archiveren

Jazzmuziek

0393068617.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als u zich wenst te verdiepen in het fenomeen Jazz en de muziek wil beluisteren die daar bij hoort, dan is dit boek van de heren Gary Giddins en Scott DeVeaux een must read. ‘De muziek die daar bij hoort’ is een ruim begrip en daarom is dit boek 664 pagina’s dik en dat is niets teveel, het is een prima gids voor een uitgebreide ontdekkingstocht.

Om maar direct het grootste pluspunt te noemen; het boek zet u aan het werk want er staan maar liefst 87 luistergidsen in het boek. Allemaal sleutelopnames uit een bepaalde periode, van een stijl of van een artiest die tot op de seconde uitschrijven wat u hoort en waar u op dient te letten bij de opname. Ik geef er hieronder nog voorbeelden van. Alle opnames heb ik op Youtube kunnen vinden dus excuses heeft u verder niet.

Voordat de auteurs de opnames bespreken krijgen we een introductie over welke instrumenten we zoal in de jazz tegenkomen en hoe ze werken. Daarna gaan we terug naar het eerste begin van de jazz, de invloed van de blues en de ragtime, u weet wel, die snelle pianomuziek. Als we toch een uitvinder van de jazz moeten noemen is dat cornettist Buddy Bolden. Geboren in New Orleans en die stad is dan ook zo’n beetje de bakermat van de jazz.

Er kwamen grote orkesten als die van Fletcher Henderson, Paul Whiteman en later van Duke Ellington en Count Basie. Dat waren prima kweekvijvers voor latere grootheden als Louis Armstrong, Lester Young en Coleman Hawkins. Ook cornettist Bix Beiderbecke wordt eruit gelicht door de auteurs en er staat een luistergids in het boek van het nummer Singin’ the Blues van Frankie Trumbauer and His Orchestra waarin Beiderbecke een hoofdrol vervult. U zoekt het nummer op Youtube op en luistert aldus mee (let wel, de volledige 2:58 worden beschreven, dit is maar een stukje);

2:00  The band states the original melody of the song, disguised by a mild version of New Orleans
polyphony. The drummer adds accents on the cymbals.
2:15  Dorsey’s clarinet solo loosely suggests Beiderbecke’s restrained style.
2:26  Dorsey’s break ends almost in a whisper.
2:29  The band returns with collective improvisation, with Beiderbecke’s cornet on top
2:46  A one-measure break features Lang playing a rapid upward arpeggio on guitar
2:51  Beiderbecke begins his last line with another aggressive rip, followed by short riffs on a
repeated note.
2:58  A cymbal stroke brings the piece to a close.

Zo nemen de auteurs je mee door de tijd en beluister je nummers van alle grote namen in de jazz. Daar zitten soms regelrechte ‘ear openers’ tussen. Het doet je veel bewuster luisteren naar de muziek. Een saxofoon op de voorgrond hoor je wel, maar die luistergidsen wijzen je ook op de baslijn of wat voor melodie een piano of gitaar ineens op de achtergrond speelt. Zo wil ik de volgende opmerking over pianist Gil Evans lezen in het nummer King Porter Stomp, want je luistert er geheid overheen;

1:29  He accidentally makes a distorted honking sound on a low note. Emboldened, he returns to this
sound again and again – essentially turning a mistake into a motive.

Ogenschijnlijk complexe stukken worden ineens een stuk helderder. Er staan geen biografieën in het boek hoewel vaak in het kort de levens geschetst worden en ondertussen krijgt u ook een aardig tijdsbeeld mee met wrange verhalen over rassenscheidingen of wat een uitvinding als de radio deed voor de jazz. Zo werd de muziek van Benny Goodman aan de oostkust op een obscuur tijdstip uitgezonden, maar bleek hij tot zijn grote verrassing mateloos populair aan de westkust, waar datzelfde obscure tijdstip dus ‘prime time’ was en hij door iedereen gehoord werd.

De auteurs geven prima de overgangen weer van het swingtijdperk van de bigbands naar het bebop-tijdperk van Dizzy Gillespie en Charlie Parker. Verderop in de tijd gaan we naar cooljazz als reactie op bebop met muzikanten als Stan Getz, Dave Brubeck en Miles Davis. Dan volgt freejazz met artiesten als Albert Ayler en Cecil Taylor. Hier wordt het interessant, want dit vinden velen al niet meer te beluisteren en dan zijn die luistergidsen goud waard. Ik heb het makkelijk, want ik ben redelijk thuis in de ‘moderne klassieke muziek’ (u weet wel, piep-boem-knars-muziek), dus ik vind het allemaal prima te verteren en ik heb talloze nieuwe ontdekkingen gedaan.

Het is een objectief boek, hoewel enige humor de heren auteurs ook niet ontbreekt. Smoothjazz komt er namelijk niet zo goed van af;

There are many things to dislike about smooth jazz – for example, everything.

Een voorbeeld is saxofonist Kenny G. met wat wel ‘muzikaal behang’ wordt genoemd en die toch 48 miljoen albums heeft verkocht. Ook daar is een markt voor.

Het boek sluit af met de huidige lichting jazzmusici en wat de toekomst zou zijn voor jazz. Ook is er een hoofdstuk over het aanleggen van een jazzcollectie (u begrijpt, ik ben al bezig) en een lijst van 100 opnames die kan dienen als startpunt voor een verdere ontdekkingstocht. Verder is er een opsomming van films, documentaires en televisieseries waarin jazz de hoofdrol speelt.

Ik ben dus enthousiast over dit boek, het heeft mij enorm veel doen luisteren en nog meer tips gegeven. Luistert u eens naar het ongemeen mooie A Remark You Made van Weather Report, of naar You’ve Got To Be Modernistic van James P. Johnson en dan naar hetzelfde nummer maar in de moderne versie van Jason Moran. Of kent u Piece Three van Anthony Braxton? Het begint als een normale mars, maar luister wat er dan gebeurt. Diezelfde Anthony Braxton heeft ook een heel album volgespeeld met stukken voor solo altsaxofoon en dat is ook prachtig. U wilt ook Donna Lee horen voor solo-elektrische basgitaar van de jonggestorven bassist Jaco Pistorius of het prachtige El Matador met zijn Spaanse invloeden van saxofonist David Murray (zijn album staat hoog op mijn wensenlijst). Ik kan nog even doorgaan maar een beetje jazzliefhebber moet dit boek in huis halen en aan de slag.

0472037897.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik schreef hier al eens over de altsaxofonist Charlie Parker. Ik wil weten wat hem zo’n grootheid maakt in de jazzmuziek en hoopte dat dit boek van saxofonist Carl Woideck mij verder zou helpen. Charlie Parker His Music and Life heeft mij inderdaad een stuk verder geholpen en heeft mij positief verrast.

Ik was daar eerst niet zo zeker van, want ook dit is geen dik boek, 248 pagina’s, en er staan best wat notenvoorbeelden in dus ik was bang dat het toch een boek was voor musicologisch gevorderden. Dat viel mee, ik heb er veel uitgehaald.

