archiveren

Maandelijks archief: april 2010

03f0278c881bb2359376e6f5741444341587343

Ik voelde mij sinds vorig jaar licht bezwaard nooit wat van Martin Bril te hebben gelezen. Dat maak ik bij deze goed. Precies een jaar na zijn dood kocht ik De Kleine Keizer. Het is een bundeling van verhalen die deels zijn verschenen in het Belgische dagblad De Morgen en in de Volkskrant.

Het zijn verhalen en anekdotes over een passie, Napoleon. Om zo’n onderwerp in een boekje van 193 pagina’s te beschrijven dwingt je tot fragmenten. Volledigheid is onmogelijk, maar volledigheid hoeft ook niet.

Bril wandelt aan de hand van een aantal thema’s en specifieke gebeurtenissen door het leven van Napoleon. Zo heeft hij het over Napoleon, gedefinieerd door de stilte om hem heen:

De stilte rond Napoleon.

Niemand durft iets te zeggen. Iedereen wacht op hem, altijd. En op heel wat schilderijen is die stilte ook te zien. Napoleon in Egypte. Zijn officieren op een afstandje. Napoleon bij Austerlitz: dommelend op een stoel bij een kampvuur. Zijn officieren op eerbiedige afstand…Alleen, en niet alleen, eenzaam tot in de kern…Een man, gedefinieerd door de stilte om hem heen – meesterlijk vind ik het.

Bril noemt verschillende schilderijen bij naam en ik heb ze allemaal opgezocht, het verhaal gaat zo meer leven. Hieronder het schilderij dat volgens de overlevering het meest op hem lijkt en één van de zeldzame afbeeldingen met een zweem van een glimlach. Hij heeft het verder over Napoleon in Gorinchem, over zijn vrouwen Josephine en Marie-Louise, zijn verbanningen naar Elba en Sint-Helena, over de Slag bij Waterloo. Maar hij haalt ook onbekendere verhalen naar boven, over de Nederlander Dirk van Hogendorp die zich in de hofhouding van Napoleon weet te wurmen, of over de koning van Rome, Napoleons zoon, die al vroeg aan de tering bezweek.

Bril komt met veel weetjes. Vizier, een wit paard van Naopleon, is nog steeds in opgezette vorm te bewonderen in het Musée de l’Armée in Parijs. Van de hoeven van Marengo, het paard waarop hij van en naar Moskou zou zijn gereden, maakten de Engelsen asbakken. Die dingen staan nog steeds in Buckingham Palace. Je hebt er niks aan maar ik vind het leuk om te weten.

Bronvermeldingen staan niet in het boek, we moeten Bril op zijn blauwe ogen geloven. Als hij schrijft dat Napoleon op weg naar Elba in een herberg gevonden wordt, zachtjes snikkend in een hoekje van de gelagkamer, dan moet hij dat hebben uit één van de honderden boeken die hij heeft gelezen over dit onderwerp. Hij krijgt het voordeel van de twijfel.

Soms is Bril breedsprakig. Als hij zegt dat er veel horeca op de Napoleonsbaan zit volgt een hele verhandeling over een brief van een administrateur van Feijenoord die in één van de uitspanningen aan de muur hangt. Geen idee wat het toevoegt. Ook spreekt hij zichzelf soms tegen, zoals op pagina 44:

Napoleon was een man van de zee, of op zijn minst een man van eilanden.

Veertien regels later, dezelfde pagina:

Hij was als eilander een man van het land, en helemaal niet van het water.

Maar laten dit kleine kanttekeningen zijn (vooruit, nog één op blz 133, “de wieg waarin de zoon van Napoleon werd geboren staat tentoongesteld” – dat zal een flinke wieg geweest zijn), ik heb mij toch prima vermaakt met dit luchtig werkje. Extra leuk voor mijzelf is dat Bril een ceremonie bijwoont bij Quatre-Bras, ter nagedachtenis aan de Nederlandse inbreng aan Engelse zijde, waar een oude bekende uit mijn diensttijd in Duitsland bij de Huzaren van Boreel, luitenant-kolonel Johan, een toespraak houdt. Alleen daarom al mag dit boek niet meer uit mijn kast.

