archiveren

Jazzmuziek

32339a56d6a0b3059716b5a7651444341587343_v5
De muziek van saxofonist, violist, trompettist en componist Ornette Coleman staat niet bekend als de makkelijkste muziek maar vind ik wel zeer de moeite waard. Ik koester zijn elpee The Shape Of Jazz To Come en ik weet wel iets over de man maar wilde toch graag deze biografie lezen met de ondertitel The Territory And The Adventure. De auteur is Maria Golia en zij was manager van één van de eerste progressievere muzieklocaties in de Verenigde Staten, de Caravan of Dreams in Fort Worth, Texas, de geboortestad van Coleman. We gaan het er nog over hebben.

Net zoals bij andere biografieën hoef ik niet zijn levensverhaal hier na te vertellen, daar leest u het boek zelf maar voor. Ik wil wat dieper ingaan op wat Coleman voor de muziek en de jazz in het bijzonder betekend heeft. Van saxofonist Charlie Parker heb ik dat al eens getracht te duiden, maar de auteur brengt het als volgt;

If jazz were een aircraft, the New Orleans trumpeter Louis Armstrong winged it over the Atlantic, saxophonist Charlie Parker shattered the sound barrier, and Ornette Coleman achieved escape velocity, forging a breakaway art appropriate to the Space Age, often referred to as “free jazz”.

Dat is nogal wat en het begon in Fort Worth, toen Coleman erachter kwam dat hij de saxofoon en de muziek iets anders hanteerde dan anderen. Hij speelde de bekende jazz-standard Stardust met een band in een club en als hij aan zijn solo wil beginnen voelt hij ineens dat het anders moet;

I was dragged because I could hear all these other notes I could play to the [chord] changes of Stardust. The people were out there just slow dragging…so I just started playing all the things I could think of to the changes without touching the melody. And then a guy hollered out, “Get on the melody, get on the melody!” And then I realized…I was already playing the melody [from the outside] and this guy didn’t know it.

Het is een manier van spelen die hem onderscheidt van de anderen maar die niet altijd serieus werd genomen, ook niet door beroemde collega’s uit het vak. Saxofonist Dexter Gordon, drummer Max Roach en trompettist Clifford Brown namen hem in de maling, helemaal toen hij met een plastic saxofoon aan kwam zetten die hij bespeelde. Verder ging hij zich kleden in opvallende pakken én werd hij vegetariër en dat pastte niet in het toenmalige beeld van een jazzmuzikant.

Toch deed hij geen concessies en er waren ook mensen die wèl in hem geloofden, zoals saxofonist Sonny Rollins. Hij kreeg zelfs een platencontract en bleef in clubs optreden hoewel dat niet altijd een succes was, zoals bij de Hillcrest Club;

Ornette’s first decent gig in Los Angeles lasted less than a month before the Hillcrest’s owner “realized he could no longer afford having an atomb bomb go off in his club every night.”

Toch wint de aanhouder en naast spelen gaat hij ook componeren en wel een strijkkwartet. Hij trekt zich ook even terug van het podium om viool en trompet te leren spelen. Ook gaat hij naar Europa waar hij een zeer succesvolle tournee beleeft. Hij zou er onder meer optreden met Yoko Ono en hij legt zich steeds meer toe op andere vormen van kunst. Overal ziet en hoort hij muziek in. Hij vindt medestanders en dat leidt uiteindelijk tot de oprichting van een progressief muziekcentrum in Fort Worth, zijn geboorteplaats. De oprichters haalden hun inspiratie uit het transcendentalisme, surrealisme, de ‘beat dichters’, het Tibetaans boeddhisme, de werken van Brecht, Artaud, Burroughs en nog heel veel andere bronnen. Coleman speelt op de opening van het centrum, waar een levensgrote muurschildering de grote jazzmuzikanten van die tijd weergeeft en waar een grote geodetische koepel op het dak staat.

Coleman pakt ook in zijn muziek meer uit en schrijft een stuk voor symfonie-orkest én zijn nieuw opgerichte band Prime Time. Het stuk heet Skies of America en de dirigent moest ook even wennen;

I got the score and no one knew what to do with it. The notation was not accurate, rhythmically. I was familiar with some of [Ornette’s] recordings and having known Ornette I had an idea of what he was doing…the concert ended up being very successful, which was kind of magic.

Het is een voorbeeld van iemand die volstrekt zijn eigen weg gaat en soms niet wordt begrepen, maar soms de mensen mee krijgt en dan toch veel succes heeft. Ook zijn buitenlandse reizen beïnvloeden hem en met name zijn reis naar Marokko. Alles verwerkt hij in zijn muziek. Hij verwacht ook het nodige van zijn bandleden. Hij wil niet dat ze spelen wat hij speelt, hij wil verrast worden. Hij zei ooit tegen gitarist Kenny Wessel;

“You’re playing roadmaps,…I don’t want you to play what you know, I want you to play what you don’t know.”

Gelooft u mij, daar komt de meest spannende muziek van. Gelukkig heeft Coleman ruimschoots de erkenning gekregen voor zijn kunst. Hij stierf in 2015 en mocht 85 jaar worden. De Caravan of Dreams? Het is inmiddels een steakhouse; tijden veranderen, zong een andere artiest al eens.

9b46b4abd36c4e65968506f6777444341587343_v5
Lady Sings The Blues is het levensverhaal van jazz-zangeres Billie Holiday (1915-1959), geholpen door goede vriend en co-auteur William Dufty. Dit lijkt op een autobiografie en in grote lijnen is het dat ook, maar er zijn een paar kanttekeningen te maken.

Het is geen dik boek, zo’n 230 pagina’s, en er zijn door de auteur best wat zaken weggelaten. Uiteraard vertel je in je autobiografie alleen dat wat je kwijt wil. Het verhaal is grotendeels anecdotisch en er staan best wat onjuistheden in. Niet zoveel als in de autobiografie van Charles Mingus, maar ze zijn er wel en dat wordt toegelicht in het voorwoord. Toch is het de moeite waard om te lezen. In grote lijnen klopt het verhaal en tussen de regels door krijg je mee dat Holiday geen makkelijk leven heeft geleid.

Dat begon al in haar jeugd. Haar ouders waren zelf nog kinderen toen Billie werd geboren. Omdat haar ouders veel werkten groeide ze op bij haar nicht die haar niet moest. Ze deed boodschappen voor de prostituees in het lokale bordeel, waar ze met de muziek van Louis Armstrong en Bessie Smith in aanraking kwam. Zelf kreeg ze te maken met seksueel geweld en werd ze op jonge leeftijd verkracht.

Toen ze in New York bij haar moeder ging wonen werkte ze zelf als prostituee. Daar vertelt ze in het boek vrij nuchter over. Ze prefereerde het boven het schrobben van de stoepjes van de rijke New Yorkers. In New York begint ze ook met zingen en haar stem valt op. Zozeer zelfs dat ze een plaat mag maken met de beroemde klarinettist Benny Goodman. Ze heeft succes in clubs als The Apollo, maar haar leven kent ook een schaduwkant. Al op jonge leeftijd rookte Holiday marihuana en ze raakt verslaafd aan zwaardere middelen als opium en heroïne. Ook was ze een zware drinker.