Het boek begint met een biografische schets van Parker. U wordt op pagina 1 al uit de droom geholpen als u precies de vinger op zijn legendarische status wil leggen;

Charlie Parker had an artistic brilliance that can never be adequately explained. The overused term “genius” truly describes his gift. He was capable of making remarkable leaps of understanding, conception, and execution.

U ziet, gelukkig begint Woideck toch meteen een beetje met duiden en hij komt een heel eind in dit boek. De biografie laat ik even voor wat het is, vanaf pagina 55 begint de uitleg van zijn muziek en dat is de grote meerwaarde van dit boek. Er volgen vier hoofdstukken die zijn eerste opnames beschrijven, de periode waarin hij kennis opdoet en waardoor hij werd beïnvloed. Vervolgens wordt zijn artistieke volwassenheid beschreven, de periode waarin hij zijn eerste meesterwerken opneemt. Dan volgt zijn meest productieve periode en tenslotte zijn laatste jaren, waarin hij artistiek gezien weinig meer presteerde, maar waarin hij wel degelijk zijn muzikale horizon wenste te verbreden.

Wat echt fantastisch is van dit boek is dat er verschllende solo’s van Parker worden beschreven (de notenvoorbeelden), inclusief de opnames waarop ze verkrijgbaar zijn en zelfs op welk tijdstip de solo’s beginnen, op de seconde af. Met de mogelijkheden van tegenwoordig via Youtube en de streamingdiensten is dat allemaal vrij nauwkeurig op te zoeken en zo heb je ineens een kleine goudmijn in handen. Ik ben er erg druk mee geweest.

Verder, want wij willen weten waarin Parker zo uitblinkt, worden de volgende kwaliteiten uitgebreid besproken; gemak en virtuositeit, intensiteit van swing en drive, inventiviteit, speelsheid en gevoel voor humor, gevoel voor blues en poëtische kwaliteiten, het karakter van zijn repertoire, zijn tempi, zijn notenwaarden, het gebruik van ‘double time’ (twee maal zo snel spelen als het standaardtempo), het gebruik van accenten, het gebruik van vibrato en timbre en tenslotte de melodielijn. U leert met  reuzensprongen over zaken waar u nog nooit bij stil stond.

Eén ervan is dat Parker zijn klassieken kende. Hij hield van klassieke muziek en stond erom bekend dat hij naadloos werk van anderen in zijn solo’s kon inpassen. Zo kwam Stravinsky eens naar Parker luisteren;

As Parker’s quintet walked onto the bandstand, trumpeter Red Rodney recognized Stravinsky, front and almost center. Rodney leaned over and told Parker, who did not look at Stravinsky. Parker immediately called the first number for his band…At the beginning of his second chorus he interpolated the opening of Stravinsky’s Firebird Suite as though it had always been there, a perfect fit, and then sailed on with the rest of the number. Stravinsky roared with delight, pounding his glass on the table, the upward arc of the glass sending its liquor and ice cubes onto the people behind him…

Het is maar een voorbeeld van zijn virtuositeit. Toch heeft zijn destructieve levensstijl ook invloed op zijn optredens en ook die worden aangestipt. Zoek eens op Youtube naar ‘Charlie Parker – Lover Man Dial ‘, het is een beruchte opname waarin hij niet op zijn best was. Het is fascinerend dat zijn privé-problemen met drank en drugs op zijn opnamen terug zijn te horen. Op (ook op Youtube) ‘Charlie Parker – Jazz At The Philharmonic – Sweet Georgia Brown’ is op 1;08 te horen dat iemand zegt ‘Say man, where you been?’ Parker kwam te laat op zijn optreden omdat hij drugs wilde scoren. Op (weer op Youtube) ‘Charlie Parker – Bebop Bird: Charlie Parker on Dial (Volume 1)’ was hij zo dronken dat hij weg dreigde te vallen tot trompettist Howard McGhee hem op 0;38 toeroept ‘Blow!’ Ik vind het fascinerend materiaal.

Er staan ook talloze voorbeelden in van hoe het wel moet en ik heb inderdaad veel bijgeleerd. Parker was zo groot omdat hij, naast zijn virtuositeit en techniek, enorm veel inzicht had hoe hij zijn muziek naar een hoger plan kon brengen. Zijn solo’s zijn inventief (je hoort ineens Bizet voorbijkomen in Cool Blues) en ze zijn nooit hetzelfde. Dat hoor je als je de complete opnames beluistert van The Savoy and Dial Studio Recordings. Dat zijn onmisbare opnames waarin de verschillende takes zijn opgenomen van zijn nummers. Hij gebruikt steeds weer andere solo’s. Wat mij ook erg heeft geholpen bij dit boek (hoewel zelf gevonden en niet opgenomen in het boek) is het Youtube-kanaal van de Canadese saxofonist en componist Remi Bolduc. Hij heeft de moeite genomen om alle solo’s van Charlie Parker van 1940-1948 op zijn Youtube-kanaal te zetten, een schat aan informatie.

Charlie Parker is maar 34 jaar oud geworden. Hij heeft nog prachtige opnames gemaakt met strijkkwartet en had plannen om zich verder te bekwamen op het klassieke vlak. Hij hield erg van Stravinsky, Hindemith en Debussy. Hij had al contact gelegd met componist Edgard Varèse, één van mijn favoriete componisten. We zullen nooit weten wat daar uit was gekomen, maar met Charlie Parker ben ik nog even niet klaar, door dit prima boek ben ik alleen maar nieuwsgieriger geworden.

1556520042.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Coltrane on Coltrane is een boek dat samengesteld is door schrijver en jazz-kenner Chris DeVito. Ik heb inmiddels aardig wat muziek beluisterd van jazz-saxofonist John Coltrane (1926-1967) en hij wordt gezien als één van de grootsten in dat genre en ik ben druk bezig mijn vinger daar achter te krijgen. Net als bij zijn collega-saxofonist Charlie Parker overigens, zoals u hier kunt lezen.

Het lezen van biografieën helpt mij daarbij, maar bij Coltrane koos ik eerst voor dit boek. Dit boek bevat ieder bekend interview met Coltrane, evenals artikelen, overdenkingen en liner notes (u weet wel, die verhalen achterop elpees) die uitspraken van Coltrane bevatten. Het materiaal dateert voor het grootste deel uit de periode 1958-1966 en het boek telt 374 pagina’s.

Dat lijkt niet veel als je bedenkt hoe vaak succesvolle artiesten tegenwoordig interviews doen, maar met Coltrane lag dat allemaal wat anders. Hij was terughoudend met interviews, hoewel hij beleefd en nauwgezet was als hij ze wel gaf. Zijn antwoorden zijn vaak bedachtzaam en afgemeten en het leek mij een mooie manier om de mens achter de muziek wat beter te leren kennen. Bovendien werd Coltrane niet ouder dan veertig jaar (hij stierf aan leverkanker). Leuk is dat er ook een paar interviews in staan met de Nederlandse jazzcriticus en -programmamaker Michiel de Ruyter (1926–1994).

