archiveren

Brieven

c106a795a22f4c8593647565577433041414141_v5
De correspondentie van Desiderius Erasmus Brieven 1-141. De kop is eraf van de twintig-delige serie van de volledige correspondentie van Erasmus en het smaakt absoluut naar meer. Dat kan, dit boek van 302 pagina’s is lang niet het dikste deel uit de serie.

De tijdspanne van de brieven is de periode 1484 – 1500. Wij worden in een voorwoord meteen even gewaarschuwd voor de stijlfiguur van de overdrijving en dat is niets teveel gezegd. Erasmus heeft talloze ‘geliefde broeders’ en de ene vriend is nog dierbaarder dan de ander. Het went snel. Het zijn geen spontane, maar weldoordachte, goed uitgewerkte en zorgvuldig geformuleerde brieven die we te lezen krijgen. Erasmus hechtte zeer aan de kunst van de retoriek en die is nu eenmaal bedoeld om mensen, op welsprekende wijze, te overtuigen iets te doen of te laten.

Is het daarmee wellicht niet een tikje saai? Welnee, ik heb zeer geboeid zitten lezen. Het helpt wel om wat voorkennis te hebben, bijvoorbeeld door het lezen van een biografie met een goede tijdtafel. Omdat het een brievenboek is, ontkom je niet aan versnipperde gebeurtenissen, het is geen vloeiend lopend verhaal. Wat hierbij prima helpt is dat, telkens als Erasmus schrijft aan een persoon, deze persoon en de context in een korte inleiding worden toegelicht. Ben je bij brief nummer zoveel even vergeten wie die persoon ook al weer was, dan staat achterin het boek nog eens een personenregister mèt beschrijving van de desbetreffende persoon. Zeer handig.

Dan de brieven zelf. Ik heb talloze aantekeningen gemaakt waaruit ik zou kunnen citeren, maar zal ten behoeve van de leesbaarheid mij trachten te beperken. Allereerst vind ik het mooi dat door zo’n boek historische figuren gaan leven. Ze maken, net als ieder ander, ook alledaagse dingen mee, zoals in het mooie verhaal wanneer Erasmus tips geeft aan het dienstmeisje om haar gewelddadige bazin van het lijf te houden;

Toen ze vroeg wat ik haar dan aanraadde zei ik; ‘Wanneer zij je weer aanvalt, trek je haar dadelijk haar pruik af…en als je dat gedaan hebt, vlieg je haar in de haren.’ Ik meende dat wat ik voor de grap zei, ook als grap zou worden beschouwd.

Dat liep wat anders maar hij komt er mee weg. Het is aanvankelijk even wennen aan de stijl van die tijd en wanneer het ernst is of scherts. Soms denk je dat Erasmus aardig van leer trekt tegen zijn vrienden;

Ik heb al sinds lang mijn pijlen gepunt, mijn spiesen gereedgemaakt; ik zal je een uitdaging tot de strijd sturen die zuurder is dan welke azijn ook en daarna rest je niets anders dan een balk te zoeken om je op te hangen…

Dat gaat nog even zo door tot hij aangeeft genoeg geschertst te hebben. Uiteraard zijn er ook veel brieven bij die gaan over zijn vak, de theologie en het humanisme. Zo is er een belangrijke en interessante briefwisseling met John Colet (1467 – 1519), de humanist en deken van de St. Paul’s in Londen. Hij verschilt met Colet van mening over de uitspraken van Jezus aan het kruis, waarin Jezus vraagt de kelk aan hem voorbij te laten gaan, maar dat niet zijn wil, maar God’s wil geschiedde. Colet ziet hierin het verdriet van Jezus om het Joodse lot, waarin de Joden verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Jezus. Erasmus ziet hierin een menselijke angst voor de dood, maar ook het besef van de noodzaak daarvan. Hij beziet dit van alle kanten legt het Colet uit;

Niemand – hoe levenslustig ook – verlangde zozeer te leven als Hij verlangde te sterven…Hoe rijm je dat, zeg je, vurig de dood te wensen en die tegelijk te vrezen? Eenzelfde ziel kan heel goed in de verschillende organen verschillende gevoelens hebben, vooral bij Christus….Daar waar de ziel van Jezus het dichtst bij de lichamelijke zintuigen was, ervoer hij smartelijke gevoelens; daar waar hij het dichtst stond bij zijn goddelijke natuur, verlangde hij met een onuitsprekelijke vreugde.

Het is uitermate boeiend om Erasmus zijn denkbeelden zelf uit te horen leggen aan een ander. Aan de andere kant is het net zo leuk om een beeld te krijgen van het alledaagse leven in de Renaissance. Erasmus reist veel en dat is niet ongevaarlijk in die tijd. Hij schrijft over een hachelijk avontuur op weg naar Parijs, waarin hij verwachtte beroofd te worden in een herberg;

Intussen zitten wij als twee offerdieren te wachten op de offeraar…Even later treedt die brave kerel binnen alsof hij van de prins geen kwaad weet; ik sla de man nauwlettend gade. Hoe scherper ik hem bekijk, hoe duidelijker ik zie dat ik met een rover te doen heb.

De brieven leveren een veelheid aan onderwerpen op. Erasmus kent zijn klassieken en strooit met citaten uit de literatuur van de grote schrijvers uit het verleden. Die worden toegelicht in noten die, en wat een verademing is dat, onderaan de pagina staan, wat dus een hoop geblader scheelt. Die noten zijn van belang, omdat we nu vaak niet meer snappen wat er bedoeld wordt;

“Jij bent jaloers op hem, denk ik, omdat jij begonnen bent Mercurius en Janus te vereren in plaats van Apollo en de negen zusters.”

Daar kan je overheen lezen, maar in een noot wordt uitgelegd dat Mercurius de god van de handel is en Janus van de beginnende ondernemingen. De zusters van Apollo zijn de muzen. Erasmus bedoelt dus: “omdat jij kiest voor de commercie in plaats van de kunst.”