Ze treedt op met Count Basie en leert saxofonist Lester Young kennen. Ook gaat ze op tournee met bandleider Artie Shaw en dat was nogal een ding in die tijd. Racisme was overal aanwezig en de band van Shaw bestond uit blanke muzikanten. Gedoe verzekerd, zoals bleek toen een hoteleigenaar Billie Holiday zag die daar zou optreden;

Naturally, the first thing he saw was me. And the first thing he said, was, “What’s that nigger doing there! I don’t have niggers to clean up around here.” Artie tried to tell him I was his vocalist, but he wasn’t listening. He wasn’t saying anything but “nigger.”

Dit soort fragmenten komen door het hele verhaal voor en zijn tekenend voor waar ze mee te maken had. Haar verslaving hielp haar ook niet. Ze werd regelmatig opgepakt en heeft ervoor in de gevangenis gezeten. Het wordt allemaal onverbloemd verteld. Die vertelstijl is wel verfrissend en er zit genoeg humor in. Zo vertelt ze over haar ‘werk’;

“If I had to sing ‘Doggie in the Window,’ that would actually be work. But singing songs like “The Man I Love” or “Porgy” is no more work than sitting down and eating roast duck, and I love roast duck.”

Of, over de arbeidsomstandigheden voor muzikanten in New York;

“You can be up to your boobies in white satin, with gardenias in your hair and no sugar cane for miles, but you can still be working on a plantation.”

Toch heeft het ook een bittere ondertoon want Holiday heeft het zwaar gehad. Ze had relaties, maar geen gelukkige. Ze liet zich vaak bedonderen, verdiende geld maar raakte het net zo makkelijk weer kwijt, vaak aan louche figuren die het beste met haar voor leken te hebben. In het boek haalt ze de dood van haar moeder aan op 38-jarige leeftijd, en geeft meteen aan zelf hoogstens de veertig jaar te halen.

Ze is gebonden aan contracten en moet blijven optreden. Ze gaat ook naar Europa en heeft daar veel succes. Wat opvalt is, en dat lees ik ook in andere biografieën van jazzmuzikanten die naar Europa gaan, dat het Europese publiek enthousiaster en met meer respect reageert dan het publiek in de Verenigde Staten.

Het is een verhaal dat veel over haar jeugd vertelt, over het racisme en haar optredens, maar weinig weggeeft over haar kunst zelf. De talloze liedjes die ze vertolkte en over de muzikanten waarmee ze samenwerkte komen te weinig voorbij. Daar moet ik wellicht nog eens een goede biografie voor lezen. Ze stierf dus jong als gevolg van haar drank- en drugsgebruik. Een waarschuwing staat er nog wel in;

But maybe some of the kids who wouldn’t be caught taking advice from a judge will listen to me. I sure hope so. Dope never helped anybody sing better, or play music better, or do anything better. Take it from Lady Day. She took enough of it to know. If anybody ever tries to tell you that, you ask him if they think they know something about dope that Lady Day don’t know.

Achterin het boek staat een handzame discografie voor wie zich in haar muziek wil verdiepen. Dat begint met de elpee die ik zelf in huis heb, Lady In Satin. Opgenomen in 1958, het jaar voor haar dood. Niet de grootse stem die ze ooit had, maar met de strijkers erachter die ze zo lang wilde hebben en met een doorleefdheid die je zelden hoort. Sommigen vinden het luisteren naar iemand die de dood al ziet aankomen en misschien is dat zo, maar het is prachtige muziek en je kunt er niet omheen. Toch is haar vroegere werk ook een must en ik heb er veel van beluisterd. Speciale vermelding verdient haar ‘signature song’ Strange Fruit, haar aanklacht tegen racisme dat ze talloze malen zong. Verdiept u zich eens in die muziek, het loont de moeite.

0807071250.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Lester Leaps In van Douglas Henry Daniels gaat over The Life And Times Of Lester “Pres” Young. Als u geen jazzkenner bent is dat een hoop informatie die u geen steek verder brengt, maar ik licht het even toe. Lester Young (1909-1959) was een invloedrijke tenorsaxofonist die de bjnaam “Pres” verkreeg als in ‘president van de tenorsaxofonisten’. Lester Leaps in is een compositie van bandleider Count Basie ter ere van hem. Maar misschien moeten we Lester Young introduceren door de tekst op de achterkant van dit boek;

Lester Young was jazz’s first hipster. He performed in sunglasses and coined and popularized phrases like “that’s cool” and “you dig?”. He always wore a suit and his trademark porkpie hat. He influenced everyone from Charlie Parker to Stan Getz to Allen Ginsberg and Miles Davis, creating a lyrical style of playing that forever changed the sound of music.

Daarin klinkt het belang van deze muzikant door en daarom wilde ik dit boek van 387 pagina’s over hem lezen. De auteur is professor in “Black Studies and History” aan de Universiteit van Californië. Hij schrijft niet alleen een biografie maar zet deze ook in de tijd waarin Lester Young leeft. Young komt uit het zuiden van de Verenigde Staten waarin racisme nog volop aanwezig is en waar Young in zijn leven volop tegen ageert.

Maar dan de muziek. De kennis en kunde doet hij op van zijn vader, een rondtrekkende muzikant bij wie hij in de leer gaat. Hij gaat mee op tournee en leert verschillende instrumenten bespelen. De saxofoon wordt zijn favoriete instrument. Uiteindelijk verlaat hij het zuiden en verhuist naar het noorden. Daar gaat hij spelen in de beroemde band van Count Basie. Zijn bijnaam “Pres” heeft hij dan al, hoewel de jazz-zangeres Billie Holiday later claimt dat zij die naam aan hem gaf.

Dit is ook de tijd dat hij zich een kledingstijl gaat aanmeten, een pak en zijn kenmerkende hoed. Hij bedient zich van ‘slang’, een soort eigen jargon en begint met marihuana. Belangrijker is dat hij in zijn spel ook een geheel eigen stijl ontwikkelt. Die verschilt van de andere tenorheld van die tijd, Coleman Hawkins. Het is niet makkelijk dat verschil te duiden. Hawkins heeft ongeveer de tenorsaxofoon als solo-instrument in de jazz uitgevonden en Young heeft dat voortgezet, maar op zijn eigen manier. Tenorsaxofonist Paul Quinichette zei daarover;

“most of these guys…all sounded like Coleman Hawkins, playing out of their bellies…[They] got this heavy, muddy sound…[whereas Young’s sound was] up in the air…light, and airy, and flexible.

Dizzy Gillespie noemde het geluid van Lester Young weer etherisch. U begrijpt, u moet het zelf gaan beluisteren. Dat kan door bijvoorbeeld door zijn opnames te beluisteren uit de Aladdin Studio, die ‘Alladin Recordings’ staan integraal op Youtube en Spotify en worden door de Penguin Jazz Guide als referentieopname genoemd van Young uit de jaren veertig.

Wat niet onvermeld mag blijven is de militaire dienst van Young. Hij kon, zoals veel van zijn collega’s wel, niet onder die diensttijd uitkomen en hij heeft het daar heel moeilijk gehad. Door racisme, maar ook omdat hij gepakt werd met verdovende middelen (alcohol en marihuana) en hij kreeg een jaar celstraf. Hij werd er vernederd en mishandeld en werd oneervol ontslagen uit dienst. Hij schreef er ‘D.B. Blues’ over, waar D.B. staat voor ‘Detention Barracks’.