Werkt dit dan ook om een musicus en de muziek beter te leren kennen? Ja, voor een deel zeker. Het is leuk om Coltrane te horen in een gesprek met August Blume van Baltimore’s Jazz Society over pianist Thelonious Monk, als die onder het spelen het podium afloopt of een dansje doet (karakteristiek voor Monk, ik schreef er hier en hier al over);

Blume: Why do you think he did it?
Coltrane: I don’t know. He said he wanted to hear us, he said he wanted to hear the band. [Blume laughs] When he did that, he was in the audience himself, and he was listening to the band. Then he’d come back, you know, he got somethin’ out of that thing, man.
Blume: I got the biggest kick out of the way he’d do this little shuffle dance on the side.
Coltrane: Yeah, I wanted to see that myself, you know, I couldn’t see.

Zelfs Monk’s bandleden konden het niet altijd plaatsen wat hij deed. Coltrane vertelt in interviews uitgebreid over de invloed van Monk en van Miles Davis op hem. Die laatste noemt hij ‘leraar’ en Davis moedigde hem aan om zijn eigen stem te vinden en niet alleen maar ‘mee’ te spelen in een band.

Waar ik Coltrane voornamelijk als tenorsaxofonist zag, leerde ik uit dit boek dat hij ook de sopraansaxofoon ter hand nam en er werk mee heeft opgenomen. Het was een beetje toeval hoe hij daarmee begon, want een collega waar hij mee in een taxi zat liet zijn sopraansaxofoon liggen en John nam hem mee naar zijn hotelkamer en begon er wat op te oefenen. Snelle leerling als hij was zag hij de grote mogelijkheden van het instrument en hij ging er mee verder. Dat ging zo ver dat een journalist hem vroeg of hij ooit de keuze moest maken tussen de sopraan- en tenorsaxofoon;

John Coltrane: I haven’t solved that problem yet. The soprano requires a particular way of holding the lips, it requires more muscles than the tenor, and, because of that, one’s lips get hurt quickly. If I develop the habit of playing very ‘tight’, my embouchure will maybe become too tight for the tenor; that’s the problem.

Zover liet hij het niet komen, hoewel hij prachtige opnamen heeft gemaakt met de sopraansaxofoon. Het is interessant om te lezen hoe zijn carrière zich heeft ontwikkeld. Van bandlid tot leadman met zijn eigen kwartet, en soms kwintet als saxofonist en klarinettist Eric Dolphy hem kwam versterken. Coltrane was, net als bassist Charles Mingus, erg enthousiast over de (ook jong gestorven) Dolphy. Het is interessant om te lezen dat Coltrane zich soms niet eens bewust lijkt van de ontwikkeling die hij doormaakt. Het volgende fragment uit een interview met journaliist Bob Dawbarn laat dat zien, na een optreden van het kwintet met Eric Dolphy;

I found your Quintet’s music completely bewildering. Can you explain what it is you are trying to do? Surely you and Eric Dolphy are not following the normal chord sequences?
Coltrane: I can’t speak for Eric – I don’t know exactly what his theory is, I am playing on the regular changes, though sometimes I extend them…

It seemed to me that the three members of the rhythm sections were playing completely different things – often in different time signatures.
Coltrane: They are free to play anything they feel. Tyner plays some things on piano. I don’t know what they are, but they are based on the chords.

Your playing seemed so different from anything we have heard on your records here.
Coltrane: So many people have told me that, it must be true. I’ve got to listen to those records again. I guess I’ve changed in the last year. I’m in the process of changing things around here and finding areas that haven’t been explored.

Het fragment geeft aan dat a. De muzikanten elkaar blindelings moeten aanvoelen omdat ze ruimte krijgen én pakken, b. Dat journalisten ook af en toe naar adem moeten happen bij de wegen die Coltrane’s band bewandelt (luister eens naar het album Coltrane “Live” at the Village Vanguard”) en c. Dat Coltrane zich dus niet eens altijd bewust lijkt van die progressie.

Ik zei eerder dat dit boek voor een deel zeer zeker werkt bij het beter leren kennen van Coltrane en zijn muziek. Voor welk deel niet dan? Je ontkomt niet aan informatie die vaker terugkomt in interviews omdat journalisten vaak dezelfde vragen stellen. Omdat alle interviews uitgeschreven staan, zijn er ook vaak korte, nietszeggende antwoorden en helaas blinken niet alle interviewers uit in het stellen van relevante vragen. Helaas vond ik de interviews van De Ruyter niet best. Dat wil niet zeggen dat ik veel uit het boek heb gehaald en ik ben bang dat ik het grote standaardwerk over Coltrane, The John Coltrane Reference, van dezelfde auteur als dit boek ook nog eens ga doorvorsen. Excuus voor de lezers die geen jazz meer kunnen velen, ik ben nog even niet klaar.

3836585251.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_ (2)
Jazz Covers van Joaquin Paulo is een boek van 29.3 x 29.3 cm en zo’n 4.2 kilo zwaar. Fors en groot dus en dat moet ook, want het gaat om een fotoboek van albumcovers van jazz-elpees, u had het al geraden.

Er valt in zo’n 550 pagina’s dus veel te bekijken, genoeg te lezen en vooral veel te ontdekken. De eerste 40 pagina’s zijn gereserveerd voor een paar korte interviews met mensen uit het vak. Bob Ciano, art director bij platenmaatschappij CTI, Fred Cohen, eigenaar van een speciaalzaak in jazzplaten, Michael Cuscuna, oprichter van een jazzlabel, Rudy van Gelder, opnametechnicus van onder meer het label Blue Note en nog zo wat meer. Het is wel mooi om te lezen hoe dat er aan toe ging ‘in the old days’, als Bob Ciano een werkdag bij CTI beschrijft;

Musicians were all around. People hung out in the art department because it was a big space. We would talk about forthcoming albums and maybe about what the titles would be. Then I would go out working with a small group of photographers and illustrators, trying to find images that might work as covers. I rarely heard the music in advance as I was trying to find images that were eye-catching. It was a small company and we had a very little promotional budget.

Wat opvalt is dat hij de muziek blijkbaar niet hoefde te horen en dat ben ik vaker tegen gekomen. De beroemde ontwerper van jazz-covers Reid Miles, die ik hier al besprak, had zelfs veel meer op met klassieke muziek. Hoewel Ciano blijkbaar een klein promotiebudget had, was er verder genoeg geld want hij mocht covers maken van hoogwaardig materiaal en werd qua kosten nooit teruggefloten.

Ashley Kahn, de schrijver van een boek over het Miles Davis-album Kind of Blue geeft in een interview wat mooie quotes weg over Davis, zoals over zijn relatie ten opzichte van saxofonist John Coltrane;

It was a five-and-a-half-year relationship. John Coltrane would always refer to Miles as “the teacher”. Early on, Coltrane saw himself as a musician but not as an innovator…So when Miles first hired him, Coltrane was waiting for direction. Miles started to kick him in the butt by saying, “No, you figure out your sound in what we are doing now. You figure out what sounds best.”

Dat is goed gekomen, Coltrane werd één van de beste tenorsaxofonisten uit de geschiedenis. Dan de covers zelf. We gaan op alfabetische volgorde de musici af en we trappen af met maar liefst vijf albumcovers van saxofonist Cannonball Adderley. Per album wordt door het hele boek aangegeven de artiest, de titel van het album, het jaar van uitgave, het platenlabel en indien bekend wie de fotograaf, designer of kunstenaar is wiens werk op de voorkant prijkt.