Als mensen nog tips hebben voor onmisbare Napoleonboeken (er zijn er nogal wat) dan hoor ik het graag.

napoleon-study[1]

Jacques-Louis David: Napoléon dans son cabinet de travail aux Tuileries

ab96767a73edd27593148345177444341587343

Ik weet niet of ik Hersenschimmen van J. Bernlef nu een mooi boek moet noemen, een treurig boek of (lekker veilig) een knap geschreven boek. Het is het allemaal. Het is één van die boeken waarvan ik de titel kende maar die ik natuurlijk nooit gelezen had. De laatste tijd ben ik wat meer van dat soort boeken gaan lezen en dat bevalt prima. Vooruit, ik was onder de indruk van dit boek.

Maarten Klein is gepensioneerd en woont met zijn vrouw Vera in Gloucester, aan de kust boven Boston. Zijn kinderen Kitty en Fred zijn al even de deur uit en wonen in Nederland. Zoals zo vaak staat hij voor het raam, te wachten op de schoolgaande jeugd die verderop in de bus stapt. Hij verwondert zich erover dat ze zo laat zijn. Het is zondag, dat was hij vergeten. Vanaf dit moment ontvouwt zich een verhaal, verteld vanuit Maarten, waarin hij te kampen heeft met een snel toenemend geheugenverlies. In het begin zit hem dat in kleine dingen, zoals wanneer hij thee drinkt met Vera:

Ik drink de thee. Opeens raak ik geïrriteerd. Ik sta op. ‘Ik moet even naar het toilet.’ Dat zei ik altijd op mijn werk. Thuis zeg ik altijd gewoon ‘naar de wc’. Het nuanceverschil valt haar natuurlijk direct op.

Maarten merkt dat hij zich meer en meer in situaties bevindt die hij niet onder controle heeft. Er komen herinneringen van vroeger boven, aan zijn vader, aan de oorlog en aan school. Als hij terugdenkt hoe hij van de juf eens een potlodendoos moest pakken uit de kast in de gang, merkt hij dat hij thuis ineens op een keukenstoel in het washok staat. Hij komt op verschillende tijden zijn bed uit, het besef van tijd vervliegt.

Het gaat in snel tempo van kwaad tot erger. Maarten vertrekt naar vergaderingen van het bedrijf waar hij al lang niet meer werkt. Breekt deuren open om naar buiten te gaan en vraagt bij herhaling naar lang overleden huisdieren. Vera ziet het aan en haalt een dokter erbij. Samen proberen ze herinneringen op te halen.

Als Vera aan een hulp vertelt wat haar gevoelens zijn bij het gedrag van Maarten wordt dit prachtig beschreven door Bernlef:

‘Ruim veertig jaar ben ik met hem getrouwd. En dan opeens dit. Meestal gaat zoiets langzamer, geleidelijk. Maar bij hem is het opeens begonnen. Ik voel me erdoor overvallen. Het is wreed en onrechtvaardig. Ik kan soms zo woedend en opstandig worden als ik zie hoe hij naar me kijkt als uit een andere wereld. En dan weer ben ik alleen maar droevig en wil ik hem zo graag begrijpen. Of ik praat maar met hem mee en dan schaam ik me later. Ik ben blij dat jij er bent want het wordt me soms echt te veel. Dan kan ik het echt niet meer aanzien. Nu kan ik er tenminste soms even uitlopen.’

Even is het stil. Ik voel de tranen langs mijn oogleden op mijn wangen lopen.

