archiveren

Maandelijks archief: juni 2017

6916a4a52c225e559366c465251444341587343
Jeroen Brouwers bedacht ooit dat er te weinig literaire tijdschriften waren en besloot toen om er zelf maar één op te richten. Dat werd Feuilletons, uitsluitend bedoeld voor nieuw werk van eigen hand. Er werd een uitgeverij bedacht, ‘Noli me tangere’ in Zutendaal, zijn toenmalige woonplaats en het eerste deel werd gevuld met aantekeningen, polemieken en een paar artikelen.

Ruim honderd pagina’s, maar je bent er zo doorheen, alleen al omdat de eerste 50 pagina’s “Journalen” gezet zijn in een absurd groot lettertype. Die Journalen vond ik meteen het minst boeiend. Wat gedachten over hoe Utopia eruit ziet (hij komt toch uit op zes planken) en een dagboekfragment met een aardig verhaal over de vergeten schrijver en journalist Henri van Wermeskerken.

Het tweede deel is interessanter. Hier gaat Brouwers in op Willem Elsschot en zijn biograaf, de Belg Jean Surmont. Deze laatste krijgt het aardig uitgemeten van Brouwers;

Het als ‘biografie’ gepresenteerde werk…had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen…Het werkstuk van Surmont kon niet lamlendiger, kon niet slordiger, kon niet slechter. Qua Elsschotkunde vertegenwoordigt het zoveel als wind die door dorre bladeren woelt: er staat in het boek niet één mededeling die iedere Elsschotofiel niet al jaren eerder heeft gehoord…

Daar kan Surmont het mee doen. Brouwers gaat ook in op de aparte nationalistische trekjes van Willem Elsschot. Waarom schreef hij een gedicht op de foute en gefusilleerde August Borms? Ook Louis Paul Boon kwam er niet uit. Verder krijgt ook Rudy Kousbroek er van langs in dit tijdschrift. Brouwers is getergd en staat duidelijk niet boven de materie, maar goed, anders hebben we ook geen polemiek natuurlijk.

Ik was geboeid door het verhaal van de mij onbekende Uruguayaanse schrijver en zelfmoordenaar Horacio Quiroga. Die heeft in zijn leven behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen maar schijnt desondanks prachtige verhalen geschreven te hebben met als terugkerend thema de bedreiging van het menselijk bestaan door de natuur. Een voorbeeld;

Een naïeve accountant uit de grote stad Salto, ‘een vreedzame, mollige, blozende jongeman’, trekt opgewekt het oerwoud in, vindt in een boomstam wilde honing en doet zich daar gulzig te goed aan. Het blijkt een moorddadige lekkernij te zijn, die verlamming veroorzaakt. Machteloos neergestort, ziet hij in ‘ultieme angst’ hoe er over de grond iets massaals en zwarts op hem toestroomt…’Om hem heen kleurde de allesverslindende strafexpeditie de grond donker, en de accountant voelde de stroom vleesetende mieren onder zijn lange onderbroek omhoogkruipen.’

Ik heb die verhalen maar besteld en ben benieuwd. Brouwers sluit Feuilletons af met een pleidooi voor het roken en tegen de hypocriete tabakshaat in met name de Verenigde Staten. Van wisselende kwaliteit dus dit éénmanstijdschrift, maar nog altijd boeiend genoeg.

d4f42c96d9ec4bf592f72675241444341587343
Ik weet niet helemaal goed wat ik moet denken van Vergeten boeken van Ed Schilders. Het heeft als ondertitel Literaire curiosa en rariora, boekenvrienden en bibliomanen. Nu houd ik van boeken over boeken en ook de informatie op de achterflap beloofde veel goeds:

…een lange, gedetailleerde reis langs enige van de zeer schaars verlichte uithoeken van de literatuurgeschiedenis…Bestaan er vierkante cirkels? Of boeken, gebonden in mensenhuid? Wie schreven de teksten voor het enige erotische marionettentheater? Waarom is het verboden in een kerk een vlo te doden?…