Soms staan er twee covers op een pagina, vaak is de foto paginagroot en dus bijna even groot als de originele hoes. Vaak een feest voor het oog. Niet ieder album heeft een begeleidende beschrijving, dat lijkt een beetje een random verhaal. Van sommige albums zou ik meer willen weten, maar dan wordt volstaan met de albumgegevens zoals ik die hierboven beschrijf.

Je kan het boek ook gebruiken als luistergids. Natuurlijk staan alle grote jazz-artiesten erin, maar ik kende zangeres Lorez Alexandria even niet en dat geldt ook voor Ghanaba, de vader van de Afro-jazz. Hij staat op de cover als een gangsta-rapper, zo’n dertig jaar voor rappers als 50 Cent op dat idee kwamen. Er staan nog heel veel artiesten in waarvan het mij zou verbazen als u die kent dus een beetje liefhebber kan zich uitleven.

Nu staat er een quote van designer Acy Lehman in het boek over die covers:

“Covers are designed to accomplish a single purpose…to get you to pick the record off the rack.”

Dat staat dan bij een cover van multi-instrumentalist Cal Tjader waarvan ik mij afvraag of ik die uit de schappen zou pakken. Dat vraag ik mij nog meer af bij de covers van Buddy Collette’s Swinging Shepherds of die van het Dave Pell Octet. Maar ieder zijn smaak en er staan wat mij betreft ook fenomenaal mooie covers in, zoals die van fluitist Hubert Laws met de prachtige foto’s van Pete Turner, of de Salsa Picante-cover van jazz-pianist Clare Fischer; die wil je ook hebben.

Het gaat dus primair om de vele foto’s, maar er staan gelukkig genoeg weetjes in het boek. U leert de ‘braithophone’ kennen, een combinatie van de alt- en sopraansaxofoon, ontwikkeld door saxofonist George Braith. De auteur wijst u niet alleen op mooie covers maar geeft ook aan wanneer ze (zeer) zeldzaam zijn zodat u extra kunt opletten op de rommelmarkt en doet u muziektips aan de hand zoals het werk van de Nederlandse saxofonist Toon van Vliet.

Eén foutje zag ik, de sterfdatum van zanger- en pianist Bobby Cole is 19 december 1996 en niet 1997 en hij stierf aan een hartaanval en niet aan een schedelbreuk. Met een andere curiositeit was ik nogal druk; de naam van de saxofonist Pharoah Sanders staat op de cover van zijn album ‘Pharoah’s First’ afgedrukt als Pharaoh Sanders. Op alle vinyl-albums die ik op het internet vond staat zijn naam correct als Pharoah Sanders. De enige foute naam vond ik op een cd-hoesje, daar stond weer Pharaoh Sanders op. Dus een luxe-uitgave van een boek over jazz-covers lijkt een misprint over te nemen van een cd-hoesje. U begrijpt, ik zit met talloze vragen.

Dat neemt niet weg dat het een schitterend boek is voor de liefhebber en ik zal het met regelmaat uit de kast pakken, zeker om met meer muziek kennis te maken.

71Le4DOq5kL._SL1200_
Buddy Collette’s Swinging Shepherds

R-7445165-1441644952-7176.jpeg
Dave Pell Octet

ab67616d0000b273e3eef17c60452b291205d2e0
Hubert Laws

R-1721826-1583668286-8294
Clare Fischer

0810972352.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In mijn bespreking over de jazzbarones, Pannonica de Koenigswarter (ofwel Nica), haalde ik al even aan dat zij een boek wilde schrijven. Dat zou moeten bestaan uit de foto’s die ze heeft genomen van de jazzmusici in de clubs van New York midden vorige eeuw, maar vooral ook bij haar thuis. Daar kwamen al die musici bijeen om te jammen en soms voor onderdak. Het moest niet alleen een fotoboek worden, ze legde iedere muzikant dezelfde vraag voor; als je drie dingen mag wensen, welke zouden dat dan zijn?

Zo verzamelde ze driehonderd antwoorden en die zijn uiteindelijk door haar achternicht (die Nica steevast haar kleindochter noemde) Nadine de Koenigswarter samengebracht met veel foto’s in Three Wishes; An Intimate Look at Jazz Greats.

Het boek kan haast niet anders beginnen met de pianist die Nica zo lang heeft gekend en ook in huis heeft gehad;

Memorandum from the desk of Nica de Koenigswarter:
I put the first question to Thelonious Monk….
“If you were given three wishes, to be instantly granted, what would they be?”

He was pacing back and forth, and he paused for a moment to gaze out across the river at the New York skyline. Then he gave me his answer.

And I said, “But Thelonious! You have those already!”

He just smiled and began pacing again. Thelonious Monk:

  1. “To be successful musically”
  2. “To have a happy family”
  3. “To have a crazy friend like you!”

Die eerste wens komt nog al eens terug, samen met de obligate wensen over een goede gezondheid, vrede en geluk voor iedereen en veel geld. Maar er zijn ook interessante wensen bij of soms korte verhalen, die ons dichter bij de artiesten brengen. Wat terugkomt bijvoorbeeld is de wens dat jazzmuziek geaccepteerd wordt als een serieuze kunstvorm. Drummer Elvin Jones komt daarmee net als saxofonist Johhny Griffin, saxofonist Charlie Rouse, pianist Ronnie Matthews en saxofonist Teo Macero die er het meest uitgebreid op ingaat;

“To change the status of jazz. That is, to get rid of the stigma attached to jazz music. You know, a jazz musician is regarded as some kind of freak! This is something which has bugged me for a long, long time. Like, someone will come up to me and say, ‘Oh, so you’re a jazz musician?’ And when I say, ‘Yes, a jazz musician and composer,’ they will look at me altogether differently. It would be marvelous if jazz musicians could be given a status equal to that of great figures of contemporary music.”

Dat leeft nogal dus en die antwoorden brengen de artiest wat dichterbij. Sommige kortere antwoorden ook, zoals bandleider Count Basie en bassist Eddie Jones, die beiden een betere gezondheid voor hun dochter wensen.

Wensen kunnen ook tot speculatie leiden. Er waren geruchten in die tijd dat drummer Art Blakey een relatie had met Nica, hoewel dat nergens uit is gebleken of is bevestigd. Zijn eerste en derde antwoord helpen er echter niet bij:

  1. “That you loved me”
  2. “That Art Junior gets through this shit that he’s in”
  3. “That I get divorced and we get married!”

Ook de wens van trompettist Lee Morgan, “To make a wonderful father and husband”, komt in een wat ander licht te staan als je weet dat hij doodgeschoten werd door zijn vrouw vanwege een buitenechtelijke relatie.

Zijn er nog opmerkelijke wensen? Dat valt mee, in de regel is het gewoon vermakelijk om te lezen. Het is opvallend de pianist Oscar Peterson te horen zeggen “I wish I could play the piano the way I want to” of saxofonist Sonny Rollins “To be able to do what I want to do on the horn”. Of saxofonist John Coltrane die zegt “To have an inexhaustable freshness in my music. I’m stale right now.”

