archiveren

Brieven

2e261ab3e44704c596f67476d77444341587343
Jaren terug heb ik deel 1 van Kroniek van een karakter gelezen van Jeroen Brouwers, alleen bleef deel 2 1982-1986 de oude Faust om onduidelijke redenen ongelezen in mijn kast staan. Dat is bij deze goed gemaakt en heeft het mij direct doen besluiten tot een paar nieuwe Brouwers-aankopen.

Waarom dan? Nieuwsgierigheid, eigenlijk. Ik was al fan van Brouwers en dan voornamelijk van zijn polemieken en essays. Ik heb met name genoten van zijn essaybundel De laatste deur. Kroniek van een karakter bevat een groot aantal brieven van Brouwers aan collega’s en vrienden, zoals Maarten ’t Hart, Jaap Goedegebuure, Angèle Manteau, Julien Weverbergh en Gerrit Komrij. Daarin vertelt hij over zijn worsteling met zijn grote boek De Zondvloed en over de biografische schets die hij over de dichteres Hélène Swarth wil gaan schrijven. Omdat internet nog niet bestond wordt duidelijk hoe lastig het is om feitenmateriaal te verzamelen. Een snipper hier, een fragment daar, alles dubbel controleren. Boeken schrijven gestoeld op feitenmateriaal is een proces van jaren.

Wat door het hele boek heenloopt is de gemoedstoestand van Brouwers. Bang voor mensen, zichzelf afzonderend, vaak grijpend naar de borrel en toch zijn status quo koesterend in zijn huwelijk met Josefien. Aan Angèle Manteau schrijft hij;

Hier thuis gaat alles goed. Geen oorlogen, geen beledigingen – we ‘ontzien’ elkaar en respecteren elkaar op basis van beleefdheid. Het kind is de volmaakte trait d’union. Ik voel mij oud. Ter Braak, Du Perron, Slauerhoff en Marsman waren al dood voordat ze mijn huidige leeftijd hadden bereikt, – en hebben het daardoor gemakkelijker gehad dan alle schrijvers die ook nà hun veertigste nog moesten schrijven…

Brouwers ten voeten uit. Hij koketteert zelfs met zijn gemoedstoestand door een citaat van Albert Camus te gebruiken, ‘Soms wil ik wel dood, maar vervolgens denk ik: kom, laat ik nog een kopje koffie nemen’. 

Berucht zijn Brouwers’ meningen over de Nederlandse letterkunde, die hij altijd goed weet te onderbouwen. Ook in zijn brieven neemt hij geen blad voor de mond;

Nescio?…Dat was een melancholische kantoorbediende die…vond dat hij zijn grote gevoelens tot zo klein mogelijke balletjes moest draaien om toch maar vooral niet ‘aanstellerig’ te worden gevonden…Het oeuvre van Nescio heb je in drie kwartier uit, en in diezelfde tijd heb je ook nog even boodschappen gedaan, een telefoongesprekje gevoerd, de tuin gemaaid en een neuknummer gemaakt. Het oeuvre van Boon, of van Multatuli…krijgt nooit iemand uitgelezen.

Ik houd van dit soort uitspraken en ze maken zijn boeken nog steeds erg lezenswaard voor mij. Ik ga ook snel weer aan zijn romans beginnen, waarvan ik Datumloze dagen als laatste las.

Advertenties

902958615X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ted Hughes is een Engelse dichter en schrijver van kinderboeken. Erg bekend in zijn eigen land, maar hier toch vooral bekend als de man van Sylvia Plath, de Amerikaanse dichter en schrijfster die zo tragisch aan haar einde kwam. Ik heb nog nooit iets van Hughes gelezen, dus waarom lees ik nu wel het boek Ik wil nooit vergeven worden?

Dat komt door Connie Palmen. Die heeft de roman Jij zegt het over dit echtpaar geschreven, dat enthousiaste kritieken kreeg en daar was ik benieuwd naar. Ik zag echter dat de serie Privé-domein bovenstaand boek én de dagboeken van Sylvia Plath had uitgegeven en dat leek mij mooie bagage voor ik het boek van Palmen ga lezen.

Dit is een boek van zo’n 530 pagina’s en ik heb mij geen moment verveeld. Omdat het een bloemlezing is uit duizenden brieven die hij schreef ontkom je er niet aan dat je met zevenmijlslaarzen door zijn leven heen gaat, maar dat houdt tegelijkertijd de vaart erin.

