld de Laocoön in de Tiber wilde smijten. Verder, laat Norwich u een beetje onderwijzen, het is de moeite waard.

Vertaling: Roland Fagel

luciani_3e6d04

Paus Johannes Paulus I