They could have fooled me, maar grootheden die vinden dat ze nog beter kunnen, dat is mooi om te lezen. Misschien moeten we vibrafonist Lionel Hampton nog even aan het woord laten, die ook zijn tijd nam voor een antwoord;

“To be in tune with jazz. Jazz to me is like the human emotions of the Negro. From the time he was in bondage praying to God to give him freedom – that was the blues then, coming from the spiritual vein – and when he was freed some, he would make jazz more happy. It was coming from the Negroes. From the time of the slave in the cotton fields, swinging up, you dig? From the time it got popularized and commercial, and left the cotton fields and railroad tracks, and they were putting it in the cafes. It was the days of King Oliver and Sidney Bechet.”

En dat is maar het eerste antwoord. Gaat u de rest vooral zelf lezen. Het is een mooi boek om door te bladeren, voor de antwoorden op die wensen maar vooral ook door de, soms oude en viezige, maar altijd leuke polaroids (vooral Miles Davis, maar vist u dat zelf maar uit) van vér voor het fotoshop-tijdperk.

0393069400.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Nica’s Dream. The Life and Legend of the Jazz Baroness van David Kastin is het opmerkelijke verhaal van de Rothschild-telg Pannonica de Koenigswarter, ofwel Nica. De Rothschild-familie is, zoals wellicht bekend, een internationale dynastie van Duits-Joodse oorsprong die hun fortuin maakten in de bankierswereld.

Pannonica werd in Londen geboren als de jongste dochter van Charles De Rothschildt en een Hongaarse barones. Ze trouwde in 1935 met een een Franse diplomaat Jules de Koenigswarter en gingen in Frankrijk op een kasteel wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vlucht ze naar de Verenigde Staten maar ze gaat even later toch naar Afrika, waar ook haar man gestationeerd is en beiden spelen ze een grote rol in de oorlog en worden daarvoor onderscheiden.

Als ze later met haar man nog in Noorwegen en in Mexico belandt vindt Nica het mooi geweest. Ze wil naar New York toe, het centrum van de jazzmuziek. Hoe kwam dat zo?

Nica was al door haar broer Victor geïntroduceerd in de wereld van de jazz door zijn platen. Ze werd gegrepen door de nieuwe ritmes en de energie die er van uitging en die aansloten bij haar gevoel van rebellie tegen de geldende, conservatieve Rothschild-waarden. Duke Ellington kreeg de eerste credits, hij maakte van haar een echte jazzliefhebber zo vertelde ze de eigenaar Max Gordon van de jazzclub Village Vanguard;

“Black, Brown and Beige,” she told him, “If you should ask me what record really converted me to jazz, I would have to say it was that one. I didn’t know jazz could be so beautiful.”

Als Nica neerstrijkt in een hotel in New York maken we kennis met alle jazzclubs van betekenis, krijgt u mee wat ‘bebop’ eigenlijk is en ontmoeten we met Nica de jazzmuzikanten van dat moment. Er duiken figuren op als Jack Kerouac, Jackson Pollock en Allen Ginsberg dus dat geeft een aardig tijdsbeeld weer. Nica bezoekt talloze optredens en leert de musici kennen. Dat was niet eenvoudig, aldus publiciste Phoebe Jacobs;

By entering the world of New York’s jazz modernists, the Baroness had joined a highly dysfunctional subculture. “Don’t forget,” Phoebe Jacobs declared, “we’re talking about some guys who were alcoholics, who were drug addicts and led some pretty sick, distorted lives.” Yet Nica was able to see past these shadows to their genius, and heard only the beauty they created.

Want er werden wel degelijk vragen gesteld bij haar motieven. Dat sloeg zelfs om naar hevige kritiek toen altsaxofonist Charlie Parker overleed in haar hotelsuite. Daar heeft ze lang last van gehad, hoewel ze niets anders deed dan hem onderdak bezorgen in die tijd.

Nica was ook wel een opvallende verschijning. Met haar sigarettenpijpje, haar Britse accent en haar zilvergrijze Bentley die ze pontificaal voor een club parkeerde en het prima vond als er wat ‘shabby locals’ op de leren bekleding gingen zitten met hun fles in bruin papier gewikkeld.

Toch is haar belangstelling oprecht. Ze helpt Charlie Parker waar ze kan en dat geldt in overtreffende trap voor de pianist Thelonious Monk. Die laatste zal zelfs jaren in haar huis bivakkeren toen hij veel last van zijn bipolariteit had. Huis, ze zat toch in een hotel? Dat klopt, maar de nachtelijke jam-sessies werden niet door iedereen gewaardeerd, dus kocht Nica een huis. Naast tientallen musici die daar over de vloer kwamen had ze ook 122 katten, het werd niet voor niets ‘Cathouse’ genoemd. Dat had een dubbele betekenis, want jazzmusici werden ook vaak ‘cats’ genoemd.

We leren dus veel over Nica maar ook over de muzikanten. Nica nam een beschuldiging van drugsbezit op zich toen er wat in haar auto werd gevonden. Ze gebruikte zelf geen drugs (had wel altijd een fles Chivas Regal bij zich) maar kreeg aanvankelijk wel een celstraf opgelegd die na lang procederen werd kwijtgescholden. Als een musicus geen onderdak had kon hij altijd bij haar terecht. Dat had tot gevolg dat er aardig wat composities naar haar zijn vernoemd; achter in het boek staan ze allemaal vermeld. Een andere artieste waar een mooi verhaal over wordt verteld is Billie Holiday. Joe Termini, een clubeigenaar, wordt aangesproken door een agent die Billie wil horen zingen, maar die heeft geen vereiste ‘cabaret card’ die nodig is om in dergelijke clubs op te treden. Afgepakt wegens drugsbezit waarschijnlijk.

When Termini explained that she didn’t have a cabaret card, he was told that “it wouldn’t be a problem.” Reassured, he walked over to Holiday’s table. “Hey Lady,” Joe began, “you gonna sing for us tonight?” She looked around the room. “No way,” she told him. “Too many fuzz around here.” “But Lady,” Joe responded, “that’s who wants to hear you sing.”
Kenneth Koch recalled, “It was very close to the end of her life, with her voice almost gone, just like a whisper, just like the taste of very old wine, but full of spirit. She sang these songs and it was very moving.”

Nica maakt inmiddels deel uit van die wereld, schrijft zelfs ‘liner notes’ voor de achterkant van een elpee van Monk en neemt overal waar ze komt de nodige foto’s. Het idee is om daar een boek van te maken maar dat krijgt ze zelf niet van de grond. Haar nazaten wel en dat boek zal ik hierna gaan lezen.