Het begint met zijn studietijd in Cambridge in 1951, waar hij Engelse literatuur en antropologie studeert. Al snel zitten we in 1956, het jaar waarin hij Sylvia Plath ontmoet én trouwt. Vermeldenswaard is de prachtig realistische beschrijving van een stierengevecht in dat jaar. Niet te citeren want veel te lang, maar iets om terug te lezen.

In deze periode kreeg ik een beetje de indruk dat Plath vooral een productief schrijfster was en dat Hughes nog zoekende was. Veel wilde ideeën om aan geld te komen (nertsen fokken bijvoorbeeld) maar er komt niets van de grond;

Sylvia geeft les. Ik doe op het moment niets – ik zit urenlang als een standbeeld van een man die schrijft, het lijkt sprekend, behalve dat na het derde of vierde uur een zweetdruppel over mijn slaap druipt. Nog nooit heb ik het zo moeilijk gevonden om te schrijven.

Toch schrijft hij en als ze naar de USA verhuizen in 1957 wint hij er zijn eerste prijs. Hughes gaat les geven aan de universiteit in Engelse literatuur en creatief schrijven. In 1960 verhuizen ze terug naar Engeland en wordt dochter Frieda geboren. Zijn werk is daar uitgegeven en hij blijkt er ineens beroemd te zijn. Daar heeft hij wel zijn bedenkingen bij;

Toetreden tot het ‘literaire leven’ betekent in feite binnengaan in een kleine, lege cel zonder ramen waarop een verblindend spotlicht is gericht, en vervolgens aan je lot worden overgelaten in de wetenschap dat miljoenen onzichtbare ogen door de muren naar je kijken. Het is namelijk helemaal geen ‘leven’.

Als in 1962 zoon Nicholas geboren wordt zijn er al spanningen in het huwelijk. Dat staat in de inleidende informatie die aan het begin van veel hoofdstukken staat en die is onontbeerlijk, want uit de brieven maak je dat niet op. Hughes leert Assia Wevill kennen en hij zou met haar een verhouding beginnen.

In 1963 pleegt Sylvia Plath zelfmoord door zich met het gas uit haar oven te verstikken. Ook hier is de informatie vooraf gewenst want als je de brieven van Hughes leest is het al gebeurd en schrijft hij het van zich af. Hij blijft Assia zien en voert ook veel correspondentie met de moeder van Sylvia. Fascinerend om te lezen hoe de verstandhouding met haar meer en meer bekoelt.

Hughes en Assia krijgen een dochter en hij krijgt een enorme dreun als Assia zich met haar dochter in 1969 op soortgelijke wijze als Sylvia Plath van het leven berooft. Toch trouwt hij in 1970 met een boerendochter, Carola, en dat huwelijk houdt stand tot zijn dood.

Hoewel hij relatief kort samen is geweest met Sylvia Plath zal dit hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Hij wordt geconfronteerd met biografen en mensen die artikelen schrijven over haar dood. Waar hij altijd gematigd van toon is in zijn brieven, gaat hij los tegen A. Alvarez, die precies meende te weten hoe het zat met haar zelfmoord;

…ik begrijp niet hoe je op het idee bent gekomen dat dit relaas nodig was. Ik zou willen weten wat voor doel je ermee denkt te dienen…Voor jou is het iets dat je hebt geschreven…voor je lezers zijn het vijf interessante minuten, maar voor ons is het eeuwigdurend dynamiet…Je koos details uit om je academische publiek te fascineren & besefte niet dat je elektroden in de hersenen van haar kinderen stak. Hoe kun jij ooit iets zeggen over pijn?

Dat zijn passages die er uitspringen. Uiteraard gaat het veel over Plath en haar nalatenschap. De samensteller Nelleke van Maaren heeft echter een mooie selectie gemaakt van brieven, waardoor er meer kanten van zijn karakter naar voren komen. Zo was het een hartstochtelijke buitenman. Hij was graag in de natuur en bracht die liefde ook over op zijn zoon, die later bioloog zou worden in Alaska. Zijn ontmoetingen met de koningin zijn boeiend om te lezen evenals zijn brieven naar zijn kinderen, vrienden en collega’s.

Een dik boek dus maar zeer de moeite waard en ik voel mij inmiddels verplicht ooit wat van Ted Hughes te gaan lezen (ik doe nooit beloftes over de termijn). Eerst ga ik door met de dagboeken van Sylvia Plath. Overigens triest om te lezen dat de zoon van Ted Hughes in 2009 in Alaska zelfmoord pleegde als gevolg van een depressie. Zijn dochter is een succesvol dichter en schilder.