Het zijn achtentwintig essays die in eerste instantie zijn verschenen in De Volkskrant, Vrij Nederland en Maatstaf. De gestelde vragen worden keurig beantwoord, hoewel ik boeken in mensenhuid al eens was tegengekomen in Boekenwurmen & ander ongedierte. Toch zit ik mij af te vragen waarom ik dit niet zo’n geweldig boek vond. Het feit dat het in 1986 uit kwam zou niet uit moeten maken, want boeken over boeken kunnen altijd boeien. Er staan ook echt wel leuke verhalen in en er zijn genoeg quotes uit te halen ( “Werd de dood uitgevonden opdat er poëzie zou zijn? Als dat zo is, dan is de dood, uiteindelijk, toch niet zo’n onzinnige regeling”) maar als ik geen aantekeningen had gemaakt had het allemaal niet zo bijgebleven.

Vooruit, dit is toch wel een mooie. Waar moderne bibliotheken een geldboete opleggen voor ongewenst leesgedrag of te laat terugbrengen (hoewel men daar al van terugkomt), ging men daar vroeger anders mee om, zoals blijkt uit een Missaal van Robert de Jumièges (16e eeuw);

‘Indien iemand op welke wijze dan ook dit boek van zijn plaats ontvreemdt, moge zijn ziel lijden als boetedoening voor wat hij misdaan heeft, en moge zijn naam uit het Boek der Levenden geschrapt worden en niet worden opgenomen onder de Zaligen’

Ik vrees dat het nu weinig indruk meer zou maken….Verder wordt er grote aandacht geschonken in dit boek aan scabreuze literatuur, zoals in de vorm van de geschriften van Pietro Aretino. Obscene sonnetten die hij voegde bij de prenten van Giulio Romano, die samen het eerste expliciet seksuele (en alleen daarom obsceen genoemde) voorlichtingsboek uit de moderne Europese zedengeschiedenis vormden. Aardige verhalen maar niet meer dan dat.

Wat ik wel weer interessant vond zijn de fictieve bibliotheken en boeken. Jawel, ze bestaan. Bibliotheken vol Fortsasiana, waarbij een fortsasianum een boek is dat alleen fictief bestaat. Afgeleid van de Belgische Comte de Fortsas, wiens kleine maar unieke bibliotheek na zijn dood geveild zou worden;

De catalogus van de collectie werd in 1840 uitgebracht…Comte de Fortsas…was…op de eerste september 1839 overleden op zijn kasteel in de omgeving van Binche; zijn unica zouden op 10 augustus 1840 om elf uur des ochtends onder de hamer van de veilingmeester komen. Op dat beslissende moment kan echter niets anders dan desillusie en verontwaardiging verkocht zijn. De Graaf was niet dood want hij had nooit bestaan; alle unieke exemplaren waren door de samensteller van de catalogus, Rénier Hubert Ghislain Chalon, een bekende numismaat…zelf verzonnen.

Aardige verhalen dus met een karrenvracht aan boekentitels die niemand meer iets zegt naar mijn mening. Heb ik het mis dan hoor ik het graag, maar ik had geen aandrang ze allemaal op te zoeken. Verder veel buitenlandse citaten die soms wel, soms niet vertaald werden, dus dat stoorde mij wel. Een vermakelijk boek en het mag blijven, maar niet meer dan dat.

95f578382a0409c593750365241437641414141
Ik heb de laatste tijd wat boeken over Parijs gelezen en de kunstenaars die daar hebben gewoond en Belicht geheugen van Man Ray heeft daar ook mee te maken. Het is de autobiografie van de Amerikaanse dadaïstische en surrealistische fotograaf, schilder en filmregisseur. Een groot deel van zijn leven heeft hij in Parijs gewoond en hij ligt er ook begraven.

