archiveren

Maandelijks archief: september 2020

9401907560.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als liefhebber van geschiedenis is het ook wel eens leuk om wat dichter bij huis te blijven. Daarom las ik Strijd om West-Frisia van Kees Nieuwenhuijsen. Dat beschrijft de ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland in de periode 900–1100.

West-Frisia was een gebied dat zich uitstrekte van Texel tot Zeeland. Dat gebied werd in de tiende eeuw geteisterd door aanvallen van Vikingen. Godfried de Deen was één van hen, maar hij maakte een afspraak met Karel de Dikke, de keizer van het Frankische Rijk. Als de Vikingen hun plunderingen zouden staken, zou hij militair opperbevelhebber worden van heel Frisia, van het kustgebied vanaf het Zwin tot aan de Eemsmond plus de Betuwe. Er kwam weinig van terecht en Godfried werd vermoord. Die moord was het begin van het tijdperk der Gerulfingen. Stamvader Gerulf greep de macht.

Die macht van de Gerulfingen zou ruwweg de periode 900-1100 beslaan en het zou wat ver voeren al zijn opvolgers hier te noemen. Nieuwenhuijsen doet dat chronologisch in zijn boek van ruim 220 pagina’s. Gerulf werd in ieder geval door de Frankische vorsten aardig in het zadel geholpen door grote schenkingen van stukken land.

Met die groei stichtten zij ook een abdij in Egmond en ook in Vlaanderen verworven ze een machtspositie. Conflicten waren er uiteraard ook genoeg. Met de eigen inwoners, maar ook met het bisdom Utrecht waren er voortdurend spanningen. De bisschoppen wilden land hebben in West-Frisia, dat in die tijd op grote schaal ontgonnen werd. Hiervoor werden verschillende veldslagen uitgevochten, en zo krijgen we beschrijvingen van de Slag bij Andernach, de Slag bij Vlaardingen, de Slag bij Bodegraven, de Slag bij Kassel en de Slag bij IJsselmonde.

Er zijn niet heel veel bronnen die terugvoeren op deze periode, hoewel de literatuurlijst achter in het boek vrij indrukwekkend is. Nieuwenhuijsen geeft aan dat er vaak meerdere versies van één verhaal zijn en die worden in aparte kaders ook weergegeven. Dat leest erg prettig en de auteur geeft ook meteen aan welk verhaal waarom het meest plausibel is. Zo vertelt hij over het beleg van Alkmaar;

Het beleg van Alkmaar in 1072 werd pas op het eind van de vijftiende eeuw voor het eerst door geschiedschrijvers vermeld. Johannes van Leiden († 1504) en Johan Veldenaer (circa 1480) vertelden dat Godfried met de Bult tijdens zijn veroveringstocht in de stad Alkmaar zijn hoofdkwartier had ingericht…De ontzettingsmacht kwam nadat het beleg al negen weken had geduurd…Er sneuvelden maar liefst 8000 Friezen en de gevangengenomen leiders werden onthoofd, als afschrikwekkend voorbeeld…Een belegering van negen weken is echter moeilijk voor te stellen, omdat Alkmaar in de elfde eeuw een eenvoudig dorp was en geen ommuurde stad. Pas in de dertiende eeuw werd er een burcht gesticht. Het aantal van 8000 doden is zeker niet realistisch, want dan zouden er in Frisia ulterior vrijwel geen weerbare mannen meer over zijn geweest.

Deze duiding werkt verhelderend en dat doen ook de vele kaartjes en stambomen in het boek. Die zijn ook wel nodig, want de grafen leefden niet allemaal even lang, de ene Dirk volgt de ander op, dus je moet je hoofd er af en toe wel even bij houden.

Naast de stamboom der Gerulfingen komen we ook veel te weten over het ontginnen van het land. West-Frisia was een veenrijk gebied en bewerking was nodig om het bewoon- en bebouwbaar te maken. Ook zijn er aparte hoofstukken gewijd aan de verschillende soorten burchten die werden gebouwd en over het godsdienstig leven in die tijd. Ik noemde de abdij van Egmond al, maar ik leerde zelfs bij over de mij zo bekende Domkerk in Utrecht; ik had geen idee van de twee keizersteentjes in die kerk, waar de ingewanden van Koenraad II onder werden begraven in 1039.