Vertaling; Nelleke van Maaren

78e9b4e3c6adcbf592b70775567444341587343

Mijn leven met Mozart van Eric-Emmanuel Schmitt bestaat uit een aantal gefingeerde brieven waarin de schrijver aangeeft hoe Mozart zijn leven heeft beïnvloed. Dat leek mij een wat gekunstelde vorm maar ala, ik ben een hartstochtelijk liefhebber van (klassieke) muziek en ik kan moeilijk iets laten liggen over Mozart, wiens muziek ik torenhoog acht.

 

Die vorm valt mee en de invloed van Mozart op het leven van de schrijver is groot. Als vijftienjarige liep de auteur rond met zelfmoordplannen. De manier was al gekozen en het moment van verlossing was aanstaande. In die gemoedstoestand woonde de puber een repetitie van de opera van Lyon bij, van de opera Le Nozze di Figaro. De aria (vanaf 2:07) die hij toen hoorde veranderde alles voor hem:

 

Mijn kracht kwam terug. En de verwondering. Ja, de schoonheid, alle schoonheid van de wereld stroomde de zaal binnen en werd me aangeboden, daar, vlak voor mijn neus. Toen de sopraan zweeg, viel er een stilte die bijna even ontroerend was als het gezang, een stilte die vast en zeker nog van Mozart was…Weg wanhoop! Weg somberheid! Ik wilde leven. Als er op aarde zulke waardevolle, zulke volmaakte en zulke intense dingen bestonden, trok het leven me aan.

 

Die kan Mozart in zijn zak steken. De schrijver loopt wel eens hoogdravend weg in zijn beschrijvingen van de muziekstukken, zoals over het Et incarnatus est uit de Mis in C:

 

Het is geen stem meer, het zijn vleugels. Het is geen menselijke zucht meer, het is een harmonieuze bries die ons tussen de wolken meeneemt. Het is geen vrouw meer, het zijn alle vrouwen, de moeders, de zusters, de echtgenotes, de minnaressen.

 

Het stoort me niet. Ik lees dit soort boeken in de hoop dat ze me een geheimtip geven en die kwam. Ik heb Le Nozze di Figaro vaak gehoord, dus ook de aria van Barbarina, L’ho perduta. Schmitt schrijft hierover:

 

Hoe kun je zo snel een sfeer, een emotie oproepen? Hoe kun je zoveel in een paar seconden zeggen?…Je begrijpt onmiddellijk dat er iets verloren is gegaan. In een donkere tuin met doolhofachtige bosschages zit een verdwaald meisje met een lantaarn in haar hand, alleen in de duisternis, te snikken en te weeklagen. Wat is haar overkomen? Ze huilt om iets wat ze is kwijtgeraakt…Zolang de aria duurt, onthul je ons niet wat het is. Is het een familielid, een verloofde? Een verwachting, een illusie?

 

Het blijkt een speld…Maar Schmitt wees mij nog eens op de prachtig rondraaiende melodie die een en al droefheid uitstraalt. Kan je nagaan wat Mozart kan als het om iets meer dan een speld gaat.

 

Zo beschrijft Schmitt ook de opera Die Zauberflöte. Het is de laatste opera die hij schreef. Opvallend is dat het een verhaal is met draken, wonderlijke fantasiefiguren en sprookjesachtige decors. Aan het eind van zijn leven lijkt Mozart terug te keren naar zijn jeugd met een opera waarin de kindergeest aanwezig is. Dat is wat anders dan een kinderachtige opera of een opera voor kinderen. Mozart brengt de kindergeest tot uitdrukking in de muziek. Hij doet dat door zuinig met middelen om te gaan. Een kind kan met weinig speelgoed een hele wereld scheppen en Mozart doet dat in Die Zauberflöte ook. Herkenbare melodieën zonder oppervlakkigheid zijn hier het kenmerk en dat kunnen alleen de groten.

 

Schmitt wijst mij ook op het duet van Papageno en Pamina uit deze opera. Het is een liefdesduet, maar geen duet van geliefden. Hun hart gaat naar een ander uit maar Mozart laat hun stemmen toch samen de liefde bezingen. Ik had er nog nooit bij stilgestaan maar het is een prachtig gegeven. Ik denk niet dat dit in andere opera’s voorkomt. Kenners weten dat er nog een heel pak schitterende aria’s in deze opera zitten, gaat het vooral beluisteren.