Nu had ik wel van de man gehoord, kende wat van zijn foto’s maar daar bleef het bij. Ik wist eigenlijk niet dat hij ook schilderde. Sterker, daar begon en eindigde hij mee. Later kwam de fotografie erbij en de films. Hij heeft al dat werk in de geest van Dada gemaakt, die een afwijzing voorstaat van de traditionele kunst. Daarbij experimenteerde hij met nieuwe technieken, zoals zijn rayografieën;

…stuitte ik op het procédé van mijn rayografie, foto’s zonder camera. Een vel fotopapier kwam in de ontwikkelbak terecht – een onbelicht vel dat tussen de reeds door een negatief belichte vellen was geraakt; ik maakte eerst een aantal opnamen die ik later tegelijk ontwikkelde – en toen ik tevergeefs een paar minuten wachtte of er een beeld zou opdoemen, vol spijt over de verkwisting van het papier, zette ik gedachteloos een kleine glazen trechter, de maatbeker en de thermometer in de bak op het natte papier. Ik deed het licht aan; voor mijn ogen begon zich een beeld te vormen, niet het eenvoudige silhouet van de objecten zoals op een gewone foto, maar vervormd en gebroken waar het glas meer of minder contact met het papier had gemaakt…

En zo ben je live bij de ontwikkeling van fotografie en kunst.  Dat geldt ook voor de films die hij maakt. Hij noemt het geen experimenten maar zorgvuldig uitgedachte werken, waarin mensen onherkenbaar herkenbare dingen doen, door met een kous over het hoofd te gaan duiken, dobbelen of wat dan ook. De focus echter in dit boek ligt in de onafzienbare stoet aan beroemdheden waar Man Ray mee werkt. Marcel Duchamp, Salvador Dalí, Kiki de Montparnasse (zij zouden een zesjarige relatie hebben), Picasso, Erik Satie, Marcel Proust (hij zou zijn doodsbed vastleggen), Ava Gardner enzovoort. Het biedt fascinerende lectuur.

Dat geldt ook voor zijn ontmoeting met de avonturier William Seabrook en zijn vrouw. Een vreemd koppel dat Man Ray uitnodigde om op een vrouw te passen die zij hadden ingehuurd en aan de trap hadden vastgebonden. Je moet het even lezen om te geloven. Inherent aan al deze exotische personen is dat het niet altijd de diepte ingaat. Ik had graag meer willen lezen over de kunstenares Meret Oppenheim. Zij baarde opzien door haar met bont beklede kop en schotel, maar Man Ray maakte ook prachtige foto’s van haar. De Kunsthal weidde er ooit in 1997 een aparte tentoonstelling aan.

Man Ray komt uit dit boek naar voren als een veelzijdiger artiest dan ik had gedacht. Ik heb dan ook veel opgezocht. Hij liet zich leiden door zijn eigen instinct en wist altijd de aandacht op zich te vestigen, waar hij zich ook vestigde. Dat leidde tot veel lezingen, die hij niet altijd even goed voorbereidde overigens;

Toen ik op het podium stapte met een bundel papier in mijn hand, zag ik een gelaten blik op veel gezichten. Langzaam en plechtig las ik de eerste bladzijde en stopte toen, om naar mijn toehoorders te kijken…Toen ik aan de tweede bladzijde begon,ging ik vlugger lezen, bij de derde aangekomen las ik die bijna zonder adem te halen uit. Toen ik de volgende bladzijde opsloeg stopte ik weer, liet hem aan de toehoorders zien en zei: dit was het. De bladzijde was onbeschreven, net als de rest van de stapel. 

Man Ray, een verrassende man en een voor mij verrassend kunstenaar met prachtig werk. Overigens was ik zo gelukkig het exemplaar van Belicht geheugen te bemachtigen met een opdracht van de vertaalster aan Bernlef en zijn vrouw.