Het zijn 141 brieven, van Erasmus en aan Erasmus geschreven, soms door Erasmus geschreven voor een vriend aan iemand anders, maar er staan ook brieven in die niet aan of van Erasmus zijn. Uiteraard gaan die brieven wel over hem en zo krijg je, ondanks een versnippering van onderwerpen toch een goed beeld van de man in zijn tijd. Gelukkig kan ik met 19 delen nog even vooruit.

Vertaling; M.J. Steens

9029540427.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Minnebrieven aan Maarten van Elsbeth Etty is een boekje van 142 pagina’s over Maarten ’t Hart en zijn oeuvre. Geen biografie, waar hij eerst voor vreesde;

Ik heb het altijd een reuze akelige gedachte gevonden dat ooit iemand een biografie over mij zou schrijven. Maar het is, als je zelf zo graag biografieën leest…tamelijk hypocriet om voor jezelf een uitzondering te willen maken.

Maar zo ver zijn we dus nog niet Etty hoopt met dit boek bij te dragen aan het doorgronden van het werk, de persoonlijkheid en de literaire betekenis van Maarten ’t Hart. Daartoe heeft ze zijn complete oeuvre opnieuw gelezen. Ze heeft geen uitputtende interviews opgelegd aan ’t Hart, maar mocht hem alle vragen voorleggen die ze wilde en hij zou antwoorden, daarbij in ogenschouw nemend zijn eerdere bekentenis dat hij liegt in interviews;

Uit ‘behoefte aan het behoud van eigen herinneringen en een eigen geschiedenis, waar niemand iets van weet’, verklaarde hij geneigd te zijn ‘de waarheid te verhullen, juist in die gevallen waarin de vragen nogal schaamteloos zijn…’

Allereerst gaat Etty met ’t Hart terug naar zijn geboorteplaats Maassluis. Omdat het werk van ’t Hart vol zit met autobiografische elementen, komt hier al een thema als pedofilie aan bod. Dat speelt een rol in zijn werk en is aan zijn eigen leven ontleend. Zijn jeugd, opleiding en diensttijd verwerkt hij allemaal in zijn verhalen. Waar Etty aanvankelijk dacht dat hij homoseksuele gevoelens had, ondanks zijn huwelijk, blijkt hij hier juist de metafoor te hebben gebruikt voor het verlaten van zijn geloof. Een noodzaak, om zijn nog levende ouders niet te veel te schokken. Homoseksualiteit was erg, het verlaten van het geloof nog veel erger.

Een kleine eye-opener was het wel het feit hoezeer de Holocaust van invloed geweest is op zijn werk. Natuurlijk kom je het tegen, maar het wordt je niet zo in het gezicht gedrukt als bij een Mulisch of een Hermans.

’t Hart wordt een bekende Nederlander en hij schroomt niet stelling te nemen of zijn werk als wraakoefening te gebruiken. Als hij een pand in Amsterdam koopt en gedoe als huisbaas heeft met een onwillige betaler, dan komt dit in zijn werk terecht. Ook zijn verliefdheid op zijn Zweedse vertaalster verwerkt hij in een boek. Dat zijn geen zaken waar zijn vrouw Hanneke vrolijk van wordt, net als zijn verlangen naar travestie. Dat ging wat verder dan wat vrolijke aandachtvragerij. ’t Hart heeft daadwerkelijk bijeenkomsten bezocht om deze neiging aan te pakken.

Zo gaat Etty diagonaal door zijn oeuvre heen en eindigt bij ’t Hart als de vrolijke provocateur. Hij heeft zich de woede van feministisch Nederland op de hals gehaald door zijn essays en besprekingen in De vrouw bestaat niet. Tegen Etty zegt hij dat hij spijt had van zijn opmerking dat de feministische voorvechtster Joke Smit “Führerneigingen” had. Tegen feminisme was hij echter geenszins;

Zou ik het feminisme echt verafschuwen, zoals ik popmuziek verafschuw, dan zou ik er geen moment aan denken het te bestrijden.

Natuurlijk komt zijn geloofsafval aan bod, want daarin provoceert hij als geen ander. Zijn Bijbelkennis is fenomenaal en hij heeft een trekje dat erg opvalt in zijn boeken; hij nam als kind al alles letterlijk en doet dat nog steeds. Dat verklaart alles in zijn boek Wie God verlaat heeft niets te vrezen, maar ook in zijn talloze andere boeken.

Naast de Bijbel moet tenslotte ook Multatuli het ontgelden. Na het winnen van de Multatuli-prijs in 1975, kamde hij deze schrijver net zo makkelijk af in een vrolijke pastische, dat achteraf een meedogenloos zelfportret bleek te zijn. Het NRC Handelsblad had daar weinig gevoel voor en organiseerde een discussie tussen Rudy Kousbroek en ’t Hart, waar Multatuli-adept Kousbroek van een koude kermis thuiskwam. ’t Hart had namelijk alles van Multatuli gelezen en sloeg Kousbroek met panklare citaten uit zijn gehele werk om de oren.

Dat is wat ik bewonder in het werk van Maarten ’t Hart. Zijn enorme kennis op het gebied van literatuur en muziek en zijn vermogen om hier zeer toegankelijke fictie en non-fictie van te maken. Etty geeft dat ook weer in dit boekje, wat een aardige opmaat is voor een definitieve biografie, hoewel die gerust nog een tijd uit mag blijven. Het is wel aan te raden dit boekje te lezen na het lezen van het werk van ’t Hart, er zitten aardig wat spoilers in.

1001004002416832
Aart J. Leemhuis bezorgde dit mooi uitgevoerde boek met een keuze uit de briefwisseling tussen Goethe en Schiller. Het bleek een mooie invulling op mijn laatst gelezen boek over hun vriendschap. Daar werd de verhouding tussen beide mannen beschreven en hier geven ze daar in hun brieven persoonlijk invulling aan.