Al met al is het een bijzonder verhaal. Europese adel die naar Amerika verhuist en daar de muziek omarmt van een groep die niet bepaald bovenaan de populariteitsladder staat. Nica stierf op 74-jarige leeftijd en haar naam leeft voort in verschillende jazz-clubs, van Nantes, tot Bodrum en tot in Den Haag. Pannonica, volgens Monk vernoemd naar een vlinder, het bleek uiteindelijk een mot maar dat doet niets af aan die bijzondere naam. Laat ik afsluiten met wat tenorsaxofonist Sonny Rollins (hij leeft nog steeds) over haar dacht, want hij zei iets over de moed van Nica die racisme het hoofd bood in de jaren vijftig;

“By being with the Baroness, we could go places and feel like real human beings,” he recalled. “it certainly made us feel good. I loved the Baroness. She really wanted to help jazz musicians. I think she was a heroic woman.”

0195097335.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Myself when I am real van muziekcriticus, columnist en schrijver Gene Santoro is de biografie van jazzmusicus Charles Mingus, wiens autobiografie ik al las. Het is goed om deze biografie na de autobiografie te lezen, want er wordt zo veel duidelijk over dat laatste boek.

Om daar meteen maar mee te beginnen, er worden een aantal zaken in bevestigd en een aantal zaken ontkracht. Mingus heeft nooit de pooier uitgehangen. Grote verhalen hangt hij erover op, dat wel; feiten zijn er niet over bekend. Zijn temperament, dat was er wel degelijk. Zijn bijnaam ‘Jazz’s Angry Man’ was dubbel en dwars verdiend maar er zaten heel veel kanten aan de man. Het voorwoord geeft een aardige opsomming van wat we kunnen verwachten;

He had a lot of fans who dug his shows. Important and influential critics and record company heads dug his music. He was rich. He died broke. He’d erupt in volcanic passions for dim (if any) reasons. Erratic. Unpredictable. Mood swings. Evil…He chased women constantly. Women, especially white women, adored him.

Dat gaat nog even zo door en in 384 pagina’s levert Santoro het allemaal op. Omdat dit een biografie is ontkomen we niet aan een feitelijke opsomming van alles sinds zijn vroege jeugd, maar Santoro verwijst vaak naar de autobiografie Beneath the underdog en zo gaan steeds meer dingen op hun plek vallen. Dit boek is tevens een mooi tijdsbeeld van de jazz-scene in de jaren vijftig in New York. Een roerige tijd waarin drank en drugs een grote rol speelden. Ook Mingus gebruikte wel, maar niet in grote hoeveelheden. Santoro beschrijft hoe het er aan toe kon gaan tijdens een optreden;

With Art Blakey and Kenny Dorham, both junkies, he watched Bird and Bud Powell self-destruct on Birdland’s fabled bandstand. Powell was drunk; he attacked Bird’s playing. Parker lashed back. Powell smashed the keyboard and walked offstage…Mingus grabbed a microphone and said, “Ladies and Gentlemen, please don’t associate me with any of this. This is not jazz. These are sick people.”
Backstage afterward, Thelonious Monk, who seemed the most eccentric of them all, scolded Powell and the rest. “I told you guys to act crazy,” he said, “but I didn’t tell you to fall in love with your act. You’re really crazy now.” No one said a word. It was the epitaph for an era.

Net als de biografie van Monk geeft ook dit boek een brede kijk op de tijd van toen. Ook de politieke gebeurtenissen komen erin voor en al die invloeden zijn van belang voor de muziek van Mingus. Ook allerlei soorten muziek en literatuur gebruikt hij dit boek is een prima manier om zijn werk beter te leren kennen. Verschillende hoofdstukken zijn aan bekende albums van hem gewijd. Mingus is ook maatschappelijk betrokken met het racisme-thema als grote rode draad in zijn leven. Pianist Mal Waldron vertelt;

With things like “Work Song”, we were going into the area of traditional music. We were going into the background of black people in America, into their experiences in life. Mingus was trying to portray that in his music…He would explain the feeling of a guy with a sledgehammer trying to hit a rock, trying to make little rocks out of big rocks.

Zoekt u het maar eens op op Youtube, zulke verhalen helpen bij het luisteren naar zijn muziek. Het wordt nog mooier met songtitels als The Shoes Of The Fisherman’s Wife Are Some Jiveass Slippers of Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too.

Zijn optredens worden uiteraard uitgebreid beschreven, hij treedt wereldwijd op. Zijn omgang met zijn collega-muzikanten is een verhaal apart. Het is tenenkrommend om te lezen als hij zijn pianiste meer als Duke Ellington wil horen spelen;

The next day, she listened to Ellington records. That night, she played lots of flat fives and nines….Everything seemed fine until the middle of the second set, when Mingus stormed off the stage to the dressing room. The Workshop kept playing to a backdrop of tearing sounds, until he emerged with long strips of terrycloth – a torn-up towel. He pushed her of the bench, crawled below, and tied the piano pedals up.

Toch had ‘Jazz’s Angry Man’ ook andere kanten en ook die krijgen de nodige aandacht, zoals wanneer Mingus trompettist Dizzy Gillespie ziet spelen op een festival in Nice. Mingus zegt;

I was some distance away, and his back was turned. I was looking at him, thinking how important he was and how I hoped he’d live forever. Suddenly Dizzy turned around and said, “Where’s all this love coming from?” He looked at me. “You really do love me, don’t you?” I felt like I was in heaven.

Mingus zelf zou niet oud worden, hij stierf op de leeftijd van 57 jaar aan ALS en dat proces wordt mooi beschreven, maar het moet moeilijk geweest zijn voor iemand die altijd zelf de lijnen uitzette. Het is een prima geschreven boek met uiteraard een utgebreide discografie achterin die ik er nog wel eens bij zal pakken.

0679737618.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Beneath the underdog; his world as composed by Mingus is de autobiografie van jazzmusicus en -bassist Charles Mingus. Het is verre van een traditionele autobiografie. Verwacht geen chronologisch verhaal van jeugd, muzikale opleiding en een lijst van met wie hij wanneer heeft opgetreden.

Het is meer een beatnovel. Novel? Ja, het is een combinatie van feit en fictie en dat wordt vooraf ook aangegeven:

Some names in this work have been changed and some of the characters and incidents are fictitious.

Daar kan je dus alle kanten mee op en kunnen we het dan nog als autobiografie aanmerken? Ten dele zeer zeker. U moet het meer zien als een compositie van Mingus. Net zoals in zijn nummers is het een manier om zijn gedachten te uiten. Hij schreef het ook meer voor zichzelf dan voor het grote publiek. De jazzmuziek die hij maakte en componeerde heeft zelfs niet een heel grote rol, het speelt mee aan de zijkant. Het gaat meer om Mingus zelf en daar komt hij niet eens zo mooi uit naar voren.

Dat heeft te maken met de persoon Mingus zelf. Elders schreef ik al over zijn temperament en in dit boek voegt hij nog iets toe, een tomeloze opschepperij en dan met name over zijn viriliteit. Dat is soms op het pornografische af en als je je er op voorstaat dat je je jeugdliefde én een blanke vriendin kan bewegen om zich voor je te prostitueren weet ik niet wat dat voor een mens van je maakt, anders dan een pooier.

Hij schetst wel waar het vandaan komt. Een gewelddadige vader en onduidelijkheid over zijn ras. Hij is licht gekleurd, hoort niet bij ‘de blanken’ maar ook niet bij ‘de zwarten’. Pooiers waren de mensen tegen wie hij opkeek, met een hoop aanzien, mooie vrouwen en dure spullen. Het zal hem zijn leven lang bezig blijven houden.