Van het geloof komen we ook op de Kruistochten; de grafen en bisschoppen werden verzocht om daar aan deel te nemen en in de bijlagen is een mooie lijst opgenomen van wie precies met hoeveel manschappen moest deelnemen.

Kortom; het is geen dik boek maar wel een boek met een hoop samengebalde kennis en feiten over een voor mij relatief onbekende periode in de Nederlandse geschiedenis. Het is bovendien een mooie opmaat voor het boek van Henk ’t Jong, die het verhaal voortzet in zijn boek De dageraad van Holland, over de geschiedenis van het graafschap in de periode 1100-1300.

5aa34282f114519597630557477444341587343_v5
Ik heb mij in het verleden al verdiept in de Nederlandse componist en muziekcriticus Willem Pijper (1894-1947) en zijn muziek. Ik kwam hem tegen bij het lezen van de biografie over componist en dirigent Jan van Gilse (1881-1944), die in een heftig conflict kwam met de muziekcriticus Pijper. Ook heb ik zijn boek De Quintencirkel gelezen met ‘opstellen over muziek’. Ik was daarom benieuwd naar In het licht van de eeuwigheid, waarin een bloemlezing van de brieven van Pijper staat uit de periode 1917-1947, bezorgd door muziekhistoricus Arthur van Dijk.

Het boek van ruim 580 pagina’s (inclusief een leesbaar notenapparaat en een lijst van adressanten) is verdeeld in drie periodes. Eén cesuur is gemaakt in de zomer van 1925, toen Pijper een diepe crisis doormaakte. De tweede breuk viel in 1940, met het bombardement in Rotterdam, waarbij het huis van Pijper aan de Schiekade verwoest werd.

De inleiding gaat in vogelvlucht door die drie periodes heen, waar vooral zijn vele relaties in het oog springen. Pijper trouwde en scheidde twee maal, maar onderhield verschillende, soms ingewikkelde relaties met diverse dames. De brieven aan hen vormen het grootste deel van deze selectie, met de brieven aan Louise Bolleman als absolute uitschieter. Zij was een vriendin en pianoleerlinge van Pijper, doctor in de rechtswetenschappen en zij vervulde een aantal bestuurlijke functies op het gebied van sociaal welzijn en vrouwenrechten. Zij erfde ook de rechten van Pijper’s muziek na zijn dood en nam het initiatief tot de oprichting van de Willem Pijper Stichting. Aan haar is dit boek ook opgedragen.

Uit het eerste deel zijn de brieven over de ‘Utrechtse muziekoorlog’ erg interessant, zeker als je de biografie van Van Gilse kent. Het handelde in het kort over de uitvoering van een werk van Pijper, de “Fêtes Galantes” dat niet uitgevoerd werd wat Pijper Van Gilse erg kwalijk nam. Pijper gebruikte zijn positie als muziekcriticus hiervoor, maar ook in brieven direct aan Van Gilse gericht;

Ik wens stellig na te laten andere personen hierin te betrekken, ofschoon ik dit geenszins behoef te schromen. Ik ben het kind van de rekening geweest en heb nu mijn bekomst van de zaak, zodat ik noch in mondelinge en evenmin in verdere schriftelijke behandeling ter zake zal treden.

Scherp in zijn kritiek maar als componist ook afhankelijk van een podium en dus van dirigenten als Willem Mengelberg. Mengelberg was niet onverdeeld enthousiast over zijn Tweede Symfonie en het is interessant om Pijper’s brief daarover aan Mengelberg te lezen;

Voorop stel ik dat ik, na al uw meningen aangehoord te hebben, nog steeds overtuigd ben dat U na een of twee repetities mijn werk volledig begrepen zoudt hebben.

Ergo; Pijper is aardig overtuigd van zichzelf en dat ademen al zijn brieven eigenlijk wel. Als hij getrouwd is met Annette Werker is hij verwikkeld in een relatie met Iet Stants en die krijgt er schriftelijk behoorlijk van langs af en toe.