Goethe en Schiller komen uit hun brieven in verschillende hoedanigheden naar voren. We zien Goethe bijvoorbeeld als provinciaal te midden van de grote-stedelingen in Frankfurt en als wetenschapper aan de universiteiten van Jena en Tübingen. Hij analyseert kunstwerken en profileert zich als onderzoeker van mineralen, insecten, planten en het licht. Schiller zien we vaak als kluizenaar tegen wil en dank. Zijn steeds slechter wordende gezondheid is een issue en hij is veel thuis, maar dat levert wel een aantal zeer uitgebreide brieven op waarin hij werk van Goethe analyseert en becommentarieert.

Zo geeft Schiller een uitgebreid commentaar op Goethe’s Wilhelm Meisters Lehrjahre, zoals over het in zijn ogen vreemde gedrag van de hoofdpersoon na de dood van Mignon;

Ook al zou de natuur u in dat geval geheel gelijk geven ik twijfel er aan of u dat ook zult behouden tegenover de gevoelvolle eisen van de lezer, en daarom zou ik u willen aanraden, om de opname van een op zich zo prachtig voorbereide en uitgevoerde gebeurtenis bij de lezer door niets te verstoren – daar enigszins rekening mee te houden.

Overigens vind ik dit geen mooi lopende zin, maar zo staat het vertaald. Goethe zou Schiller’s commentaar vaak ter harte nemen. Overigens helpt het wel als je een beetje op de hoogte bent van de werken van beide heren. Het is geen must, maar de herkenning is des te groter natuurlijk.

De polemische Xenien komen uitgebreid aan bod, waarin vooral ‘de keeshond van Giebichenstein’ het moet ontgelden. Dat gaat dan om de componist Johann Friedrich Reichardt;

De keeshond van Giebichenstein moeten wij nu een tijdje laten blaffen, totdat wij hem er weer eens goed van langs geven.

De brieven geven een aardig inzicht in belangrijke werken van Goethe en Schiller. Zo ken ik de prachtige ballade van Schiller Die Kraniche des Ibykus ofwel De Kraanvogels van IbykusIn een brief geeft Goethe suggesties voor deze ballade en ook die vinden deels navolging;

Die Kraniche des Ibykus vind ik zeer goed gelukt…enkele opmerkingen: 1. De kraanvogels zouden als trekvogels één zwerm moeten vormen die zowel over Ibykus als over het theater vliegen, zij komen als een natuurverschijnsel en plaatsen zich zo naast de zon…2. Dan zou ik na het 14e vers waarin de Erinnyen zich hebben teruggetrokken, nog een vers inlassen om de gemoedsgesteldheid van het volk te schetsen…

Het is informatie uit de eerste hand en daar houd ik erg van. Dat gezegd hebben is dit een boek waar je wel de tijd voor dient te nemen. De 390 pagina’s vallen wel mee, maar er zit een zeer uitgebreid notenapparaat achter waardoor je voortdurend aan het bladeren bent. Dat loont wel de moeite, want de noten voegen veel toe. Goethe zegt bijvoorbeeld in een brief;

Zodra ik uit Jena wegga zal ik meteen in beslag genomen worden door een andere polariteit die mij dan weer enige tijd in de ban houdt. 

Dat kan je voor kennisgeving aannemen maar in de noten staat toegelicht dat “polariteit”  een toespeling is op de magnetische experimenten die zij hadden uitgevoerd, én slaat op de polariteit in hun karakters. Zo staan de brieven vol verwijzingen naar zaken die wij niet per se kunnen weten maar die allemaal worden toegelicht.

Als je je een beetje verdiept in de werken en levens van beide heren is dit een boek waar alles samenkomt. Hun werken vooral, maar ook hun huiselijke beslommeringen, hun gezondheid en de onvermijdelijk menselijke trekjes die ons dichter bij zulke grootheden brengen. Goethe had zichzelf als wetenschapper bijvoorbeeld erg hoog zitten en was trots op zijn Farbenlehre, zijn studie over kleur, waarin hij tegen de (tegenwoordig geaccepteerde) leer van Isaac Newton in ging. Hij kan het niet laten om een venijnig epigram over Newton en de rooms-katholieke kerk te schrijven (waar hij ook weinig mee op had) en zo dalen de groten der aarde gelukkig ook af en toe neer;

Wat een verheven gedachte! De onsterfelijke meester leert ons de straal die wij slechts als een geheel kennen, kunstmatig splijten. Dat is een paapse inval! want de kerk splijt haar God al lang in drieën, zoals gij het licht in zevenen.

Vertaling; Aart J. Leemhuis

9789057597473
Brieven van belang van Shaun Usher  is de internationale versie van het eerder besproken boek P.S. van Jet Steinz. Het boek bevat 125 brieven, gebaseerd op de website www.lettersofnote.com, een soort online brievenmuseum, opgericht door Usher.

Het is een groot boek wat niet makkelijk in de hand ligt, maar waardoor de brieven, die voor het merendeel als facsimile zijn afgedrukt, wel mooi tot hun recht komen. Ik heb de vertaalde versie gelezen, en ik weet niet of dit de beste keuze was. Zo wordt een ijzingwekkend briefje van Jack the Ripper (of iemand die beweerde dat hij dat was) in verhaspeld Nederlands weergegeven (“als u effe gedult heb“). Dan lijkt me een integrale weergave in het Engels zuiverder.

Verder staan niet alle brieven als facsimile afgedrukt en soms is dat jammer. Zo had ik graag de brief gezien die Louis Armstrong schreef aan een marinier in Vietnam die hij niet kende. Hij doorspekte zijn brief met talloze hoofdletters, apostrofs, streepjes en onderstrepingen, op plaatsen waar je ze niet zou verwachten. Zo’n brief schreeuwt erom om afgedrukt te worden, maar die ontbreekt nu net.

Daar houdt de kritiek dan ook wel op. Het boek is verder een schatkist aan verrassende brieven. Wat te denken van de sollicitatiebrief voor het Amerikaanse leger van de neef van Hitler? Of een briefje van de 24-jarige Fidel Castro aan president Franklin D. Roosevelt? Andersom schreven Amerikaanse presidenten ook wel eens terug. Lincoln was niet te beroerd om een negenjarig meisje terug te schrijven over zijn bakkebaarden.