Dat is het schrijnende. Er zijn momenten van helderheid, maar die worden steeds schaarser. Maarten denkt meer en meer in fragmenten en zo wordt het verhaal ook verteld. Uiteindelijk kan hij niet meer thuis blijven en wordt hij meegenomen:

Meubels, piano, een heel interieur, een hele kamer wankelt en kantelt aan mij voorbij. Vera staat bij de deur. ‘Vera!’ Ik wil overeind komen, scheef hangend mijn armen naar haar uitstrekken. ‘Vera!’ Lig vast, geboeid. Ze dragen me de deur door en ik roep haar, ‘Vera!’, maar ik zie haar niet meer…

De hersenschimmen zijn alom tegenwoordig nu. De helderheid verdwijnt meer en meer. Ik begrijp beter wat mensen doormaken die dit moeten meemaken. Bernlef heeft een aangrijpend boek geschreven.

d4cad87b55ef251593265725751444341587343

Alea iacta est, zei Caesar bij de Rubicon en ik zeg het gewoon op de bank thuis. De kant van Swann van Marcel Proust is gelezen, is uit en ligt achter mij en dat is jammer. Maar ook weer niet, want het is de aanzet tot een groot avontuur.

Zoals velen moest ik er ook even toe komen. Je begint niet in een verloren uurtje aan A la recherche du temps perdu.

Ook ik kende de verhalen over dikke boeken, lange, doorwrochte zinnen en eindeloze bespiegelingen. Nu, na het eerste deel weet ik meer. Moet je omzichtig omgaan met een literaire mammoet als deze? Welnee, geen zorg. Begin eraan, desnoods in een verlaten uurtje maar neem de tijd. Neem alle tijd.

Ik heb natuurlijk te snel gelezen. Ik kan zo’n boek niet na 10 bladzijden opzij leggen. Ik wil weten wat er komt, ik ben zelf namelijk ook erg goed in mijmeren. Ik mijmer dus eindeloos mee. Over de inhoud hoef ik niet te zeer uit te weiden. Het zijn geen ingewikkelde plots maar redelijk omlijnde delen. Deel 1 gaat over des vertellers jeugd in het gehucht Combray. In dit deel troffen mij de prachtige beschrijvingen van de omgeving en natuur:

De hoogte van een onduidelijke boom aftoppend, beijverde een onzichtbare vogel zich om de dag korter te laten lijken, zocht met een langgerekte noot de omringende eenzaamheid af, maar kreeg er een zo eenstemmig antwoord uit terug, van de weeromstuit dubbel zo verstomd en roerloos, dat het was of hij zo-even het ogenblik dat hij vlugger voorbij wilde laten gaan voor altijd had stilgezet.

Zulke zinnen herkauw ik graag even. Beroemd is de scène waarin een madeleine-cakeje, gedoopt in de lindebloesemthee de schrijver terugschiet naar zijn jeugd. Dat wordt nog eens prachtig samengevat:

Zo…kwamen nu alle bloemen van onze tuin en van het park van M. Swann, en de waterlelies van de Vivonne, en de brave lieden van het dorp en hun woninkjes en de kerk en heel Combray en zijn omgeving, kwam dat alles, vorm en vastheid krijgend, tevoorschijn, stad en tuinen, uit mijn kopje thee.

Het boek heeft nog twee delen. Deel 2 handelt over monsieur Swann en het leven dat hij in de salons van Parijs leidt. Geen beschrijvingen meer van de prachige natuur, maar des te meer portretten en observaties van de salondeelnemers. Zijn relatie met de wispelturige Odette kent pieken en dalen. Hij beweegt zich in voornamere kringen, houdt van serieuze muziek en Hollandse meesters (met name Vermeer). Zij wil zich graag bewegen in die voorname kringen, houdt van populaire walsen en heeft geen idee wie Vermeer is. Toch komt Swann niet los van Odette, die hem genadeloos weet te manipuleren. In het korte derde deel krijgen we weer een terugblik en wordt duidelijk waar Swann en Odette eindigen.

Zoals gezegd heb ik het boek voor mijn gevoel te snel gelezen. Er zit veel meer in het boek dan hier te beschrijven is. Ik heb een boek besteld, Paintings in Proust, waarin alle schilderijen worden getoond die in “A la recherche…” worden genoemd. Ik ga de muziekstukken erbij zoeken die worden genoemd, inclusief de door Swann en Odette zo geliefde Sonate van de niet bestaande componist Vinteuil (die is bijv. gereconstrueerd door de Chileen Jorge Arriagada en door de Belg Boudewijn Buckinx). Hiervoor zal ik het boek voor een groot deel weer herlezen en dat is echt geen opgave. De prima (herziene) vertaling van Thérèse Cornips heeft ervoor gezorgd dat ik geen probleem heb gehad met de lange zinnen. Het leest vloeiend. Zij gaat in de komende jaren de overige delen ook herzien. Voorlopig ben ik dus aangewezen op dit deel en kijk ik reikhalzend uit naar het vervolg.