In de muziek begint hij met een trombone, dan een cello en vrienden halen hem over om bas te gaan spelen. Daarvoor nam hij contact op met Joe Comfort, de beste bassist in Watts, de plaats waar Mingus opgroeide;

“How can I learn to play bass, Joe?”
“Got one?”
‘Yeah.”
“Turn on the radio and start right in playing with it. That’s how I started.”
Not even knowing the names of the strings or how to tune his instrument, Charles began practicing hour after hour standing by the RCA Victor console radio in the living room and after a few weeks he began to get the feel of it. He could follow what he heard, using cello fingering.

Opvallend is dat het boek in de derde persoon is geschreven, zoals hij hier zichzelf ‘Charles’ en ‘he’ noemt. Vaak gebruikt hij ook ‘my boy’ om zichzelf aan te duiden, het lijkt of hij zo wat afstand wil scheppen ten opzichte van zichzelf.

Hij volgt lessen en belandt bij de beroemde pianist Art Tatum. Langzaamaan wordt hij bekender en gaat hij optreden met Miles Davis, Charlie Parker en neemt Lionel Hampton een nummer van hem op. Hij raakt bevriend met de beroemde maar jong gestorven trompettist Fats Navarro die hem uilegt hoe het werkt in de jazz-scene;

“Jazz is big business to the white man and you can’t move without him. We just work-ants.”

Zo hadden ze volgens Fats ook de zangeres Billie Holiday in de tang:

“They had Billie so hung up they wouldn’t pay the right way, they just put a little money in her hand every night after work, just enough so she come back tomorrow”

Ook geeft hij nog een waarschuwing voor de gevolgen als je tegen die heersende cultuur ingaat;

“You breaking into Whitey’s private vault when you start telling Negroes to wake up and move in where they belong and it ain’t safe, Mingus. When the day comes the black man says I want mine, then hide your family and get yourself some guns.”

Het is een thema van die tijd (en waarschijnlijk ook van nu) waar ook Miles Davis tegenaan liep en die overal in het boek terug komt.

Mingus vertelt over hoe hij zich aameldt bij het psychiatrisch ziekenhuis Bellevue, maar daar later spijt van heeft. Erin komen is één ding hij komt er niet zo makkelijk uit en schrijft dat ze een lobotomie op hem wilden uitvoeren, iets wat volgens hem ook bij pianist Bud Powell is uitgevoerd.

Of dat allemaal waar is weten we niet zeker, hij herhaalt het in ieder geval wel in het interview over zijn autobiografie uit 1971 dat hier te horen is. Uit dat interview komt ook nog zijn interessante theorie dat de jazzmuziek niet voortkomt uit de hoerenhuizen, maar uit de grote huizen van plantage-eigenaren, die hun instrumenten beschikbaar stelden aan slaven die er de jazz op uitvonden.

Een waterval aan belevenissen van een niet heel sympathieke man maar wel van een groot musicus wiens muziek het verdient om gehoord te worden en die in dit boek én in zijn muziek zijn leven verwoordt. Dat kan niet anders met muziektitels als All The Things You Could Be By Now If Sigmund Freud’s Wife Was Your Mother of Hellview from Bellevue (Lock ‘em Up). Omdat ik toch wat meer over Charles Mingus wil weten uit een wat meer onafhankelijke bron ga ik zijn biografie van Gene Santoro nog lezen.

0195304640.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Chasin’ the Bird. The Life and Legacy of Charlie Parker van Brian Priestley is een soort biografie over de legendarische altsaxofoonspeler Charlie Parker, wiens bijnaam ‘Bird’ of ‘Yardbird’ was. Het is geen dik boek, 198 pagina’s in totaal, waarvan de pagina’s 139-199 bestaan uit een uitgebreide discografie, waarin al zijn uitgekomen muziek is opgenomen.

Dat laatste is mooi, maar dan blijft er voor de levensbeschrijving van zo’n jazzgrootheid niet veel ruimte over en dat viel mij dan ook tegen. Misschien moet ik de biografie van Stanley Crouch over Parker maar eens proberen, die telt zo’n 384 pagina’s.

Wat mij bewoog om toch dit boek te lezen is wordt door de auteur toegelicht voor in het boek en is iets waar ik zelf erg nieuwsgierig naar ben;

…Parker’s music contained the seeds of so much that followed it. This, however, becomes blindingly obvious after such a listener has spent sufficient study on the altoist’s recordings to realize that he was light-years ahead of all but a handful of his contemporaries. The purpose of this book is to make that fact clear, and also to relate his musical development to his private life.

Uiteraard heb ik veel van Parker’s muziek beluisterd, maar zo ‘obvious’ is het voor mij nog niet, ook niet na het lezen van dit boek; daar kom ik nog op terug. Het kan ook goed dat ik mij nog meer in zijn muziek moet verdiepen natuurlijk.

Zo kwam voor mij niet heel goed uit dit boek naar voren hoe Parker zo virtuoos is geworden. We lezen iets over zijn eerste pogingen gedurende zijn jeugd in Kansas City. Wat wel duidelijk wordt is dat hij de smaak te pakken krijgt van de saxofoon en naar eigen zeggen elf tot vijftien uur per dag oefent. Dat mag wellicht wat overdreven zijn, maar feit is dat om een zo’n smetteloze techniek te verkrijgen heel veel training nodig is. Bovendien zijn er verhalen dat Parker met een aan hem uitgeleende klarinet praktisch direct uit de voeten kon. Hij was ongehoord muzikaal en bovendien gezegend met een ‘fotografisch’ geheugen voor muziek. Hij ging zijn eigen stijl ontwikkelen;

The ability to play improvised phrases at double the original tempo of the piece…was to become one of the distinguishing characteristics of Charlie’s mature style. Equally…he was in later years famous for the integration of melodic quotations during an improvisation on another tune.

Hij speelt in bands en komt uiteindelijk in New York uit. Zijn privéleven loopt niet over rozen. Hij trouwt twee keer en krijgt twee kinderen, waarvan er één jong overlijdt aan cystic fibrosis. Hij raakt in zijn tienerjaren al verslaafd en zou zijn leven lang met heroïne- en alcoholverslavingen worstelen. Ook belandt hij meerdere keren in een psychiatrische inrichtng, onder meer na één van zijn twee zelfmoordpogingen.

Dat laatste, hoe dat turbulente leven relateert aan zijn muziek komt voor mij niet helemaal uit de verf. Ik lees wel hoe het zijn leven beïnvloed en wat het met hem en zijn omgeving doet. Zo was hij een keer zoek toen hij moest optreden met trompettist Dizzy Gillespie. De producers van het concert herinnerden zich in een later gegeven interview, dat Parker lag te slapen in zijn bad. Gevloerd door alcohol, omdat hij in die tijd excessief dronk om de behoefte aan heroïne te verdringen;

We went to his room [at the Dewey Square] and broke down the bathroom door. We got him out of the tub, dried him, dressed him, got him in a cab, stuck the horn in his hands, and pushed him from the wings on to the stage. The result, which was recorded, can be heard on a record today. It is unbelievable in its speed, ideas, and artistry.