Het is mooi om te grasduinen door al die verschillende brieven. Soms zijn het geen brieven, zoals de standaard voorgedrukte verontschuldiging uit China voor het gedrag na een teveel aan drankgebruik. Of de krabbels van John F. Kennedy in de bast van een kokosnoot waarmee hij om hulp vraagt na het zinken van zijn torpedoboot.

De mooiste brieven zijn degenen die je niet verwacht. De brief van Ernst Stuhlinger aan zuster Mary Jucunda is ronduit indrukwekkend. Stuhlinger is wetenschapsdirecteur van het Marshall Space Flight Center van de NASA. Zuster Jucunda werkt in Zambia en zij schreef hem met de vraag of de miljoenen voor een bemande reis naar Mars niet beter besteed konden worden aan de bestrijding van armoede. Stuhlinger maakt zich er niet van af en legt in een lange brief uit waarom dat geld gerechtvaardigd is.

Een ander juweel is de brief van de oom van tekenfilmregisseur Chuck Jones. Die oom Lynn stuurde een hartverwarmende brief aan Chuck en zijn broers en zussen na het overlijden van hun hond Teddy. Een lang fragment, maar de brief is nog veel langer;

Lieve Peggy en Dorothy en Chuck en Dick,

Gisteravond werd ik gebeld. ‘Spreek ik met oom Lynn? ‘ vroeg een stem.
‘Jazeker,’ zei ik. ‘Ik heet Lynn Martin. Ben jij een of ander onbekend neefje?’
‘Ik ben Teddy.’ Hij klonk nogal ongeduldig. ‘Teddy Jones, Teddy Jones de hond…ik bel interlokaal.’
‘Pardon,’ zei ik. ‘Ik wil niet onbeleefd klinken, maar ik heb je nooit eerder horen praten – alleen blaffen of janken tegen de maan.’
‘Moet jij nodig zeggen,’ snoof Teddy, met de ongeduldigste snuif die ik ooit had gehoord. ‘Luister eens, het lijkt erop dat Peggy en Dorothy en Chuck en Dick het moeilijk hebben omdat ze denken dat ik dood ben.’ Aarzeling. ‘Nou ja, dat ben ik eigenlijk ook.’
Ik moet toegeven dat het een nieuwe en bovendien onverwachte ervaring voor me was om een hond te horen toegeven dat hij dood was. ‘Als je dood bent,’ vroeg ik, onzeker over hoe je nu precies tegen een dode hond moest praten, ‘waarom bel je me dan op?’ Weer viel er een geïrriteerde stilte. Het was duidelijk dat hij bijna zijn geduld verloor.
‘Omdat,’ zei hij, met de grootste zelfbeheersing die ik ooit in een hondenstem heb gehoord. “Omdat kinderen, wanneer je leeft, zelfs als ze niet precies weten waar je bent, wel weten dat je ergens bent. Dus ik wil ze graag laten weten dat ik misschien wel min of meer dood ben, maar dat ik nog steeds ergens ben.’

Als ik weer door het boek blader dan blijf ik lezen. In de verbijsterende brief van Mark Chapman, John Lennon’s moordenaar. Hij vraagt aan een memorabilia-expert wat zijn door Lennon voor zijn moord gesigneerde album zou kunnen opbrengen. In de prachtige brief van Ronald Reagan aan zijn zoon, in de vergeefse brief van een gedeserteerde soldaat die Eisenhower om genade smeekt voor zijn executie. In de brief van Einstein, die een negenjarig meisje antwoord geeft op de vraag of wetenschappers bidden. In de brief van architect Frank Lloyd Wright die niet te beroerd is om een hondenhok voor Eddie de labrador-retriever te ontwerpen. Een boek om te herlezen dus.

Vertaling; Lidwien Biekmann en Tracey Drost-Plegt

9200000101990343
P.S. van Jet Steinz heeft als ondertitel Van liefdespost tot hatemail: de 150 opmerkelijkste Nederlandse brieven. In dit boek brengt Steinz 150 Nederlandse (maar niet per se in het Nederlands geschreven) brieven samen van bekende en onbekende personen. Brieven die op één of andere manier getuigen van een historische gebeurtenis of typerend zijn voor een bepaalde tijdsgeest. Soms hebben ze een rel veroorzaakt of zijn ze gewoon grappig of ontroerend.

Het is geen wetenschappelijk boek maar er zijn wel bepaalde criteria toegepast. “Nederlands” was door de eeuwen heen een veranderend begrip, dus het gaat om brieven van inwoners van een gebied dat op dat moment bij (een vorm van) Nederland hoorde. Wel een brief dus van Maeyken Wens (inwoner van wat nu België is) maar toen inwoner van de Habsburgse Nederlanden en dus geen brief van de Vlaamse Willem Elsschot.

De brieven moesten ook origineel zijn overgeleverd want het mooie van dit boek is dat alle brieven als facsimile zijn afgedrukt. Verder mochten afzenders en geadresseerden maar één keer voorkomen. Desondanks lijkt het mij een immens karwei om te kiezen uit al die overgeleverde brieven.

Om die keuze wat te stroomlijnen heeft Steinz gekozen voor een thema-indeling. Zeepost, dreigbrieven, smeekbrieven, fanmail, liefdesbrieven, dankbrieven, brieven met raad enzovoort. Er zijn maar liefst dertig thema’s.

Dat resulteert in een boek dat ik maar moeilijk kon wegleggen. Je stuit al snel op een briefkaart, geschreven aan boord van de Titanic. Dan een uitgebreide brief van arts, dichter en schrijver Slauerhoff en een handgeschreven briefje uit 1753 van een vijfjarige Willem V. Dan zit je pas op pagina 35 van de 529.