5a34bdb7b160ddb59337a535267444341587343

Door het lezen van Hoe Proust je leven kan veranderen van Alain de Botton heb ik mijn grote teen vast gedipt in de mèr à boire die Proust toch is. Getipt door een recensie van Anna van Gelderen schafte ik het onverwijld aan om daarna door te stoten naar het magnum opus, Op zoek naar de verloren tijd.

Het zal wel even duren voordat ik dat achter mijn kiezen heb, want ik kies voor de herziene vertaling van Thérèse Cornips, waarvan onlangs het eerste deel is verschenen.

Terug naar De Botton. Op de achterkant wordt het boek aangeprezen als een diepzinnig doe-het-zelf boek waarin we antwoorden vinden op prangende vragen als: hoe blaas je een liefdesrelatie nieuw leven in? Hoe kies je een goede arts? Hoe breid je een vriendenkring uit enzovoort. Waarom kom ik dit boek nu pas tegen?

De hoofdstuktitels doen je wel denken aan een soort zelfhulpboek. Hoe je vandaag van het leven kunt genieten, Hoe je voor jezelf kunt lezen, Hoe je met succes kunt lijden en Hoe je boeken weglegt. Dat prikkelt de nieuwsgierigheid en dan begint hoofdstuk één:

Er zijn weinig dingen waar mensen zich zo toegewijd mee bezighouden als met ongelukkig zijn. Als we door een kwaadaardige schepper op deze wereld zijn gezet met als enig doel te lijden, dan mogen we ons op de borst slaan voor het enthousiasme waarmee we ons van die taak kwijten.

Ai, we zijn goed in lijden. Hoe dan toch vandaag van het leven te genieten? De Botton haalt een anekdote aan uit het leven van Proust, waarbij Proust aan moest geven wat te doen bij een naderende Apocalyps. Nou, Proust gaat nog naar het Louvre, gaat op bezoek bij mevrouw X en maakt nog een reis naar India. Zaken die ver van hem afstonden in zijn echte leven, maar daar gaat het niet om. De Botton geeft aan:

Het feit dat we plotseling aan het leven gehecht blijken wanneer we oog in oog staan met de dood, doet vermoeden dat we, toen het eind ervan nog niet in zicht was, niet de lust in het leven zelf hadden verloren maar in onze alledaagse versie ervan en dat onze gevoelens van onvrede eerder het gevolg waren van een bepaalde levenshouding dan van een hopeloos zwartgallig aspect van de menselijke belevingswereld.

Aha, daar prikt De Botton onder het ogenschijnlijk oppervlakkige antwoord van Proust. Het maakt ons scherper in de beleving van het leven zelf.

Dat geldt ook voor de overige hoofdstukken. De toon is licht, maar er is een boodschap. Ik heb in mijn aantekeningen meer dan tien citaatmogelijkheden opgenomen maar toen ben ik gestopt. Het is onbegonnen werk. Ik kan net zo goed het boek overschrijven.

Nog één voorbeeld dan uit het hoofdstuk Hoe je met succes kunt lijden. Proust had een lange lijst van kwalen en was daardoor geenszins te benijden. Toch ging hij er op Proustiaanse manier mee om. De bloem kreeg nooit de schuld van een astma-aanval. Als zijn eigen liefdesleven een puinhoop is, feliciteert hij hoffelijk zijn vaste chauffeur met zijn huwelijk. Klein of groot leed weet hij om te zetten in ideeën; hij doet er zijn voordeel mee en De Botton weet hier een mooie moraal uit te sleuren:

De moraal? We moeten inzien dat onze grootste kans op tevredenheid ligt in de gecodeerde wijsheid die ons wordt aangereikt door onze hoestbuien, allergieën, openlijke blunders en emotioneel bedrog, en niet zo ondankbaar zijn als zij die erwten, vervelende figuren, de tijd en het weer overal de schuld van geven.