Het is een rijk boek. Brieven aan Willem Mengelberg, de componist en mede-criticus Matthijs Vermeulen, de dirigent Pierre Monteux; ze geven een inkijk in het muzikale leven van die tijd. Ze laten ook vragen onbeantwoord, zoals dit deel uit de brief aan Matthijs Vermeulen over Willem Mengelberg;

Wat je schreef over Mengelberg is nieuw voor mij. Het lijkt mij niet onmogelijk, maar ik twijfel aan de waarheid van het bericht. Ik zwijg, op jouw verzoek, natuurlijk erover. Het zou waarlijk een meedogenloze consequentie van het fatum zijn…

Dat maakt mij erg nieuwsgierig. Literaire contacten heeft Pijper ook en wel met Hendrik Marsman en met Simon Vestdijk. Deze laatste deelde Pijper’s interesse voor astrologie en schreef het libretto voor voor zijn symfonisch drama Merlijn.

Zijn keuze van librettisten was niet altijd gelukkig, want voor zijn opera Halewijn had hij eerst de dichter Martinus Nijhoff benaderd. Die zou al een werk af hebben wat als basis kon dienen maar dat viel tegen. Zijn tweede vrouw Emmy Lokhorst schreef het werk van Nijhoff uiteindelijk om tot het definitieve verhaal. Dat heeft Pijper na zijn tweede scheiding nog aardig wat royalty’s gekost.

Pijper componeerde zelf maar had ook leerlingen. Die voorzag hij ook van advies in zijn brieven, zoals aan de amateurcomponist Dirk George Becker;

Ik las met aandacht uw vrouwenkoortje door. Er staan een paar fouten in. Kwestie van ‘stemvoering’. U stuurt soms alles teveel dezelfde richting uit…Een zwak punt is verder Uw melodievorming. De eerste zin van het koortje (dat is de eerste acht maten) loopt niet zo fraai. Eigenlijk zijn de lijnen van mezzo en alt daar melodisch beter dan de sopraanlijn!

Dat gaat nog even zo door en het is boeiend om de leraar zo bezig te zien. De oorlog heeft natuurlijk grote impact en Pijper was zo vooruitziend om al zijn composities in een safe op te bergen, zodat ze bewaard zijn gebleven. Al zijn geschriften zijn uiteindelijk bijeengebracht door de bezorger van dit boek, Arthur van Dijk, in het werk Het Papieren Gevaar, maar zijn ook online in te zien op de website van Dbnl.

Wat was Willem Pijper nu voor man en hoe komt hij naar voren in dit boek? Ik schreef al dat hij behoorlijk overtuigd was van zichzelf en dat blijkt. Hij wast muzikanten, zijn vrouwen en vriendinnen regelmatig de oren en was gevreesd om zijn scherpe pen. Hij gebruikte soms antisemitische taal en dat zou men niet voor hem innemen. Toch is er ook een andere kant. Hij ging ook vaak te rade bij zijn collega’s (muzikanten zowel als schrijvers) én bij zijn relaties. Hij is enthousiast in het delen van waar hij mee bezig is en in zijn initiatieven om muziek onder de mensen te brengen. Antisemitisch taalgebruik was veel voorkomend in intellectuele kringen in die tijd, Pijper hielp Joodse mensen als Sem Dresden en Henriëtte Bosmans wel degelijk in de oorlog.

Ik heb zijn muziek weer vaak beluisterd tijdens het lezen van dit boek. Niet de makkelijkste muziek, maar zeer de moeite waard vind ik. Het leukste aan dit soort boeken zijn de kleine feiten die overal opduiken. Brieven aan Pijper die niet goed geadresseerd werden en die bezorgd werden bij de (nog steeds bestaande) ijzerhandel W. Pijper aan de Oudegracht in Utrecht (maar die geen familie is). Het feit dat hij zijn eerste symfonie componeerde bij boer Jan van den Berg in Deelen. De moeder van dit gezin, Alberta Jeths, was een zus van Martinus Jeths, de grootvader van de huidige componist Willem Jeths. Het feit dat melding wordt gemaakt van Willem Andriessen, die tot directeur van het Amsterdams conservatorium wordt benoemd. Mijn exemplaar van Pijper’s boek ‘De Quintencirkel’ bevat een brief van de uitgeverij Querido aan diezelfde Andriessen om het boek te bespreken (mijn exemplaar is waarschijnlijk weer bezit geweest van de Nederlandse dirigent en organist Willem Goedhart te Gouda, zie de foto hieronder). Soms komen die dingen mooi samen.