Vertaling; Erica Stigter

e31ffbfa7bc36325933726f5241444341587343
Ik ben een liefhebber van de serie Privé-Domein van De Arbeiderspers. Die blinken in de regel uit met prachtige portretten van schrijvers, schilders en/of andere kunstenaars. Koningin van de onderwereld van Zoe Progl is wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt.

Het is de autobiografie van een vrouw die furore maakte toen zij als enige vrouw in de Britse historie erin slaagde om in 1960 te ontsnappen uit de Britse Holloway-gevangenis. Heel het land was naar haar op zoek, ze werd ook weer opgepakt en keerde in 1964 de misdaad de rug toe.

Het is een rechttoe rechtaan verhaal over een leven dat in 1928 begon in een arme wijk in Limehouse, Londen, waar Zoe met vader, moeder en twee broers in een souterrain woonde. Niet de fijnste buurt om in op te groeien;

De miljoenen vochtdeeltjes van de rivier, die de nachtlucht zwaar maakten, trokken het vuil aan dat overdag van de drukke straten omhoog was gekomen en de ramen bedekten van huizen en winkels. ’s Nachts weerklonk er het schelle, harde lachen van de opgeschilderde hoeren, die zich aan de vreemde zeelui aanboden. Het gekrijs van vrouwen, die ineenkrompen onder de klappen van een dronken man, was zo gewoon dat het weinig of geen invloed uitoefende op de oren van de andere bewoners van Grenade Street.

Haar vader is vaste klant in de gevangenis en zelf zou ze ook niet veel anders opgroeien. Als ze opgroeit steelt ze meer en meer en zoekt haar heil in een beruchte plaatselijke kroeg, Maxie. Daar gaat ze deel uitmaken van de onderwereld. Eerst als animeermeisje, later als hulp bij overvallen om uiteindelijk zelf oplichtster en inbreekster te worden.

En passant trouwt ze met de eerlijke Joe Progl maar bedriegt hem met een junk. Daarvan raakt ze in verwachting. Ze zou uiteindelijk drie kinderen krijgen en zes abortussen ondergaan.

Ze wordt een aantal keren gepakt en moet aardig wat tijd opknappen in de Holloway-gevangenis. Als ze weet dat ze weer aan de beurt is, doet ze, als ze nog op vrije voeten is, uitgebreid onderzoek naar haar ontsnappingsmogelijkheden, iets dat haar ook zou lukken. Een uitgekookte dame dus.

Verder is het boek ook niet meer dan dat. Een opsomming van haar vergrijpen, ontmoetingen met figuren uit de onderwereld, de uitgebreide zuip- en snuiffestijnen en de mislukte relaties die ze aangaat. Dat neemt niet weg dat er een paar aardige verhalen in staan;

Om een uur of tien eiste ik op het bureau dat ik een advocaat wilde hebben. Ik wist er niet zo gauw een, dus belde ik een firma Piper & Piper op, wiens naam op een koperen bordje op het huis naast het onze stond.
Er kwam een meneer Piper aan de lijn en ik legde hem onze moeilijkheden uit en zei dat ik graag wilde dat hij ons zou verdedigen. Er volgde een korte stilte en toen zei hij: ‘Mijn beste jongedame, ik zou u dolgraag helpen maar ik ben bang dat als ik dat deed, dat ik dan iets zou doen dat in strijd is met de beroepseer, omdat ik hier persoonlijke belangen bij heb – het is namelijk mijn brandkast, die u gestolen hebt!’

Het is jammer dat op sommigen zaken niet dieper wordt ingegaan. Als de crimineel Tommy totaal in elkaar wordt geslagen, wordt hem door zijn belagers vervolgens vijfhonderd pond gestuurd om hem te helpen opnieuw te beginnen. Dat schrijft de mores blijkbaar voor maar er wordt niet op ingegaan verder. Zoe is de realiteit ook af en toe even kwijt als ze, tijdens haar ontsnapping, spreekt over het moederschap waarin ze even zorgeloos en gelukkig is, en wat haar lange tijd onthouden was. Wellicht had ze hier zelf in rol in? Maar goed, het is geen hogere literatuur, dat geeft niet want het is geen schrijfster, maar een aardig verhaal over een mij tot nu onbekende persoon uit de Britse geschiedenis.