Eenmaal uit dienst kon hij weer optreden. Hij heeft veel opgetreden met zangeres Billie Holiday en ze werden erg goede vrienden. Dat is ook een tijd minder geweest en dat is het enige dat mist in dit boek. Het is niet duidelijk waarom ze langere tijd niet meer samen hebben opgetreden. Er bestaat wel een onvergetelijk fragment waarin ze weer voor het eerst samen optreden met nog een stel andere grootheden, maar waarin Young met zijn saxofoon-solo direct tot Billie Holiday lijkt te spreken en zij precies lijkt te begrijpen wat hij bedoelt. Zoekt u eens op Youtube naar “Fine and mellow Billie Holiday with Coleman Hawkins Lester Young” en kijkt u even vanaf 2;01 tot 2;38. Het is een van de grote momenten uit de jazz.

Lester Young wordt niet oud, hij heeft door drankgebruik zijn gezondheid ondermijnd. Zijn nalatenschap is wel groot. Ik heb erg veel van zijn muziek beluisterd en ik snap door dit boek beter wat zijn belang was voor de jazzmuziek. Je moet even langs zijn excentrieke gedrag kijken, zijn muziek vertelt het verhaal. Overigens had dat gedrag wel een reden. Zo verklaarde trompettist Harrry Edison in 1994 nog

You have to remember that Lester came from the south. All that strange jive talk and the eccentric behavior, those were mechanisms for survival. No one’s going to beat on you if you’re simple-minded, so act simple-minded. Some white man is always listening to you in case you’re hatching something, so talk in a way no white man can understand. That’s the key to Lester.

0816665478.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
To Be, or Not…to Bop is de illustere titel van de autobiografie van jazztrompettist Dizzy Gillespie. Hij vertelt zelf zijn levensverhaal en dat is met wat hulp opgetekend van zijn vriend en professor Afro-Amerikaanse Studies Al Fraser.

Het boek telt ruim 500 pagina’s en het leest makkelijk weg. Dat komt door de vertelkunst van Gillespie zelf, maar ook door de talloze verhalen van personen en artiesten om hem heen. Die verlenen een grote meerwaarde aan het boek, want gebeurtenissen worden vanuit verschillend perspectief verteld en Gillespie wordt ook tegengesproken als dat zo uitkomt.

John Birks wordt in 1917 geboren in een klein plaatsje Cheraw in South Carolina. Hij blijkt uitzonderlijk muzikaal getalenteerd en weet alles op een trompet na te spelen. Dat zorgt ervoor dat hij op highschool in een schoolband belandt en daarna in Philadelphia bij ‘echte’ orkesten auditie doet. Daar doet hij zijn bijnaam ‘Dizzy’ op; ‘That little dizzy cat’s from down South’

Uiteindelijk belandt hij in de band van Cab Calloway (u weet wel, Minnie the Moocher ofwel Hi-de-hi-de-hi-de-ho). Hoe hij daar weer vertrekt is een mooier verhaal; hij krijgt knallende ruzie met Calloway en steekt hem uiteindelijk in zijn dijbeen. De verhalen worden verteld door Dizzy zelf, door Cab Calloway én door bassist Milton Hinton, de enige die het over een steekpartij heeft.

Dizzy ontmoet altsaxofonist Charlie Parker en er is meteen een verwantschap. Dizzy heeft een eigen stijl ontwikkeld en herkent dat in die van Parker. Ze spelen allebei snel en het zijn alleskunners, waarbij Parker het op gevoel doet en uit creativiteit. Dizzy heeft dat ook maar kan het ook nog eens muzikaal onderbouwen, hij is de technische virtuoos. Samen leggen ze de basis voor de bebop en luiden ze het swing-tijdperk uit.

Zijn talent beperkt zich niet tot de trompet alleen. Hij kan zijn ideeën toelichten op de piano en als een drummer niet begrijpt wat hij bedoelt, neemt hij zelf achter het drumstel plaats en doet hij het voor. Drummer Stan Levey zegt;

“As a drummer, the thing I learned from him…is that the drums are also a ‘musical’ instrument…He was the only guy that took the drums outta the straight ‘clunk…clunck…clunck…,’ or whatever the hell we were doing in those days, into a more musical situation where you really had something to say in relation to him and Charlie Parker…”

Dizzy speelt in verschillende bands, formeert ook zijn eigen groep en maakt reizen naar Europa. Charlie Parker maakt aanvankelijk deel uit van zijn band maar als deze herhaaldelijk niet op komt dagen vanwege zijn drugsgebruik wordt hij toch door Dizzy ontslagen. Uiteindelijk wordt Dizzy zelfs verzocht om als muzikale ambassadeur voor de Verenigde Staten naar Afrika, het Midden-Oosten en Azië te reizen. Dat levert een aantal smakelijke verhalen op over avonturen in Pakistan en Turkije, iets met slangen en riksja’s; gaat u het vooral lezen.

Al die verhalen vormen de grote aantrekkingskracht van het boek. Zo vertelt trombonist Jesse Tarrant over de keer dat er geen muziek was bij een optreden in San Fransisco, alles moest uit het hoofd;

So Diz was standing there kidding us, ‘Well, this is gonna separate the men from the boys.’ He was so happy about it, and everybody else was all sweating and nervous. He seemed to relax us. That night was the best the band had ever sounded. He said, ‘I think I’ll keep the music away from you!’…It was funny to him. I was gonna crack up, cause I knew I was gonna catch hell trying to remember the music, but it all fit right in.

Nu kent u Dizzy Gillespie wellicht van zijn karakteristieke bolle wangen en zijn trompet die in een hoek de hoogte in steekt. Ook aan die kenmerken zijn hoofdstukken gewijd. Vooral die trompet is een mooi verhaal. Comedian James “Stump” Cross leunde ooit met een borrel teveel op een beetje raar tegen de trompet van Dizzy waardoor het uiteinde niet brak maar verboog. Dizzy merkte dat hij er toch nog op kon spelen en de toon beviel hem zelfs zo zeer, dat hij trompetten liet maken met die vorm.

Dan is er het verhaal dat de politie een inval deed tijdens een concert waar Dizzy optrad met Charlie Parker, Lester Young, Willie Smith, Illinois Jacquet en Ella Fitzgerald. Dizzy, Young en Jacquet waren aan het dobbelen toen ze even niet op moesten treden, Ella at een taartje en toen viel de politie binnen en iedereen moest mee naar het bureau vanwege illegaal gokken. Omdat ze weer moesten optreden ging het allemaal erg snel. Dizzy;

They asked everybody their names, and I told them my name was “Louis Armstrong”. I acted pretty smart.

Armstrong was trouwens geen grote fan van de nieuwe bebop-beweging maar was wel een goede vriend van Dizzy. Op zijn beurt had Dizzy weer geen problemen met de nieuwe stijl ‘cool jazz’, waar Miles Davis de frontman van was. Dizzy zag dat als een natuurlijke vooruitgang en als een stroming die voortkomt uit de bebop, net zoals de bebop voortkomt uit de swing van Louis Armstrong. Het is mooi dat met het lezen van al die biografieën en die andere boeken over jazz de contouren van dat muzikale landschap steeds duidelijker worden.