Ik ben door een aantal brieven verrast. De brief van de uit Indië gerepatrieerde Tjalie Robinson aan schrijfster Maria Dermoût bijvoorbeeld, die hij als boegbeeld zag van de Indische gemeenschap maar die rol te weinig pakte in zijn ogen. Robinson loopt helemaal leeg in een getypte brief van vier kantjes;

En moeten wij soms het sprookje geloven dat onze kinderen hier in Holland zullen slagen? Néén. De Hollander is incompetent, onvolledig, beperkt. Niet omdat hij inferieur is, maar omdat zijn deur niet open staat naar de tropen…Als ik denk aan al het talent dat in drie en een halve eeuw is weggesmeten, ik huil, ik kan niet slapen. Als ik denk aan het talent dat alsnog weggesmeten zal worden, dan word ik hels.

Een andere verrassing was de brief van oud-premier Colijn, geschreven tijdens de Lombok-oorlog in 1894 aan zijn vrouw. Schokkend om te lezen dat hij vrouwen en kinderen liet executeren en dat heel matter-of-fact in zijn brief zet. Ook een brief die niet voor publicatie bedoeld was, van de PvdA-er Gerard Nederhorst aan zijn partijgenoten kende ik niet en was explosief materiaal. Het ging over het voorgenomen huwelijk van Beatrix met Claus. Daarin meldt hij;

En hiermee komen we op de persoon-Von Amsberg. Eerlijk gezegd maak ik mij persoonlijk veel meer zorgen over kroonprinses Beatrix, wier eigenzinnigheid krachtig in toom zal moeten worden gehouden…

Ze zullen er nu hopelijk om kunnen lachen maar het was een ding midden jaren zestig. Verder zijn de voorbeelden legio van brieven die je wil lezen. De reactie van Harry Mulisch op de schorsing door de bibliotheek, fanmail aan de popgroep Doe Maar, een brief van de beul van Cornelis de Witt aan diens weduwe, het briljante kleine briefje over de verwerving van Manhattan door de Nederlanders, de afwijzing van Jasperina de Jong door Wim Kan, de slechte excuusbrief van Joran van der Sloot aan de media, het advies van het jongetje Arjan Bogaard aan Joop den Uyl hoe om te gaan met de Molukse treinkapers, de sollicitatiebrief van Baantjer bij de politie. Teveel om op te noemen.

Onherroepelijk zijn de afscheidsbrieven het meest schrijnend. Of juist de brieven van mensen die niet wisten dat het hun laatste brief was, zoals die van de in Afghanistan gelegerde Mark Schouwink. Of weer juist die brieven die qua inhoud wellicht niet aanspreken, maar wel hoe ze overgeleverd zijn, zoals de brief aan Ayaan Hirsi Ali, achtergelaten op de vermoorde cineast Theo van Gogh.

Om wat vrolijker te eindigen, ik moest lachen om de brief van de firma Jamin aan acteur Albert Mol. Die had op het hoogtepunt van zijn roem beweerd dat, als hij in zijn blote kont ging staan met een bonbon in zijn hand, hij zo een ton van Jamin kon krijgen. Ik ga niet weggeven hoe Jamin reageerde, maar dat zouden meer bedrijven moeten doen.

Zoals gezegd lijkt het me een klus om te kiezen uit zoveel brieven en wellicht komt er nog een keer een vervolg. Het idee is niet helemaal nieuw want in 2014 kwam Letters of Note uit van Shaun Usher. Dat is de internationale pendant van dit boek, waarvan ik de Nederlandse vertaling net in huis heb, Brieven van belang.

Waar ik altijd wel foutjes in boeken ontdek heb ik die nu eerlijk gezegd niet gezien. Even veerde ik op bij een emigrantenbrief uit Toronto, Australië. Toronto ligt natuurlijk in Canada… Tot ik las dat de brief eerst naar Toronto in Canada gestuurd was, terwijl er toch duidelijk Toronto in Australië op stond. Ik leer steeds weer bij.

ef68f89843b5754597969435277444341587343
Braziliaanse brieven is het vierde boek dat ik van August Willemsen las en het is veruit het beste boek. Hij beschrijft er in briefvorm de vier studiereizen die hij naar Brazilië maakte en doet dat uitermate treffend.

De eerste reis maakt hij met Mieke, zijn vrouw. Je hebt direct het gevoel dat je met ze meeloopt door het drukke São Paulo als ze op zoek zijn naar een huis:

We sjouwen een paar dagen door de stad, deze bloedhete, monsterachtig grote, te snel gegroeide, in opbouw en afbraak verkerende, krankzinnig drukke, smerige, stoffige, toeterende, verstopte stad met onbegaanbare trottoirs, we slepen ons door een labyrint van met despotische paperassenkoelies bevolkte makelaarskantoren, tot ons een gevoel van machteloosheid overvalt dat ik tot nu toe slechts kende uit nachtmerries…

De drukte, de sfeer en de eindeloze bureaucratie zijn thema’s die vaker terugkomen. Willemsen maakt het zo bont dat hij een dag lang op een douanebeambte gaat staan wachten tot deze het zelf zat wordt. Een prachtig verhaal.

De auteur is onder meer in Brazilië voor zijn studie Portugees en om onderzoek te doen naar schrijvers als Graciliano Ramos. Daarvoor reist hij de binnenlanden in en ook dat levert mooie verhaalstof op:

Bovendien blijft het natuurlijk altijd de vraag of het bezoeken van die plaatsen iets toevoegt aan wat Graciliano erover heeft geschreven, terwijl ik weet dat ik toch te schijterig en te hooghartig ben om oude overlevenden in de herfst van hun bestaan te komen lastigvallen met vragen over een twintig jaar geleden gestorven dorpsgenoot waar ze nog de pest aan hadden ook omdat hij altijd de beste van de klas was.