IMG_7948 (002)

AVond-is-ongemak
Ik was benieuwd naar De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Toegegeven, daar heeft het winnen van de International Booker Prize aan meegeholpen, want het boek lag natuurlijk al even in de winkel.

Het is het verhaal van een gereformeerd boerengezin, verteld door de ogen van de tienjarige dochter Jas, dat te maken krijgt met het verlies van de oudste zoon en broer, Matthies. Hij komt om tijdens het schaatsen. Jas wilde graag met hem mee en hier werd ik meteen getroffen door Rijneveld’s taalgebruik;

Ik liep al een paar dagen op schaatsen door de boerderij, handen op de rug en beschermers om de ijzers zodat er niet teveel strepen in de vloerbedekking kwamen, want dan hoefde moeder niet met het platte mondstuk van de stofzuiger mijn verlangen naar de toer uit de vloer te halen.

Ze mag niet mee, want Matthies zegt;

‘Nee, dat kan niet,’ zei hij. En toen zachter, zodat alleen ik het kon horen: ‘Omdat we naar de overkant gaan.’

Alsof hij al aan de oever van de Styx staat. Matthies gaat dood en stort het gezin in een diepe rouw. Een rouw waarover niet gesproken wordt, maar die zich uit in allerlei andere dingen. Jas vlucht in rituelen. Zij houdt haar jas aan en verzamelt vertrouwenwekkende voorwerpen in haar zakken. De scherven van haar spaarpot, de snorharen van haar konijn Dieuwertje. Ze vangt een paar padden, bewaart ze in een emmer en weet dat als die padden gaan paren en eten, alles weer goed komt op de boerderij.

Vader en moeder lijden in stilte. De liefde lijkt weg, moeder wil zelf dood en de voedersilo keert steeds terug als optie voor haar om er af te springen. Vader is druk met de koeien en strooit waar nodig met stichtelijke bijbelteksten.

Naarmate de tijd verstrijkt wordt de sfeer steeds beklemmender. Broertje Obbe wordt steeds wreder tegenover de dieren om hen heen. Jas weigert te poepen en er wordt gezocht naar manieren om de stoelgang te bevorderen. Onverbloemd beschrijft Rijneveld hoe vader hiertoe een stuk groene zeep in haar anus duwt, wat de zaak op gang zou moeten brengen. Dat schrijven zonder gène is kenmerkend voor het hele verhaal. Het proeven van stierensperma, het voelen in koeienkonten, de ruwe randjes in dit boek zijn alom aanwezig. Het zal geen toeval zijn dat er een motto van de meester in dit genre, Jan Wolkers, voor in het boek staat.

Als de familie in hun verdriet ook nog getroffen wordt door de MKZ-crisis is de ellende wel compleet. De hele veestapel moet geruimd worden. Zo wordt de misère mooi opgebouwd in het verhaal waarbij ik het einde voor de lezer laat.

Het verhaal is uitgebreid bejubeld en heeft natuurlijk niet voor niets die belangrijke prijs gewonnen. Kan ik me dan vinden in al die loftuitingen? Voor een groot deel zeker. Ik zei al dat ik al snel getroffen werd door het taalgebruik van Rijneveld. Dat komt ook door de treffende vergelijkingen die ze gebruikt;

Moeder zuchtte: ‘Ik kan het ook nooit goed doen hè’, en ze liet haar mondhoeken hangen. Die hingen de laatste tijd continu, alsof er fruitgewichtjes aan zaten zoals aan het tafelkleed op de tuintafel.

…maar volwassenen zijn verwarrend, omdat hun hoofden als een Tetris-spelletje werken en al hun zorgen op de juiste plek moeten inparkeren.

Zo staan er veel vergelijkingen in het boek en ik word er kregelig van als deze vergezocht zijn of simpelweg onlogisch en dat is hier niet het geval, ze voegen hier iets toe en zijn mooi gevonden. Ze kunnen in een volgend boek hooguit iets meer gedoseerd worden. Dat geldt wat mij betreft niet voor de herhalingen, die vind ik juist weer sterk. Steeds weer voelen in de zakken van de jas, de dreigende dood van het konijn én van moeder, vader met zijn litanie van bijbelspreuken, dat werkt prima.