Daar ligt dus een stuk van zijn magie. Hij kon bijna altijd leveren en beter dan de rest. Zijn verslavingen worden hem wel fataal, hij overlijdt in het appartement van de jazz-barones en mecenas Pannonica de Koeningswarter, die hier en hier ook al ter sprake kwam. Hij was 34 jaar, de arts die zijn dood vaststelde schatte hem op 53.

De auteur is met Parker’s dood nog niet klaar met dit boek want dan hebben we goed 100 pagina’s gehad en dat blijft wat mager voor zo’n bewogen leven. Dan volgt er een analyse van Parker’s muziek en daar ligt een deel van de verklaring waarom zijn muziek zo virtuoos was, maar die mij af en toe toch wat ver ging. Er worden notenvoorbeelden gegeven en veel voorbeelden en ik heb getracht het verschil te ontdekken tussen de eerste, vijfde en negende maten van Parker’s nummers Bongo Beep en Bongo Bop, maar daar moet ik gewoon meer tijd in steken of een boek tegenkomen waarin de voorbeelden in wat meer hapklare brokken opgeleverd worden. Een hedendaagse biografie met bijbehorende Spotify-lijst zou ideaal zijn natuurlijk. Voorlopig pak ik toch dit boek er af en toe bij, om het voor mij wat meer ‘obvious’ te maken waarin de grootsheid van zijn muziek ligt. Dat het soms duizelingwekkend snel is en vaak mooi om te beluisteren, dat hoor ik wel.

0684831902.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Thelonious Monk. The Life and Times of an American Original van Robin D.G. Kelley is de uitgebreide biografie van een eigenzinnige jazz-pianist. Het is een boek van 451 pagina’s en na het lezen ervan ben je aardig op de hoogte van de Amerikaanse jazz-scene in de vorige eeuw.

Ik wilde het boek graag lezen omdat Thelonious Monk een heel eigen plaats inneemt onder de jazz-muzikanten. Hij wordt nu beschouwd als één van de grootste artiesten in dat genre, maar daar ging wel wat tijd overheen. Dat komt onder meer door zijn gedrag, wat vaak als excentriek werd omschreven of soms als knettergek, maar waar later de diagnose bipolaire stoornis aan werd gegeven.

Hij groeit op in New York waar hij pianolessen neemt, ook al moet zijn moeder er hard voor werken (zijn vader is niet in beeld). Hij is een snelle leerling en krijgt invloeden mee van klassieke muziek, Caraïbische muziek en de gospels die in de kerk worden gezongen. Hij luistert naar pianisten als Art Tatum, Earl Hines en Fats Waller en ontwikkelt langzaam maar zeker een eigen stijl;

He heard players “bend” notes on the piano, or turn the beat around…or create dissonant harmonies with “splattered notes” and chord clusters…Monk embraced these elements in his own playing and exaggerated them.

Met de jaren werd die speelstijl zijn handelsmerk maar daar was nog niet iedereen klaar voor;

Monk’s chords were a product of years of training, experimentation, and a solid understanding of music theory. Monk knew it, which is why he became so annoyed when critics, musicians, or fans – even the sympathetic ones – described his chords as “wrong” or “weird”.

Het is vaak lastig voor hem om werk te vinden maar hij weet toch steeds bij de verschillende jazz-clubs als pianist op te treden. Hij moet er dan wel voor zorgen zijn ‘Cabaret Card’ te behouden, want zonder mag je niet optreden in clubs waar alcohol geschonken wordt. Dat lukt hem niet altijd, want hij wordt een aantal maal gearresteerd in verband met drugs. Naast zijn optredens begint hij ook met het opnemen van platen. Blue Note is een jonge maatschappij die gelooft in marketing dus wordt hij de “High Priest of Bebop” gedoopt en worden zijn excentrieke trekjes breed uitgemeten.

Die trekjes, dat zijn er nogal wat. Hij komt vaak te laat, is vaak dronken, danst of loopt rond op het podium en steeds vaker er vanaf ook, hjij kan dagenlang lethargisch op bed liggen of ineens een creatieve explosie krijgen waarbij hij dan weer helemaal niet slaapt. Excentriek, maar wellicht de voortekenen van zijn bipolaire stoornis.

Die creativiteit hoor je terug in zjn muziek. Die is vaak zo complex dat zelfs een held van Monk zelf, Coleman Hawkins en de ster van dat moment John Coltrane moeite hebben met wat Monk van hen vraagt. Een typische Monk-reactie volgt dan:

‘You’re the great Coleman Hawkins, right? You’re the guy who invented the tenor saxophone, right?’ Hawk agreed. Then Monk said to Trane, ‘You’re the great John Coltrane, right?’ Trane blushed, and mumbled, ‘Aw…I’m not so great.’ Then Monk said to both of them, ‘You both play saxophone, right?’ They nodded. ‘Well, the music is on the horn. Between the two of you, you should be able to find it.’

Daar kunnen de heren het mee doen. Het boek staat vol met optredens die Monk doet en er komen heel veel namen voorbij want het verloop met de muzikanten met wie hij speelt is groot. Het is een uitgebreide biografie, dus de buitenlandse tournees worden ook beschreven, tot aan optredens in Bussum en Hilversum aan toe. Gedurende al die tijd zijn twee vrouwen altijd bij hem, zijn vrouw Nellie en de jazz-barones Pannonica de Koenigswarter, een Rothschild-telg die tal van jazzmusici financieel helpt en Monk ook heel lang bijstaat.

Het mooie van dit boek is dat je op heel veel mooie muziek gewezen wordt, je zoekt televisiefragmenten erbij die vaak terug te vnden zijn op Youtube, zoals de documentaire Straight, No Chaser die er over Monk is gemaakt, maar de grote meerwaarde is dat je veel kennis opdoet over jazz in het algemeen. Waarom de muziek van Monk zo knap in elkaar zit, waarom de muziek van Ornette Coleman ineens als een bom insloeg of wat het belang van pianist Bud Powell was. Je bent er zowat bij als beschreven wordt dat Powell na een afwezigheid van zes jaar zich weer laat zien in de club Birdland;

Bud Powell had barely walked through the door before Birdland exploded with applause. As he made his way to the bandstand, holding fast to Francis Pandras’s arm and greeting well-wishers and old friends, the whole room was on its feet clapping and shouting. Birdland’s diminutive emcee, Pee Wee Marquette, held the microphone and attempted to introduce ‘the Amazing Bud Powell’ but the ovation lasted seventeen minutes.

Dus luister ik naast de muziek van Monk ook naar de muziek van Powell en ben er zelfs achter gekomen dat de beroemde Pee Wee Marquette nog bij David Letterman in zijn show is verschenen. U begrijpt, ook terug te vinden op Youtube.

Achter in het boek staan alle nummers die Monk heeft geschreven met een korte toelichting dus dat wordt vanzelf een luistergids. Een prima leesbaar boek, een prachtig tijdsbeeld en goed naslagwerk, ook omdat de besproken nummers opgenomen zijn in de index en dus overal in het boek terug te vinden zijn.