Hij schrijft af en toe lange zinnen maar dat stoorde mij niet. Hij gebruikt vaak bijzinnetjes die de zin lang maken maar ook luchtig, zoals de burenruzie die hij verwerkt in een verhaal in één van zijn brieven;

…over Lenie en Lia en het Belgische stel (boven beginnen ze weer, ik vang iets op over doodgaan en vermoorden, als het maar niet lekt)

Hij maakt nog vervolgreizen met Noor, zijn vriendin en met zijn dochter Roos. Ik zou talloze citaten kunnen geven maar ga vooral zelf het boek lezen. Het gaat over kolonialen met dienstmeiden waar hij een mening over heeft, tot hij zelf ineens in die positie komt. Het gaat over een hilarische kerstavond, over literaire bijeenkomsten, over al het ongedierte en het stof en om de drukte. Die alom aanwezige drukte, waardoor hij de Bijlmer als een oase van rust kan zien. Hij heeft een haat/liefde-verhouding met het land en hij vraagt het zichzelf af aan het eind van het boek;

Dus nogmaals: houd ik van Brazilië?…ik kom er steeds weer terug. En de vraag of ik dat ook zou doen als ik, er geen werk had, is helemaal geen moeilijke vraag: om er werk te hebben, heb ik kennelijk, en al lang geleden, dit land gekozen.

9029589795.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen van August Willemsen moest gelezen worden, omdat ik Vrienden, vreemden, vrouwen van hem had gelezen. De reden is dat daarin ene Marian voorkomt, waarmee Willemsen toch een wat eigenaardige relatie had. Ik kon althans weinig hoogte van haar krijgen, zeker met betrekking tot die vroege jaren van dat eerste boek.

Willemsen twijfelt zelf ook over zijn relatie tot haar maar ze zal een vriendin voor het leven blijken, want tot zijn dood voeren ze een correspondentie. Dit boek biedt volgens de informatie de volledige correspondentie, hoewel het mij dan niet veel lijkt over vijftig jaar. Met 300 pagina’s biedt het interessant leesvoer, maar heb ik niet het gevoel dat ik Marian Plug veel beter heb leren kennen.

Dat is deels het manco van een brievenboek. Ook al worden de brieven na verloop van tijd langer en langer en schuiven we op in de tijd, het blijft toch een beetje een fragmentarisch geheel. Wat het zeker wel biedt, is een completer beeld van het leven van beide auteurs dan ik al had. Er zijn brieven bij uit Brazilië en uit Australië van Willemsen en van Plug (1937) leer ik over haar werk als kunstschilder. Ik weet niet zeker of ze nog actief is, want haar website is op dit moment uit de lucht.

Dan die twijfel. Willemsen denkt soms verliefd op Marian te zijn, zeker in zijn jonge jaren, maar spreekt het ook tegen. Ze zoeken elkaar vaak op en gaan samen op vakantie. In de loop der jaren blijken beiden in hun vak harde werkers te zijn met een grote productie. Maarten Asscher zegt in zijn voorwoord;

Het is misschien wel die geconcentreerde toewijding, gekoppeld aan een wederzijdse trouw aan hun eerste gedeelde ervaringen op een ontvankelijke leeftijd in Frankrijk, Spanje en Portugal, die August Willemsen en Marian Plug in deze briefwisseling met elkaar verbindt.

Een aantal fragmenten komen bekend voor uit het vorige boek, maar als de brieven langer worden en later in de tijd, worden ze interessanter ook. Ook het stuk uit een literaire avond in Amersfoort is erg de moeite waard. Willemsen legt hierin uitgebreid uit waar hij tegenaan loopt bij de vertaling van een gedicht uit het Portugees van João Cabral de Melo Neto, compleet met voorbeelden. Een kijkje in de keuken van de meester;

Al na de eerste schets heb ik ‘zonnedraden’ veranderd in ‘zondraden’. ‘Fios de sol is draden van zon’, alsof het materiaal was. Had er gestaan ‘fios do sol’ dan was het ‘draden van de zon’ geweest. Dat is hier het verschil, naar mijn gevoel. Zonnedraden, als zonnestralen, zijn draden van ‘de’ zon. Moet je zo pietluttig zijn? Ja, dat moet.

Zo leer ik meer van Willemsen dan van Plug uit dit boek, maar de rode draad, en dat moet ook, is hun aparte relatie. Dat licht Willemsen nog eens toe in een verhaal in het literaire tijdschrift Maatstaf;

We waren, inderdaad, een beetje trots op onze ‘abnormale’ omgang; er kwám een beetje hoogmoed bij, een beetje Schöngeisterei. Veel later, als we er wel eens op terugkwamen, allebei gewassen door de wateren die over Gods akker lopen, verklaarde ook Marian dat ze niet begreep hoe ze dat toen had gekund en mij had kunnen ‘aandoen’.

Dat laatste verwijst weer naar een vreemd steekincident met een klein schaartje. Al met al staat er genoeg stof in het boek om uit te kijken naar wat meer werk. Ik ben al begonnen.

2e261ab3e44704c596f67476d77444341587343
Jaren terug heb ik deel 1 van Kroniek van een karakter gelezen van Jeroen Brouwers, alleen bleef deel 2 1982-1986 de oude Faust om onduidelijke redenen ongelezen in mijn kast staan. Dat is bij deze goed gemaakt en heeft het mij direct doen besluiten tot een paar nieuwe Brouwers-aankopen.

Waarom dan? Nieuwsgierigheid, eigenlijk. Ik was al fan van Brouwers en dan voornamelijk van zijn polemieken en essays. Ik heb met name genoten van zijn essaybundel De laatste deur. Kroniek van een karakter bevat een groot aantal brieven van Brouwers aan collega’s en vrienden, zoals Maarten ’t Hart, Jaap Goedegebuure, Angèle Manteau, Julien Weverbergh en Gerrit Komrij. Daarin vertelt hij over zijn worsteling met zijn grote boek De Zondvloed en over de biografische schets die hij over de dichteres Hélène Swarth wil gaan schrijven. Omdat internet nog niet bestond wordt duidelijk hoe lastig het is om feitenmateriaal te verzamelen. Een snipper hier, een fragment daar, alles dubbel controleren. Boeken schrijven gestoeld op feitenmateriaal is een proces van jaren.