Toen ik het boek kocht dacht ik wel even ‘weer die bekende thema’s van platteland en geloof’, we hebben Jan Siebelink en Franca Treur toch al gehad, maar toen ik dit boek las verdwenen die boeken snel naar de achtergrond. Ik werd meegenomen door het verhaal en vooral door de sfeer, waarbij het helpt dat Rijneveld precies weet waarover ze het heeft; volgens mij werkt ze nog steeds af en toe op de boerderij.

unnamed
Je moet misschien een beetje gek zijn om dit boek van kaft tot kaft te lezen. The Originals van Arnold Rypens is een boek van 600 pagina’s met ruim 10.000 titels van muziekstukken. Geen afbeeldingen, alleen tekst. Titels van muziekstukken die op enig moment bekendheid genoten, maar waarvan er nog een voorloper was.

Hierbij gaat het er nadrukkelijk om dat de oorsprong van een hit wordt weergegeven. Daarbij zijn er een paar criteria, hoewel er geen sluitende grondwet is. De liedjes moeten om te beginnen ouder zijn dan algemeen wordt aangenomen. Het latere nummer is in de regel bekender dan het origineel. Louter gecoverd volstaat niet, anders zou het boek The Covers heten. Een voorbeeld is het nummer Help van The Beatles. Dat staat er niet in. Waarom? Omdat het van The Beatles is en niet ouder. Ook al is het later door Tina Turner opgenomen en op single uitgebracht. Dat nummer zou in het boek The Covers staan. With A Little Help From My Friends van diezelfde Beatles staat er wel in. Het origineel stond weliswaar op Sgt. Pepper’s, maar al snel maakte Joe Cocker er een eigen hit van, net als Sam & Dave. Dat is de nuance die wordt aangebracht, zij het op vele fronten aanvechtbaar. Het is ook de verklaring van de afbeelding op de voorkant. Manneken Pis? Jawel, maar niet uit Brussel. Zijn minder bekende, maar oudere voorganger die in Geraardsbergen staat.

Hoe begin je als schrijver met zo’n boek? Het is het resultaat van speurwerk sinds 1982 en in de laatste jaren is het internet een geweldige bron van informatie. Zo’n boek kan ook niet zonder bijbehorende website, www.originals.be. Hierop is te vinden wat ook in het boek staat en de site is dé reden waarom er geen namenindex in het boek staat. Dit boek bestaat namelijk uit louter namen; het zou een boek extra opleveren. Overigens is de inleiding geschreven in het Nederlands en Engels, de toelichtingen bij de titels zijn allemaal in het Engels.

Waarom lees je dan zo’n boek integraal door? Dat heeft alles te maken met nieuwsgierigheid, maar ook met de uitgave die volgens mij in persoonlijk beheer is gedaan. Rypens lardeert talloze titels met eigen commentaar, achtergronden en informatie, allemaal in geheel eigen stijl. Een uitgeversredactie zou hier wellicht een gedegen en zakelijk commentaar van hebben gemaakt, maar juist dit subjectieve commentaar is een feestje om te lezen. Een klein voorbeeldje uit de inleiding;

Kortom: het gaat hier om de song. Niet om de zanger, laat staan om zijn poedel, ex of neuscorrectie. Paparazzi? Die kant uit.

Nu verwacht u vast dat ik wat voorbeelden uit het boek ga geven en dat zal ik ook doen maar….waar te beginnen? Ik heb, op papier, twee A-4 volgeschreven met voorbeelden die het allerleukst zijn en ik houd ze in het boek erbij om alles zelf terug te halen, maar het is gewoonweg zo veel. Youtube en Spotify hebben overuren gedraaid hier.

Allereerst zal het geen geheim zijn dat De Nederlandse artiesten uitgebreid hebben geput uit het verleden. Marco Borsato ben ik talloze keren tegengekomen, maar ook Ben Cramer, Benny Neyman en Herman van Veen. Het leuke is dat je begint te lezen bij het origineel, zoals het nummer Agapimu. Lees je verder dan zie je dat dit bij ons een hit is geweest door Benny Neyman met Ik weet niet hoe.