Vertaling; Margreet Hirs

90f23787ad0a076597a4e555767444341587343
Ik vond het tijd worden om eens wat van Rudy Kousbroek te lezen en aangezien ik van essays houd, leken de Anathema’s I een logisch begin. De vragen op de achterkant maakten mij ook nieuwsgierig naar de inhoud: Waarom praten toneelspelers met teveel lucht? Leeft een oude steen langzaam? Is er een relatie tussen het eten van exotische gerechten en het begrijpen van cartoonhumor? Heeft Picasso echt bestaan? Was Swift de uitvinder van de computer?

Bijkomend voordeel is dat deze vragen niet per se tijdgebonden zijn, omdat essays uit de jaren zestig en zeventig gedateerd kunnen zijn en je moet van goede huize komen (Jeroen Brouwers en W.F.H. kunnen dat) willen die nu nog boeien.

Zesentwintig hoofdstukken in 174 pagina’s wisten mij inderdaad te vermaken. Ik moest de betekenis van de titel eerlijk gezegd opzoeken. Een anathema is een aanduiding van een artefact dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werd geschonken. Het zal hier meer met de christelijke context te maken hebben; tot zegening of tot vloek.

De essays zelf lezen vlot weg en er worden zowaar antwoorden geformuleerd op bovenstaande vragen, soms het humoristische aanvullingen van commentaren op de essay. Het langzaam leven van die steen gaat over een gedicht van Vasalis (Ik droomde dat ik langzaam leefde…), waar Kousbroek geen liefhebber van is. Hij laat zijn gedachten spelen over tijd, bezien vanuit een steen, een eendagsvlieg en voegt een uitgebreid aanhangsel toe met reacties op zijn essay.

Zij Picasso-verhaal is ook onnavolgbaar. Hij legt de paradoxen bloot van de Picasso-mythe, waarbij de tweede luidt;

…in dezelfde gangbare visie heet kunst te worden geboren uit leed. Het in onze cultuur gangbare model van de kunstenaar…is dat van iemand die aan de rand van waanzin leeft (dichter bij de rand naarmate hij een genialer kunstenaar is), en in de diepste vertwijfeling ‘schoonheid schept.’
Prototype: Vincent van Gogh….
Maar nu komt het: Picasso is geniaal zonder ooit de prijs te hebben betaald die de samenleving daarop heeft gesteld…Als hij nu nog op jeugdige leeftijd en in bittere armoede was gestorven, maar hij is al 85 en zijn fortuin is niet te becijferen.

Tragikomisch is ook het verhaal van de schilder Henri Rousseau. Hij kreeg vaak kritiek op zijn naïeve, kinderlijke zo u wilt, schilderstijl maar had ook bewonderaars in Picasso en Apollinaire. Toch moest hij zich veel laten welgevallen;

Gauguin stuurde Rousseau een vervalste uitnodiging van de president van Frankrijk. Rousseau toog diep getroffen naar het Elysée. Toen hij terugkwam vertelde hij aan Gauguin dat de President zelf had opengedaan, en gezegd had: ‘Jammer dat je in een gewoon pak bent gekomen, Rousseau. Iedereen is hier namelijk in rok, zie je, en ik kan je dus moeilijk binnenlaten. Maar een andere keer graag.’
Om dergelijke reacties was het iedereen te doen…Op een ‘te zijner ere’ aangericht feest werd Rousseau genadeloos voor de gek gehouden en tenslotte in een lege zaal alleengelaten.

Genoeg verhalen dus met een hoog Frans gehalte. Dat is wat mij betreft een aanbeveling en ik heb nog een aantal delen met Anathema’s in het vooruitzicht.