Dizzy heeft daar een grote rol in gespeeld. Hij is niet ten onder gegaan aan drank en drugs zoals zoveel van zijn collega’s en zijn gelukkige huwelijk met de oud-danseres Lorraine heeft daar een grote rol in gespeeld. Toch hoeft hij volgens eigen zeggen niet direct als een groot trompettist herinnerd te worden;

That’s the way I would like to be remembered, as a humanitarian, because it must be something besides music that has kept me here when all of my colleagues are dead…So maybe my role in music is just a stepping-stone to a higher role. The highest role is the role in the service of humanity, and if I can make that, then I’ll be happy. When I breathe the last time, it’ll be a happy breath.

047208643X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Na de interviews met jazz-saxofonist John Coltrane gelezen te hebben en een uitgebreid standaardwerk over hem te hebben gelezen was het nu tijd voor een biografie over hem. John Coltrane His Life and Legacy van Lewis Porter is een degelijke biografie die zijn leven en muziek volgens de regels der kunst behandelt, maar een kanttekening is wel op zijn plaats en daar kom ik nog op terug.

Lezers van mijn blog weten dat ik gek ben op triviale feitjes en dat begint al met de herkomst van de naam Coltrane. Die is van Schotse origine en het is waarschijnlijk dat de achternaam van John Coltrane afstamt van een Schotse slavenhouder. De zangeres Chi Coltrane (u weet wel, van de hit Go Like Elijah) is ook van Schotse afkomst dus dat vond ik een mooie link.

Het lezen van deze biografie moet mij dichter bij de muziek van Coltrane brengen en dat is wel gelukt. Ik lees dat hij oefent. Heel veel oefent. Op jonge leeftijd als hij met de saxofoon begint, maar hij blijft dat zijn leven lang volhouden; hij vindt dat hij minstens vier uur per dag moet oefenen, maar zeker later komt hij daar maar moeilijk toe. In zijn jongere jaren oefent hij veel meer, bijna de hele dag door. Zijn grote inspiratiebronnen zijn altsaxofonist Charlie Parker en trompettist Dizzy Gillespie.

Hij komt, zoals veel muzikanten, in aanraking met alcohol en drugs en die verslavingen gaan hem al snel in de weg zitten. Hij speelt met pianist Thelonious Monk en trompettist Miles Davis maar wordt door Davis ook ontslagen vanwege drugsgebruik. Als hij weer door Davis in genade wordt aangenomen gaat hij naar Europa en treedt onder meer op in Parijs. Daar wordt zijn optreden niet door iedereen gepruimd. Hij speelt lange solo’s die afwijken van het gedistingeerde geluid van Miles Davis. Zoekt u eens op Youtube naar ‘Miles Davis with John Coltrane in Paris’ en luister vanaf 1;10;59, het publiek is niet onverdeeld enthousiast.

Toch laat Coltrane zich niet uit het veld slaan en richt een kwartet op. Dat wordt soms een kwintet als hij saxofonist, fluitist en klarinettist Eric Dolphy erbij kan krijgen. Hij wordt ook beïnvloed door andere culturen en door wereldmuziek, maar ook door avant-garde musici zoals saxofonist Ornette Coleman. Coltrane over de Indiase sitar-speler Ravi Shankar;

I like Ravi Shankar very much. When I hear his music, I want to copy it – not note for note of course, but in his spirit.

Hij heeft hem ontmoet en zelfs zijn zoon naar hem vernoemd. Maar Coltrane haalde overal inspiratie vandaan. Schotse muziek, Afrikaanse muziek of de Engelse standard Greensleeves, hij kon het allemaal gebruiken. Luister eens naar het album Olé, één van mijn favorieten. Spaanse invloeden en natuurlijk schatplichtig aan Sketches of Spain van Miles Davis.

Het gaat mij om de ontwikkeling van een artiest als Coltrane en dat komt gelukkig terug in dit boek. Zijn eerste albums zijn prima te beluisteren voor iedereen, maar zijn latere muziek wordt al lastiger. Porter beschrijft dit als volgt;

His lines are not “tunes” in the usual sense – there is no long hummable phrase that comes out of Coltrane’s playing, and people who are looking for that had to be frustrated. But if one could go along with him and get involved in his concentrated and focused discipline of improvisation, and get involved with the powerful energy and passion of the whole group at each moment, it is…like no other experience in jazz.

En die volg ik wel. Ik houd van ‘ouderwetse’ jazz, mooie ballads met volgbare melodieëen, maar ik houd ook erg van jazz die de randen opzoekt. Waar geen melodie meer is maar alleen geluid en energie en dat is wat Coltrane ook doet.

Porter laat Coltrane vaak aan het woord, zoals over de lange solo’s die hij speelt. Dat is een behoorlijk verhelderend verhaal en helaas te lang om weer te geven hier, gaat u dat zelf lezen. Verder krijgt u nog een apart hoofdstuk over zijn beroemdste album A Love Supreme, waarin uit de doeken wordt gedaan wie die tweede saxofonist toch is (want dat wilt u weten) en natuurlijk hoe het met Coltrane afliep. Hij kickte af van drank en drugs maar overleed toch jong aan leverkanker op 40-jarige leeftijd.

Ik zou nog terugkomen op een kanttekening en dat is de volgende. Ik ben niet bijzonder muzikaal onderlegd en er staan behoorlijk wat musicologische toelichtingen in dit boek, compleet met notenvoorbeelden. Dat pleit voor volledigheid van het boek, maar ik was genoodzaakt als leek toch wat passages over te slaan. Dat neemt niet weg dat ik toch behoorlijk wat relevante informatie uit deze biografie heb gehaald.

Ik ben nog bezig met mijn luistertocht naar 120 van Coltrane’s albums en het verveelt mij nog geen moment.

0415634636.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
The John Coltrane Reference is een dik boek van 779 pagina’s, samengesteld door Lewis Porter en nog wat andere kenners van de jazz-saxofonist John Coltrane. ‘Reference’ doet u wellicht vermoeden dat dit een naslagwerk is en dat klopt. Het is een uitputtend overzicht van ieder bekend optreden van John Coltrane in de periode 1926–1967, zowel als frontman én als bandlid van een andere frontman.

Daarnaast is het een volledige discografie, die alle informatie verstrekt over zijn opnames, gemaakt in de periode 1946–1967. Plaatopnames, maar ook privé-opnames die niet zijn uitgebracht maar waarvan bekend is, of soms vermoed wordt, dat ze bestaan. Ook hier weer alle plaatopnames waar hij als bandleider fungeert, maar ook die waar hij op meespeelt bij anderen.

Is zo’n boek dan te lezen, laat staan te bespreken? Natuurlijk wel. Je moet er een beetje gek voor wezen, maar er is genoeg uit te halen. Wat het leesbaar maakt zijn de besprekingen die zijn opgenomen in het boek van de concerten die hij geeft. Zo was hij beroemd om zijn lange solo’s, maar daar moest het publiek aanvankelijk aan wennen, getuige het eerste gedrukte commentaar dat men hierover vond over een optreden in 1960 met het Miles Davis Sextet;

Then there is John Coltrane. Jazz practitioners are constantly in search for novelty in rhythm, harmony or dynamics. But Coltrane is taking as long as a half hour on some numbers to hunt and feel his way on tenor sax into new harmonic structures. It is interesting, perhaps, to other musicians, but agonizing to the casual listener who expects to hear something polished and assured from a jazz artist of Coltrane’s stature. The practice session is a much better place for experimentation.