Al lezend leer ik dat het Amerikaanse volkslied afstamt van een Engels drinklied. Dat de Hawaï-klassieker Aloha Oe een Kroatisch volksliedje als oorsprong heeft. Dat Love Me Tender komt van Aura Lee, een ballade uit de Burgeroorlog. Dat Strangers In The Night van Frank Sinatra toch echt komt van Beddy Bye van Bert Kaempfert. Dat La Bamba zijn oorsprong kent in de klassieke muziek uit Europa en wel in de Napolitaanse Gaillarde van Antonio Valente.

Michael Jackson heeft ook aardig wat geleend zo lijkt het, hoewel sommige claims behoorlijk betwistbaar zijn. De rechter ging niet mee in het verhaal dat Jackson in zijn hit Will You Be There gekopieerd zou hebben uit I Cigni Di Balaka van Al Bano & Romina Power. Natuurlijk niet, zou je zeggen. Toch tikte een andere rechter Jackson wel degelijk op zijn vingers voor het “stelen” van een melodie van het Belgische duo Van Passel Brothers. De melodie op een niet-gereleasde (!) demo van hun nummer If We Can Start All Over leek teveel op de melodie in Jackson’s hit You Are Not Alone. De Belgen hoefden niet uit te leggen hoe Jackson ooit bij die demo had moeten komen, het was kassa voor België.

Dit is maar een voorbeeldje van alle extra informatie die in dit boek wordt gegeven. Vaak feitelijk, maar even zo vaak met een eigen twist en dat maakt het zo leuk om te lezen. Zoals bij Maggie’s Farm van Bob Dylan. Er wordt keurig vermeld dat Dylan het origineel schreef en uitbracht, dat er covers volgden van Solomon Burke, Richie Havens, Rage Against The Machine etc., maar dan schrijft Rypens er vervolgens nog onder;

Many British cover versions during Maggie Thatcher’s reign but nobody had the reflex to cover The Platters’ Maggie Doesn’t Work Here Anymore by the time she resigned.

Er valt onnoemlijk veel meer te vertellen. Was Hotel California van The Eagles helemaal origineel of gebaseerd op We Used To Know van Jethro Tull? The Eagles stonden voor het uitbrengen van hun hit in het voorprogramma van Jethro Tull. Luister maar eens. De grote Boney M-hit Ma Baker heeft zijn oorsprong in een Tunesisch volksliedje Sidi Mansour. En passant wordt uitgelegd wie Ma Baker was, compleet met verwijzing naar The Daltons uit de strip Lucky Luke. U dacht dat de hit Dancing In The Dark van Bruce Springsteen helemaal uit de koker van The Boss zelf kwam? Welnee. Het heeft zijn oorsprong in Moody River, waar ene Big Daddy de tekst op schreef van Bruce’s hit.

In het boek staan ook talloze klassieke werken die later terugkomen in bekende hits. Zo kom je van Bach’s Erbarme Dich bij Once Upon A Time In The West van Ennio Moricone en van Symfonie nr. 3 van Brahms bij Baby Alone in Babylon van Serge Gainsbourg.

Maar ik vermaak mij het meest met de zaken die absoluut nieuw zijn voor mij en waardoor ik nog lang niet klaar ben met dit boek. Dat de beroemde gitaarsolo van Gary Moore uit Still Got The Blues uit de symfonische Krautrock van Nordrach komt. Dat Midnight Train to Georgia van Gladys Knight And The Pips eigenlijk een Midnight Plane To Houston was. Dat John Lennon’s hit Happy Xmas (War Is Over) zijn blueprint heeft in Stewball van Leadbelly. Dat het Engelse volkslied van de Franse componist Lully afstamt en door de Duitser Händel is omgewerkt naar de Engelse versie en dat bovendien het volkslied van Liechtenstein dezelfde melodie heeft.

Het is een stortvloed aan informatie, maar laat ik eindigen met één van de eigenzinnige, en dit geval best stevige, commentaren van Arnold Rypens, die het toch echt de moeite waard maakten om het boek helemaal te lezen. Dat gaat over de auteur en zanger van het nummer Pretty Girls Everywhere, Eugene Church;

After his singing career Eugene started a chain of beauty salons. In ’93 he died of AIDS, so he probably couldn’t care less about all these pretty girls everywhere anyway.