Wat door het hele boek heenloopt is de gemoedstoestand van Brouwers. Bang voor mensen, zichzelf afzonderend, vaak grijpend naar de borrel en toch zijn status quo koesterend in zijn huwelijk met Josefien. Aan Angèle Manteau schrijft hij;

Hier thuis gaat alles goed. Geen oorlogen, geen beledigingen – we ‘ontzien’ elkaar en respecteren elkaar op basis van beleefdheid. Het kind is de volmaakte trait d’union. Ik voel mij oud. Ter Braak, Du Perron, Slauerhoff en Marsman waren al dood voordat ze mijn huidige leeftijd hadden bereikt, – en hebben het daardoor gemakkelijker gehad dan alle schrijvers die ook nà hun veertigste nog moesten schrijven…

Brouwers ten voeten uit. Hij koketteert zelfs met zijn gemoedstoestand door een citaat van Albert Camus te gebruiken, ‘Soms wil ik wel dood, maar vervolgens denk ik: kom, laat ik nog een kopje koffie nemen’. 

Berucht zijn Brouwers’ meningen over de Nederlandse letterkunde, die hij altijd goed weet te onderbouwen. Ook in zijn brieven neemt hij geen blad voor de mond;

Nescio?…Dat was een melancholische kantoorbediende die…vond dat hij zijn grote gevoelens tot zo klein mogelijke balletjes moest draaien om toch maar vooral niet ‘aanstellerig’ te worden gevonden…Het oeuvre van Nescio heb je in drie kwartier uit, en in diezelfde tijd heb je ook nog even boodschappen gedaan, een telefoongesprekje gevoerd, de tuin gemaaid en een neuknummer gemaakt. Het oeuvre van Boon, of van Multatuli…krijgt nooit iemand uitgelezen.

Ik houd van dit soort uitspraken en ze maken zijn boeken nog steeds erg lezenswaard voor mij. Ik ga ook snel weer aan zijn romans beginnen, waarvan ik Datumloze dagen als laatste las.

902958615X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ted Hughes is een Engelse dichter en schrijver van kinderboeken. Erg bekend in zijn eigen land, maar hier toch vooral bekend als de man van Sylvia Plath, de Amerikaanse dichter en schrijfster die zo tragisch aan haar einde kwam. Ik heb nog nooit iets van Hughes gelezen, dus waarom lees ik nu wel het boek Ik wil nooit vergeven worden?

Dat komt door Connie Palmen. Die heeft de roman Jij zegt het over dit echtpaar geschreven, dat enthousiaste kritieken kreeg en daar was ik benieuwd naar. Ik zag echter dat de serie Privé-domein bovenstaand boek én de dagboeken van Sylvia Plath had uitgegeven en dat leek mij mooie bagage voor ik het boek van Palmen ga lezen.

Dit is een boek van zo’n 530 pagina’s en ik heb mij geen moment verveeld. Omdat het een bloemlezing is uit duizenden brieven die hij schreef ontkom je er niet aan dat je met zevenmijlslaarzen door zijn leven heen gaat, maar dat houdt tegelijkertijd de vaart erin.

Het begint met zijn studietijd in Cambridge in 1951, waar hij Engelse literatuur en antropologie studeert. Al snel zitten we in 1956, het jaar waarin hij Sylvia Plath ontmoet én trouwt. Vermeldenswaard is de prachtig realistische beschrijving van een stierengevecht in dat jaar. Niet te citeren want veel te lang, maar iets om terug te lezen.

In deze periode kreeg ik een beetje de indruk dat Plath vooral een productief schrijfster was en dat Hughes nog zoekende was. Veel wilde ideeën om aan geld te komen (nertsen fokken bijvoorbeeld) maar er komt niets van de grond;

Sylvia geeft les. Ik doe op het moment niets – ik zit urenlang als een standbeeld van een man die schrijft, het lijkt sprekend, behalve dat na het derde of vierde uur een zweetdruppel over mijn slaap druipt. Nog nooit heb ik het zo moeilijk gevonden om te schrijven.

Toch schrijft hij en als ze naar de USA verhuizen in 1957 wint hij er zijn eerste prijs. Hughes gaat les geven aan de universiteit in Engelse literatuur en creatief schrijven. In 1960 verhuizen ze terug naar Engeland en wordt dochter Frieda geboren. Zijn werk is daar uitgegeven en hij blijkt er ineens beroemd te zijn. Daar heeft hij wel zijn bedenkingen bij;

Toetreden tot het ‘literaire leven’ betekent in feite binnengaan in een kleine, lege cel zonder ramen waarop een verblindend spotlicht is gericht, en vervolgens aan je lot worden overgelaten in de wetenschap dat miljoenen onzichtbare ogen door de muren naar je kijken. Het is namelijk helemaal geen ‘leven’.

Als in 1962 zoon Nicholas geboren wordt zijn er al spanningen in het huwelijk. Dat staat in de inleidende informatie die aan het begin van veel hoofdstukken staat en die is onontbeerlijk, want uit de brieven maak je dat niet op. Hughes leert Assia Wevill kennen en hij zou met haar een verhouding beginnen.

In 1963 pleegt Sylvia Plath zelfmoord door zich met het gas uit haar oven te verstikken. Ook hier is de informatie vooraf gewenst want als je de brieven van Hughes leest is het al gebeurd en schrijft hij het van zich af. Hij blijft Assia zien en voert ook veel correspondentie met de moeder van Sylvia. Fascinerend om te lezen hoe de verstandhouding met haar meer en meer bekoelt.

Hughes en Assia krijgen een dochter en hij krijgt een enorme dreun als Assia zich met haar dochter in 1969 op soortgelijke wijze als Sylvia Plath van het leven berooft. Toch trouwt hij in 1970 met een boerendochter, Carola, en dat huwelijk houdt stand tot zijn dood.

Hoewel hij relatief kort samen is geweest met Sylvia Plath zal dit hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Hij wordt geconfronteerd met biografen en mensen die artikelen schrijven over haar dood. Waar hij altijd gematigd van toon is in zijn brieven, gaat hij los tegen A. Alvarez, die precies meende te weten hoe het zat met haar zelfmoord;

…ik begrijp niet hoe je op het idee bent gekomen dat dit relaas nodig was. Ik zou willen weten wat voor doel je ermee denkt te dienen…Voor jou is het iets dat je hebt geschreven…voor je lezers zijn het vijf interessante minuten, maar voor ons is het eeuwigdurend dynamiet…Je koos details uit om je academische publiek te fascineren & besefte niet dat je elektroden in de hersenen van haar kinderen stak. Hoe kun jij ooit iets zeggen over pijn?