Je krijgt veel mee over de manier waarop Coltrane speelt. Zijn geluid wordt uitgelegd als ‘sheets of sound’. Een beetje technisch, maar hij legt het zelf in een interview uit in dit boek. Het gaat niet alleen over Coltrane, uiteraard ook over zijn bandleden, zoals de drummer Elvin Jones. Er staan wat prachtige anekdotes over hem in het boek, zoals na een concert in Los Angeles;

The two drum shops in Los Angeles reported a gratifying increase in the sale of drum sticks…There were other incidents: An elderly accountant wandered into Shelly’s one night by mistake, heard Elvin play one set, and rushed out to leave his wife and four children to seek his fortune in Borneo…Local zoo officials reported an unusual amount of activity in the dangerous animal cages between the hours of 9 and 2 during Elvin’s tenure.

Ook optredens in het Concertgebouw krijgen een bespreking. Coltrane trad er op in 1963, begon er om middernacht en zo’n concert duurde tot in de ochtenduren. Kom daar nu nog maar eens om. Het mooie is dat, hoewel ik zijn biografie nog wil lezen, het boek je ook dichter bij de mens Coltrane brengt. Hoeveel drank en drugs hij ook gebruikte, hij bleef een aardig en beminnelijk mens. Zelfs toen hij op het podium werd aangevallen door een vrouw bleef hij vriendelijk. Jazzmuzikant Anthony Braxton vertelt erover in een interview;

Graham Locke: “She just walked into the club and attacked him?”
Anthony Braxton: “Yeah, she came in off the street. She said, ‘Stop playing this crazy music, it’s too loud and the drummer’s tired, just stop it!’ And she took her umbrella and began poking at him. You can imagine how I hated her. To see Mr. Coltrane talk so nicely to her taught me that you have to develop more understanding…

Uiteraard ontbreekt ook de naam van Nederlands bekendste jazz-criticus Michiel de Ruyter niet en worden zijn interviews met Coltrane genoemd. De website waar deze terug te vinden zouden zijn is helaas gewijzigd, het is handiger om naar de site over Coltrane zelf te verwijzen, daar staan ze ook.

De discografie is een verhaal apart. Zoals gezegd staat daar iedere bekende opname, op welke geluidsdrager dan ook, in vermeld. Van de meeste opnames staan details genoemd, zoals welke opmerkingen of andere geluiden er te horen zijn. Dit gaat behoorlijk ver. Zo is er een opname bekend van (waarschijnlijk) 1 maart 1950. De opname is van de Billy Valentine Group met Valentine op trompet, Coltrane op tenorsaxofoon, wellicht John Collins of Floyd Smith op gitaar en wellicht Ray Brown op bas. Veel ‘waarschijnlijk’ en ‘wellicht’ maar zelfs deze opnames worden dus genoemd.

Ik heb een uitgebreide luisterlijst samengesteld voor mijzelf van zo’n 120 albums die hij heeft gemaakt en dan heb ik ze nog lang niet allemaal, maar het is een mooi begin. U valt van de ene verbazing in de andere. Zoek Lover eens op Youtube op van de Prestige Recordings en verbaas je over de duizelingwekkende snelheid waarmee Coltrane speelt (vanaf 0;30). Of leer waarom Giant Steps zo’n moeilijk nummer is voor de pianist om op te improviseren en zoek daarvoor op Youtube naar The most feared song in jazz, explained. Of, als u lef heeft, luister eens naar het experimentele album Om; laat me weten of u het uit hebt gezeten. Is dit teveel dan is Blue Train of A love Supreme veel toegankelijker. Maar dat is wat mij zo aantrekt in dergelijke muzikanten en dat blijkt uit dit boek, ze staan nooit stil en ontwikkelen zich of het publiek nu meegaat of niet.

Gelukkig is er in de discografie ook ruimte voor informatie en anekdotes, zoals in de beschrijving van de videotape (want ook die staan ertussen) van het Festival International du Jazz Antibes-Juan les Pins 1965. Daar stond het nummer Ascension op het programma;

This quartet version of “Ascension” is listed as “Blue Valse” or “Blue Waltz” on most issues. Michel Delorme…: “I once asked Jean-Christophe Averty, who was in charge of filming the festival for Radio France, where he got the title. He said he sent his secretary to ask Coltrane and she came back with something that sounded like ‘Blue Vase’. So he decided it was ‘Blue Valse’. French for ‘Blue Waltz’”

Het is maar een greep uit talloze stukjes informatie over al die opnames. In de bijlagen achterin zijn nog een lijst opgenomen van alle televisie- en filmopnames die van hem bekend zijn en een lijst van alle interviews die hij heeft afgegeven. U begrijpt, een beetje liefhebber kan aardig uit de voeten met dit boek, ik zet nog even een elpee op.

0393068617.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als u zich wenst te verdiepen in het fenomeen Jazz en de muziek wil beluisteren die daar bij hoort, dan is dit boek van de heren Gary Giddins en Scott DeVeaux een must read. ‘De muziek die daar bij hoort’ is een ruim begrip en daarom is dit boek 664 pagina’s dik en dat is niets teveel, het is een prima gids voor een uitgebreide ontdekkingstocht.

Om maar direct het grootste pluspunt te noemen; het boek zet u aan het werk want er staan maar liefst 87 luistergidsen in het boek. Allemaal sleutelopnames uit een bepaalde periode, van een stijl of van een artiest die tot op de seconde uitschrijven wat u hoort en waar u op dient te letten bij de opname. Ik geef er hieronder nog voorbeelden van. Alle opnames heb ik op Youtube kunnen vinden dus excuses heeft u verder niet.

Voordat de auteurs de opnames bespreken krijgen we een introductie over welke instrumenten we zoal in de jazz tegenkomen en hoe ze werken. Daarna gaan we terug naar het eerste begin van de jazz, de invloed van de blues en de ragtime, u weet wel, die snelle pianomuziek. Als we toch een uitvinder van de jazz moeten noemen is dat cornettist Buddy Bolden. Geboren in New Orleans en die stad is dan ook zo’n beetje de bakermat van de jazz.

Er kwamen grote orkesten als die van Fletcher Henderson, Paul Whiteman en later van Duke Ellington en Count Basie. Dat waren prima kweekvijvers voor latere grootheden als Louis Armstrong, Lester Young en Coleman Hawkins. Ook cornettist Bix Beiderbecke wordt eruit gelicht door de auteurs en er staat een luistergids in het boek van het nummer Singin’ the Blues van Frankie Trumbauer and His Orchestra waarin Beiderbecke een hoofdrol vervult. U zoekt het nummer op Youtube op en luistert aldus mee (let wel, de volledige 2:58 worden beschreven, dit is maar een stukje);

2:00  The band states the original melody of the song, disguised by a mild version of New Orleans
polyphony. The drummer adds accents on the cymbals.
2:15  Dorsey’s clarinet solo loosely suggests Beiderbecke’s restrained style.
2:26  Dorsey’s break ends almost in a whisper.
2:29  The band returns with collective improvisation, with Beiderbecke’s cornet on top
2:46  A one-measure break features Lang playing a rapid upward arpeggio on guitar
2:51  Beiderbecke begins his last line with another aggressive rip, followed by short riffs on a
repeated note.
2:58  A cymbal stroke brings the piece to a close.