 

Het boek wordt geleverd met een cd waarop de besproken fragmenten zijn te horen. Het boek had van mij veel langer mogen zijn omdat ik graag hoor waarom iemand een bepaald muziekstuk waardeert. Ik leer er veel van.

 

Vertaling: Eef Gratama

309ec1cb21855f6593331665767444341587343

We zijn 75 Boekenweken ver en daarom had de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (Stichting CPNB) bedacht om 75 auteurs uit te nodigen een brief aan hun jongere ik te schrijven. Het thema is immers “Opgroeien in de letteren” dus hier moet een mooi boek uit te halen zijn, zo dacht men.

Het eindresultaat is een mooi gebonden boek met de titel Titaantjes waren we: Schrijvers schrijven zichzelf.

Hieronder niet de minsten: Komrij, Campert, Hemmerechts, Mortier, A.F.Th., Van Dis, Bernlef en ga zo maar door. Arnon Grünberg heeft beleefd geweigerd:

Om te beginnen ontbreekt mij de tijd maar, belangrijker nog, ik zou niet weten wat ik anders aan mijn jongere alter ego zou kunnen schrijven dan ‘het was beter geweest als je niet was geboren’.

Slap antwoord. Als je dat al vindt maakt een beetje schrijver (en dat kan hij best) daar een goed verhaal van. Velen echter lieten zich wel inspireren, met wisselend resultaat. Als ik zo links en rechts de recensies lees vindt men vaak de brieven te lief, te aardig. Dat klopt, men is vaak coulant voor junior. Op zich heb ik daar niet zo’n moeite mee, 75 foeterpartijen gaan ook vermoeien. Toch zijn die bijdragen die hun jongere uitvoering een beetje aanpakken de interessantste. Adriaan van Dis heeft een korte bijdrage maar een boeiende (weest gewaarschuwd, het is de ontknoping van zijn kort verhaal). Hij zegt tegen de jonge Van Dis over zijn toekomst:

Maar je kan er aan ontsnappen. Pak je jas. Nu. Je duffel is de zwaarste niet?…en dan de zee in. Richting Engeland zwemmen. Je zal verdrinken. Je hele leven zal in een film aan je voorbij gaan. Een korte film in jouw geval. Wees blij. Ik ken de lange film. Niet geschikt voor kinderen onder de tien.

Ook Bart Moeyaert pakt zichzelf alsnog bij de lurven in zijn verhaal. Hij eindigt zijn sfeertekening van Zürich en Antwerpen met

Veel groeten,

Weinig Liefs,
Bart

Esther Gerritsen is ook niet mals voor Esthertje:

Het spijt me, maar ik moet het tegen je zeggen: wat moet ik met die beroerde herinneringen die jij nu voor mij maakt? Sta jij daar wel eens bij stil? Dat ik het de rest van mijn leven met die beelden moet doen, waar jij nu zo laf mee omspringt, enkel en alleen omdat jij de dagen zo pijnloos mogelijk wilt doorkomen. Denk je dat ik die foto’s koester, waar jij zo kleurloos op staat?

Kijk, dat leest lekker weg. Verder is het gewoon aardig om een kijkje in de jeugd van een aantal schrijvers te nemen. Gerrit Komrij en Edward van de Vendel komen dicht bij hun jongere ik. Edward gaat er mee op stap, hand in hand. Gerrit spreekt hem toe maar geeft aan dat ze meer dan ooit samen zijn. Beiden geven aan dat het jongetje de volwassene wat te leren heeft. Dat zijn mooie verhalen.

Geen tegenvallers dan? Mwah, het is maar wat je er in zoekt. De brief van Aaf Brandt Corstius leek op een vluchtig geschreven haastklus en ik hoor bij Leon de Winter altijd een verongelijkte toon over zijn Joodse afkomst, ook hier weer in zijn brief. Maar ieder zijn meug.

Om onnavolgbaar af te sluiten een stukje Midas Dekkers als hij Wandert (zo heette hij toen) aanspreekt:

Ik ben jou niet en jij bent niet mij. Toch zijn we dezelfde. Vergelijk het met een rups en een vlinder. Geen rups haalt het in zijn hoofd om nichterig te gaan fladderen, geen vlinder wil geloven dat hij ooit zo’n pafferig worstje was. Toch zijn ze uit elkaar voortgekomen.

Prachtig stukje uit een prettig leesbaar boek. Mooi initiatief bij deze boekenweek.