Dat zijn passages die er uitspringen. Uiteraard gaat het veel over Plath en haar nalatenschap. De samensteller Nelleke van Maaren heeft echter een mooie selectie gemaakt van brieven, waardoor er meer kanten van zijn karakter naar voren komen. Zo was het een hartstochtelijke buitenman. Hij was graag in de natuur en bracht die liefde ook over op zijn zoon, die later bioloog zou worden in Alaska. Zijn ontmoetingen met de koningin zijn boeiend om te lezen evenals zijn brieven naar zijn kinderen, vrienden en collega’s.

Een dik boek dus maar zeer de moeite waard en ik voel mij inmiddels verplicht ooit wat van Ted Hughes te gaan lezen (ik doe nooit beloftes over de termijn). Eerst ga ik door met de dagboeken van Sylvia Plath. Overigens triest om te lezen dat de zoon van Ted Hughes in 2009 in Alaska zelfmoord pleegde als gevolg van een depressie. Zijn dochter is een succesvol dichter en schilder.

Vertaling; Nelleke van Maaren

78e9b4e3c6adcbf592b70775567444341587343

Mijn leven met Mozart van Eric-Emmanuel Schmitt bestaat uit een aantal gefingeerde brieven waarin de schrijver aangeeft hoe Mozart zijn leven heeft beïnvloed. Dat leek mij een wat gekunstelde vorm maar ala, ik ben een hartstochtelijk liefhebber van (klassieke) muziek en ik kan moeilijk iets laten liggen over Mozart, wiens muziek ik torenhoog acht.

 

Die vorm valt mee en de invloed van Mozart op het leven van de schrijver is groot. Als vijftienjarige liep de auteur rond met zelfmoordplannen. De manier was al gekozen en het moment van verlossing was aanstaande. In die gemoedstoestand woonde de puber een repetitie van de opera van Lyon bij, van de opera Le Nozze di Figaro. De aria (vanaf 2:07) die hij toen hoorde veranderde alles voor hem:

 

Mijn kracht kwam terug. En de verwondering. Ja, de schoonheid, alle schoonheid van de wereld stroomde de zaal binnen en werd me aangeboden, daar, vlak voor mijn neus. Toen de sopraan zweeg, viel er een stilte die bijna even ontroerend was als het gezang, een stilte die vast en zeker nog van Mozart was…Weg wanhoop! Weg somberheid! Ik wilde leven. Als er op aarde zulke waardevolle, zulke volmaakte en zulke intense dingen bestonden, trok het leven me aan.

 

Die kan Mozart in zijn zak steken. De schrijver loopt wel eens hoogdravend weg in zijn beschrijvingen van de muziekstukken, zoals over het Et incarnatus est uit de Mis in C:

 

Het is geen stem meer, het zijn vleugels. Het is geen menselijke zucht meer, het is een harmonieuze bries die ons tussen de wolken meeneemt. Het is geen vrouw meer, het zijn alle vrouwen, de moeders, de zusters, de echtgenotes, de minnaressen.

 

Het stoort me niet. Ik lees dit soort boeken in de hoop dat ze me een geheimtip geven en die kwam. Ik heb Le Nozze di Figaro vaak gehoord, dus ook de aria van Barbarina, L’ho perduta. Schmitt schrijft hierover:

 

Hoe kun je zo snel een sfeer, een emotie oproepen? Hoe kun je zoveel in een paar seconden zeggen?…Je begrijpt onmiddellijk dat er iets verloren is gegaan. In een donkere tuin met doolhofachtige bosschages zit een verdwaald meisje met een lantaarn in haar hand, alleen in de duisternis, te snikken en te weeklagen. Wat is haar overkomen? Ze huilt om iets wat ze is kwijtgeraakt…Zolang de aria duurt, onthul je ons niet wat het is. Is het een familielid, een verloofde? Een verwachting, een illusie?

 

Het blijkt een speld…Maar Schmitt wees mij nog eens op de prachtig rondraaiende melodie die een en al droefheid uitstraalt. Kan je nagaan wat Mozart kan als het om iets meer dan een speld gaat.

 

Zo beschrijft Schmitt ook de opera Die Zauberflöte. Het is de laatste opera die hij schreef. Opvallend is dat het een verhaal is met draken, wonderlijke fantasiefiguren en sprookjesachtige decors. Aan het eind van zijn leven lijkt Mozart terug te keren naar zijn jeugd met een opera waarin de kindergeest aanwezig is. Dat is wat anders dan een kinderachtige opera of een opera voor kinderen. Mozart brengt de kindergeest tot uitdrukking in de muziek. Hij doet dat door zuinig met middelen om te gaan. Een kind kan met weinig speelgoed een hele wereld scheppen en Mozart doet dat in Die Zauberflöte ook. Herkenbare melodieën zonder oppervlakkigheid zijn hier het kenmerk en dat kunnen alleen de groten.

 

Schmitt wijst mij ook op het duet van Papageno en Pamina uit deze opera. Het is een liefdesduet, maar geen duet van geliefden. Hun hart gaat naar een ander uit maar Mozart laat hun stemmen toch samen de liefde bezingen. Ik had er nog nooit bij stilgestaan maar het is een prachtig gegeven. Ik denk niet dat dit in andere opera’s voorkomt. Kenners weten dat er nog een heel pak schitterende aria’s in deze opera zitten, gaat het vooral beluisteren.

 

Het boek wordt geleverd met een cd waarop de besproken fragmenten zijn te horen. Het boek had van mij veel langer mogen zijn omdat ik graag hoor waarom iemand een bepaald muziekstuk waardeert. Ik leer er veel van.

 

Vertaling: Eef Gratama