Zo nemen de auteurs je mee door de tijd en beluister je nummers van alle grote namen in de jazz. Daar zitten soms regelrechte ‘ear openers’ tussen. Het doet je veel bewuster luisteren naar de muziek. Een saxofoon op de voorgrond hoor je wel, maar die luistergidsen wijzen je ook op de baslijn of wat voor melodie een piano of gitaar ineens op de achtergrond speelt. Zo wil ik de volgende opmerking over pianist Gil Evans lezen in het nummer King Porter Stomp, want je luistert er geheid overheen;

1:29  He accidentally makes a distorted honking sound on a low note. Emboldened, he returns to this
sound again and again – essentially turning a mistake into a motive.

Ogenschijnlijk complexe stukken worden ineens een stuk helderder. Er staan geen biografieën in het boek hoewel vaak in het kort de levens geschetst worden en ondertussen krijgt u ook een aardig tijdsbeeld mee met wrange verhalen over rassenscheidingen of wat een uitvinding als de radio deed voor de jazz. Zo werd de muziek van Benny Goodman aan de oostkust op een obscuur tijdstip uitgezonden, maar bleek hij tot zijn grote verrassing mateloos populair aan de westkust, waar datzelfde obscure tijdstip dus ‘prime time’ was en hij door iedereen gehoord werd.

De auteurs geven prima de overgangen weer van het swingtijdperk van de bigbands naar het bebop-tijdperk van Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Verderop in de tijd gaan we naar cooljazz als reactie op bebop met muzikanten als Stan Getz, Dave Brubeck en Miles Davis. Dan volgt freejazz met artiesten als Albert Ayler en Cecil Taylor. Hier wordt het interessant, want dit vinden velen al niet meer te beluisteren en dan zijn die luistergidsen goud waard. Ik heb het makkelijk, want ik ben redelijk thuis in de ‘moderne klassieke muziek’ (u weet wel, piep-boem-knars-muziek), dus ik vind het allemaal prima te verteren en ik heb talloze nieuwe ontdekkingen gedaan.

Het is een objectief boek, hoewel enige humor de heren auteurs ook niet ontbreekt. Smoothjazz komt er namelijk niet zo goed van af;

There are many things to dislike about smooth jazz – for example, everything.

Een voorbeeld is saxofonist Kenny G. met wat wel ‘muzikaal behang’ wordt genoemd en die toch 48 miljoen albums heeft verkocht. Ook daar is een markt voor.

Het boek sluit af met de huidige lichting jazzmusici en wat de toekomst zou zijn voor jazz. Ook is er een hoofdstuk over het aanleggen van een jazzcollectie (u begrijpt, ik ben al bezig) en een lijst van 100 opnames die kan dienen als startpunt voor een verdere ontdekkingstocht. Verder is er een opsomming van films, documentaires en televisieseries waarin jazz de hoofdrol speelt.

Ik ben dus enthousiast over dit boek, het heeft mij enorm veel doen luisteren en nog meer tips gegeven. Luistert u eens naar het ongemeen mooie A Remark You Made van Weather Report, of naar You’ve Got To Be Modernistic van James P. Johnson en dan naar hetzelfde nummer maar in de moderne versie van Jason Moran. Of kent u Piece Three van Anthony Braxton? Het begint als een normale mars, maar luister wat er dan gebeurt. Diezelfde Anthony Braxton heeft ook een heel album volgespeeld met stukken voor solo altsaxofoon en dat is ook prachtig. U wilt ook Donna Lee horen voor solo-elektrische basgitaar van de jonggestorven bassist Jaco Pistorius of het prachtige El Matador met zijn Spaanse invloeden van saxofonist David Murray (zijn album staat hoog op mijn wensenlijst). Ik kan nog even doorgaan maar een beetje jazzliefhebber moet dit boek in huis halen en aan de slag.

0472037897.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik schreef hier al eens over de altsaxofonist Charlie Parker. Ik wil weten wat hem zo’n grootheid maakt in de jazzmuziek en hoopte dat dit boek van saxofonist Carl Woideck mij verder zou helpen. Charlie Parker His Music and Life heeft mij inderdaad een stuk verder geholpen en heeft mij positief verrast.

Ik was daar eerst niet zo zeker van, want ook dit is geen dik boek, 248 pagina’s, en er staan best wat notenvoorbeelden in dus ik was bang dat het toch een boek was voor musicologisch gevorderden. Dat viel mee, ik heb er veel uitgehaald.

Het boek begint met een biografische schets van Parker. U wordt op pagina 1 al uit de droom geholpen als u precies de vinger op zijn legendarische status wil leggen;

Charlie Parker had an artistic brilliance that can never be adequately explained. The overused term “genius” truly describes his gift. He was capable of making remarkable leaps of understanding, conception, and execution.

U ziet, gelukkig begint Woideck toch meteen een beetje met duiden en hij komt een heel eind in dit boek. De biografie laat ik even voor wat het is, vanaf pagina 55 begint de uitleg van zijn muziek en dat is de grote meerwaarde van dit boek. Er volgen vier hoofdstukken die zijn eerste opnames beschrijven, de periode waarin hij kennis opdoet en waardoor hij werd beïnvloed. Vervolgens wordt zijn artistieke volwassenheid beschreven, de periode waarin hij zijn eerste meesterwerken opneemt. Dan volgt zijn meest productieve periode en tenslotte zijn laatste jaren, waarin hij artistiek gezien weinig meer presteerde, maar waarin hij wel degelijk zijn muzikale horizon wenste te verbreden.

Wat echt fantastisch is van dit boek is dat er verschllende solo’s van Parker worden beschreven (de notenvoorbeelden), inclusief de opnames waarop ze verkrijgbaar zijn en zelfs op welk tijdstip de solo’s beginnen, op de seconde af. Met de mogelijkheden van tegenwoordig via Youtube en de streamingdiensten is dat allemaal vrij nauwkeurig op te zoeken en zo heb je ineens een kleine goudmijn in handen. Ik ben er erg druk mee geweest.

Verder, want wij willen weten waarin Parker zo uitblinkt, worden de volgende kwaliteiten uitgebreid besproken; gemak en virtuositeit, intensiteit van swing en drive, inventiviteit, speelsheid en gevoel voor humor, gevoel voor blues en poëtische kwaliteiten, het karakter van zijn repertoire, zijn tempi, zijn notenwaarden, het gebruik van ‘double time’ (twee maal zo snel spelen als het standaardtempo), het gebruik van accenten, het gebruik van vibrato en timbre en tenslotte de melodielijn. U leert met reuzensprongen over zaken waar u nog nooit bij stil stond.

Eén ervan is dat Parker zijn klassieken kende. Hij hield van klassieke muziek en stond erom bekend dat hij naadloos werk van anderen in zijn solo’s kon inpassen. Zo kwam Stravinsky eens naar Parker luisteren;

As Parker’s quintet walked onto the bandstand, trumpeter Red Rodney recognized Stravinsky, front and almost center. Rodney leaned over and told Parker, who did not look at Stravinsky. Parker immediately called the first number for his band…At the beginning of his second chorus he interpolated the opening of Stravinsky’s Firebird Suite as though it had always been there, a perfect fit, and then sailed on with the rest of the number. Stravinsky roared with delight, pounding his glass on the table, the upward arc of the glass sending its liquor and ice cubes onto the people behind him…

Het is maar een voorbeeld van zijn virtuositeit. Toch heeft zijn destructieve levensstijl ook invloed op zijn optredens en ook die worden aangestipt. Zoek eens op Youtube naar ‘Charlie Parker – Lover Man Dial ‘, het is een beruchte opname waarin hij niet op zijn best was. Het is fascinerend dat zijn privé-problemen met drank en drugs op zijn opnamen terug zijn te horen. Op (ook op Youtube) ‘Charlie Parker – Jazz At The Philharmonic – Sweet Georgia Brown’ is op 1;08 te horen dat iemand zegt ‘Say man, where you been?’ Parker kwam te laat op zijn optreden omdat hij drugs wilde scoren. Op (weer op Youtube) ‘Charlie Parker – Bebop Bird: Charlie Parker on Dial (Volume 1)’ was hij zo dronken dat hij weg dreigde te vallen tot trompettist Howard McGhee hem op 0;38 toeroept ‘Blow!’ Ik vind het fascinerend materiaal.

Er staan ook talloze voorbeelden in van hoe het wel moet en ik heb inderdaad veel bijgeleerd. Parker was zo groot omdat hij, naast zijn virtuositeit en techniek, enorm veel inzicht had hoe hij zijn muziek naar een hoger plan kon brengen. Zijn solo’s zijn inventief (je hoort ineens Bizet voorbijkomen in Cool Blues) en ze zijn nooit hetzelfde. Dat hoor je als je de complete opnames beluistert van The Savoy and Dial Studio Recordings. Dat zijn onmisbare opnames waarin de verschillende takes zijn opgenomen van zijn nummers. Hij gebruikt steeds weer andere solo’s. Wat mij ook erg heeft geholpen bij dit boek (hoewel zelf gevonden en niet opgenomen in het boek) is het Youtube-kanaal van de Canadese saxofonist en componist Remi Bolduc. Hij heeft de moeite genomen om alle solo’s van Charlie Parker van 1940-1948 op zijn Youtube-kanaal te zetten, een schat aan informatie.

Charlie Parker is maar 34 jaar oud geworden. Hij heeft nog prachtige opnames gemaakt met strijkkwartet en had plannen om zich verder te bekwamen op het klassieke vlak. Hij hield erg van Stravinsky, Hindemith en Debussy. Hij had al contact gelegd met componist Edgard Varèse, één van mijn favoriete componisten. We zullen nooit weten wat daar uit was gekomen, maar met Charlie Parker ben ik nog even niet klaar, door dit prima boek ben ik alleen maar nieuwsgieriger geworden.

1556520042.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Coltrane on Coltrane is een boek dat samengesteld is door schrijver en jazz-kenner Chris DeVito. Ik heb inmiddels aardig wat muziek beluisterd van jazz-saxofonist John Coltrane (1926-1967) en hij wordt gezien als één van de grootsten in dat genre en ik ben druk bezig mijn vinger daar achter te krijgen. Net als bij zijn collega-saxofonist Charlie Parker overigens, zoals u hier kunt lezen.

Het lezen van biografieën helpt mij daarbij, maar bij Coltrane koos ik eerst voor dit boek. Dit boek bevat ieder bekend interview met Coltrane, evenals artikelen, overdenkingen en liner notes (u weet wel, die verhalen achterop elpees) die uitspraken van Coltrane bevatten. Het materiaal dateert voor het grootste deel uit de periode 1958-1966 en het boek telt 374 pagina’s.

Dat lijkt niet veel als je bedenkt hoe vaak succesvolle artiesten tegenwoordig interviews doen, maar met Coltrane lag dat allemaal wat anders. Hij was terughoudend met interviews, hoewel hij beleefd en nauwgezet was als hij ze wel gaf. Zijn antwoorden zijn vaak bedachtzaam en afgemeten en het leek mij een mooie manier om de mens achter de muziek wat beter te leren kennen. Bovendien werd Coltrane niet ouder dan veertig jaar (hij stierf aan leverkanker). Leuk is dat er ook een paar interviews in staan met de Nederlandse jazzcriticus en -programmamaker Michiel de Ruyter (1926–1994).

Werkt dit dan ook om een musicus en de muziek beter te leren kennen? Ja, voor een deel zeker. Het is leuk om Coltrane te horen in een gesprek met August Blume van Baltimore’s Jazz Society over pianist Thelonious Monk, als die onder het spelen het podium afloopt of een dansje doet (karakteristiek voor Monk, ik schreef er hier en hier al over);

Blume: Why do you think he did it?
Coltrane: I don’t know. He said he wanted to hear us, he said he wanted to hear the band. [Blume laughs] When he did that, he was in the audience himself, and he was listening to the band. Then he’d come back, you know, he got somethin’ out of that thing, man.
Blume: I got the biggest kick out of the way he’d do this little shuffle dance on the side.
Coltrane: Yeah, I wanted to see that myself, you know, I couldn’t see.

Zelfs Monk’s bandleden konden het niet altijd plaatsen wat hij deed. Coltrane vertelt in interviews uitgebreid over de invloed van Monk en van Miles Davis op hem. Die laatste noemt hij ‘leraar’ en Davis moedigde hem aan om zijn eigen stem te vinden en niet alleen maar ‘mee’ te spelen in een band.

Waar ik Coltrane voornamelijk als tenorsaxofonist zag, leerde ik uit dit boek dat hij ook de sopraansaxofoon ter hand nam en er werk mee heeft opgenomen. Het was een beetje toeval hoe hij daarmee begon, want een collega waar hij mee in een taxi zat liet zijn sopraansaxofoon liggen en John nam hem mee naar zijn hotelkamer en begon er wat op te oefenen. Snelle leerling als hij was zag hij de grote mogelijkheden van het instrument en hij ging er mee verder. Dat ging zo ver dat een journalist hem vroeg of hij ooit de keuze moest maken tussen de sopraan- en tenorsaxofoon;

John Coltrane: I haven’t solved that problem yet. The soprano requires a particular way of holding the lips, it requires more muscles than the tenor, and, because of that, one’s lips get hurt quickly. If I develop the habit of playing very ‘tight’, my embouchure will maybe become too tight for the tenor; that’s the problem.

Zover liet hij het niet komen, hoewel hij prachtige opnamen heeft gemaakt met de sopraansaxofoon. Het is interessant om te lezen hoe zijn carrière zich heeft ontwikkeld. Van bandlid tot leadman met zijn eigen kwartet, en soms kwintet als saxofonist en klarinettist Eric Dolphy hem kwam versterken. Coltrane was, net als bassist Charles Mingus, erg enthousiast over de (ook jong gestorven) Dolphy. Het is interessant om te lezen dat Coltrane zich soms niet eens bewust lijkt van de ontwikkeling die hij doormaakt. Het volgende fragment uit een interview met journaliist Bob Dawbarn laat dat zien, na een optreden van het kwintet met Eric Dolphy;

I found your Quintet’s music completely bewildering. Can you explain what it is you are trying to do? Surely you and Eric Dolphy are not following the normal chord sequences?
Coltrane: I can’t speak for Eric – I don’t know exactly what his theory is, I am playing on the regular changes, though sometimes I extend them…

It seemed to me that the three members of the rhythm sections were playing completely different things – often in different time signatures.
Coltrane: They are free to play anything they feel. Tyner plays some things on piano. I don’t know what they are, but they are based on the chords.

Your playing seemed so different from anything we have heard on your records here.
Coltrane: So many people have told me that, it must be true. I’ve got to listen to those records again. I guess I’ve changed in the last year. I’m in the process of changing things around here and finding areas that haven’t been explored.

Het fragment geeft aan dat a. De muzikanten elkaar blindelings moeten aanvoelen omdat ze ruimte krijgen én pakken, b. Dat journalisten ook af en toe naar adem moeten happen bij de wegen die Coltrane’s band bewandelt (luister eens naar het album Coltrane “Live” at the Village Vanguard”) en c. Dat Coltrane zich dus niet eens altijd bewust lijkt van die progressie.

Ik zei eerder dat dit boek voor een deel zeer zeker werkt bij het beter leren kennen van Coltrane en zijn muziek. Voor welk deel niet dan? Je ontkomt niet aan informatie die vaker terugkomt in interviews omdat journalisten vaak dezelfde vragen stellen. Omdat alle interviews uitgeschreven staan, zijn er ook vaak korte, nietszeggende antwoorden en helaas blinken niet alle interviewers uit in het stellen van relevante vragen. Helaas vond ik de interviews van De Ruyter niet best. Toch heb ik veel uit het boek gehaald en ik ben bang dat ik het grote standaardwerk over Coltrane, The John Coltrane Reference, van dezelfde auteur als dit boek ook nog eens ga doorvorsen. Excuus voor de lezers die geen jazz meer kunnen velen, ik ben nog even niet klaar.

3836585251.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
Jazz Covers van Joaquin Paulo is een boek van 29.3 x 29.3 cm en zo’n 4.2 kilo zwaar. Fors en groot dus en dat moet ook, want het gaat om een fotoboek van albumcovers van jazz-elpees, u had het al geraden.

Er valt in zo’n 550 pagina’s dus veel te bekijken, genoeg te lezen en vooral veel te ontdekken. De eerste 40 pagina’s zijn gereserveerd voor een paar korte interviews met mensen uit het vak. Bob Ciano, art director bij platenmaatschappij CTI, Fred Cohen, eigenaar van een speciaalzaak in jazzplaten, Michael Cuscuna, oprichter van een jazzlabel, Rudy van Gelder, opnametechnicus van onder meer het label Blue Note en nog zo wat meer. Het is wel mooi om te lezen hoe dat er aan toe ging ‘in the old days’, als Bob Ciano een werkdag bij CTI beschrijft;

Musicians were all around. People hung out in the art department because it was a big space. We would talk about forthcoming albums and maybe about what the titles would be. Then I would go out working with a small group of photographers and illustrators, trying to find images that might work as covers. I rarely heard the music in advance as I was trying to find images that were eye-catching. It was a small company and we had a very little promotional budget.

Wat opvalt is dat hij de muziek blijkbaar niet hoefde te horen en dat ben ik vaker tegen gekomen. De beroemde ontwerper van jazz-covers Reid Miles, die ik hier al besprak, had zelfs veel meer op met klassieke muziek. Hoewel Ciano blijkbaar een klein promotiebudget had, was er verder genoeg geld want hij mocht covers maken van hoogwaardig materiaal en werd qua kosten nooit teruggefloten.

Ashley Kahn, de schrijver van een boek over het Miles Davis-album Kind of Blue geeft in een interview wat mooie quotes weg over Davis, zoals over zijn relatie ten opzichte van saxofonist John Coltrane;

It was a five-and-a-half-year relationship. John Coltrane would always refer to Miles as “the teacher”. Early on, Coltrane saw himself as a musician but not as an innovator…So when Miles first hired him, Coltrane was waiting for direction. Miles started to kick him in the butt by saying, “No, you figure out your sound in what we are doing now. You figure out what sounds best.”

Dat is goed gekomen, Coltrane werd één van de beste tenorsaxofonisten uit de geschiedenis. Dan de covers zelf. We gaan op alfabetische volgorde de musici af en we trappen af met maar liefst vijf albumcovers van saxofonist Cannonball Adderley. Per album wordt door het hele boek aangegeven de artiest, de titel van het album, het jaar van uitgave, het platenlabel en indien bekend wie de fotograaf, designer of kunstenaar is wiens werk op de voorkant prijkt.

Soms staan er twee covers op een pagina, vaak is de foto paginagroot en dus bijna even groot als de originele hoes. Vaak een feest voor het oog. Niet ieder album heeft een begeleidende beschrijving, dat lijkt een beetje een random verhaal. Van sommige albums zou ik meer willen weten, maar dan wordt volstaan met de albumgegevens zoals ik die hierboven beschrijf.

Je kan het boek ook gebruiken als luistergids. Natuurlijk staan alle grote jazz-artiesten erin, maar ik kende zangeres Lorez Alexandria even niet en dat geldt ook voor Ghanaba, de vader van de Afro-jazz. Hij staat op de cover als een gangsta-rapper, zo’n dertig jaar voor rappers als 50 Cent op dat idee kwamen. Er staan nog heel veel artiesten in waarvan het mij zou verbazen als u die kent dus een beetje liefhebber kan zich uitleven.

Nu staat er een quote van designer Acy Lehman in het boek over die covers:

“Covers are designed to accomplish a single purpose…to get you to pick the record off the rack.”

Dat staat dan bij een cover van multi-instrumentalist Cal Tjader waarvan ik mij afvraag of ik die uit de schappen zou pakken. Dat vraag ik mij nog meer af bij de covers van Buddy Collette’s Swinging Shepherds of die van het Dave Pell Octet. Maar ieder zijn smaak en er staan wat mij betreft ook fenomenaal mooie covers in, zoals die van fluitist Hubert Laws met de prachtige foto’s van Pete Turner, of de Salsa Picante-cover van jazz-pianist Clare Fischer; die wil je ook hebben (zie de covers onder dit verhaal).

Het gaat dus primair om de vele foto’s, maar er staan gelukkig genoeg weetjes in het boek. U leert de ‘braithophone’ kennen, een combinatie van de alt- en sopraansaxofoon, ontwikkeld door saxofonist George Braith. De auteur wijst u niet alleen op mooie covers maar geeft ook aan wanneer ze (zeer) zeldzaam zijn zodat u extra kunt opletten op de rommelmarkt en doet u muziektips aan de hand zoals het werk van de Nederlandse saxofonist Toon van Vliet.

Eén foutje zag ik, de sterfdatum van zanger- en pianist Bobby Cole is 19 december 1996 en niet 1997 en hij stierf aan een hartaanval en niet aan een schedelbreuk. Met een andere curiositeit was ik nogal druk; de naam van de saxofonist Pharoah Sanders staat op de cover van zijn album ‘Pharoah’s First’ afgedrukt als Pharaoh Sanders. Op alle vinyl-albums die ik op het internet vond staat zijn naam correct als Pharoah Sanders. De enige foute naam vond ik op een cd-hoesje, daar stond weer Pharaoh Sanders op. Dus een luxe-uitgave van een boek over jazz-covers lijkt een misprint over te nemen van een cd-hoesje. U begrijpt, ik zit met talloze vragen.

Dat neemt niet weg dat het een schitterend boek is voor de liefhebber en ik zal het met regelmaat uit de kast pakken, zeker om met meer muziek kennis te maken.

71Le4DOq5kL._SL1200_
Buddy Collette’s Swinging Shepherds

R-7445165-1441644952-7176.jpeg
Dave Pell Octet

ab67616d0000b273e3eef17c60452b291205d2e0
Hubert Laws

R-1721826-1583668286-8294
Clare Fischer