Een aan te bevelen boek voor al diegenen die in een zee van tijd willen stappen om Op zoek naar de verloren tijd aan te vangen, of voor diegeen die gewoon een mooi boek willen lezen met een laagje extra.

0851b48d1aef233593561515751444341587343

Het boek Duivelinnen en demonen van Jules Amédée Barbey d’Aurevilly zorgde bij het eerste verschijnen in 1874 voor grote opschudding. De schrijver kreeg prompt een aanklacht aan zijn broek vanwege zedenbederf. Reden genoeg om het boek eens te lezen.

Nu maakt de schrijver meteen een slechte beurt bij mij, want hij blijkt een onomwonden mening te hebben over Goethe, een schrijver waar ik veel genoegzame uren mee heb doorgebracht:

Nou, u zult het nooit geloven – of toch, u zult het geloven als u Goethe hebt gelezen – de grote Goethe verveelde me, hij kogelde me neer van verveling…Zonder Frankrijk…zou Goethe slechts zijn Duitse lawaai hebben gemaakt – wat klokkende geluidjes in een inktfles!

Daar kan Goethe het mee doen. Barbey d’Aurevilly moet zichzelf na zo’n uitspraak wel even bewijzen en ik moet zeggen, hij komt een eind. Er staan zes verhalen in het boek die stuk voor stuk portretten geven van “duivelse” personages. In het nawoord staat dat de verteller inspeelt op de ongezonde nieuwsgierigheid van zijn luisteraars, die zo medeplichtig worden aan de gebeurtenissen, met andere woorden, aan het kwaad.

Dat kwaad speelt zich in het eerste verhaal af achter een rood gordijn. Een reiziger vertelt aan een medepassagier wat hij achter dat gordijn heeft meegemaakt, een amoureus avontuur met een macaber eind. Een ander verhaal laat Don Juan vertellen welke van zijn veroveringen hem het liefst was. Ook dat is niet wat men verwacht. Verder is er het verhaal van een overspel, moord en een stel dat hier zielsgelukkig van wordt.

Prachtig is het verhaal over La Pudica, een vrouw die even kuis als wellustig is. Ze gaat vreemd met het voltallige dragonderregiment maar gaf zich aan niemand:

Zij wentelde zich in haar kuisheid en haar schaamte, en bleef onder de teugelloosheid van onze opgezweepte zinnen ondoorgrondelijk als een sfinx.

Het laatste verhaal is een mooie proeve van ultieme wraak. De comtesse de Sierra Leone wordt uitgehuwelijkt aan een graaf voor wie ze geen liefde voelt. Ze krijgt een minnaar maar de graaf laat hem vermoorden. Zij zal er voor zorgen dat hij geconfronteerd wordt met datgene wat hij het meest vreest, de teloorgang van zijn familienaam.

Er komen een paar gruwelijke scènes voor die ik niet zal citeren om een x-rating te voorkomen, maar Barbey d’Aurevilly weet ook weg met bloemrijke beschrijvingen:

Je moest eens zien hoe, bij de geringste woordenwisseling zijn vulkanische borstkas uitzette en hij nog bleker werd, hoe zijn voorhoofd doorklieft raakte met golvende rimpels, zoals de zee in een ziedende orkaan, en zijn pupillen als twee vlammende kogels uit het hoornvlies schoten alsof ze zijn toehoorders wilden treffen.

Heerlijk. Prachtige verhalen met rafelranden uit de Zwarte Romantiek, verluchtigd met gravures die de Belgische kunstenaar Félicien Rops maakte voor de uitgave van 1882.

9045000695.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Ik heb Datumloze Dagen van Jeroen Brouwers nog maar net in huis maar kon hem niet laten liggen. Benieuwd of één van Neerlands grootste stilisten mij weer kon verbazen. Dat kon. Het is geen dik boek, een monoloog van 186 pagina’s, maar het is werkelijk prachtig geschreven.

Het onderwerp is des Brouwers. Hij is getrouwd, er komt, ondanks dat hij dit niet wil een zoon, hij keert zich af van zijn vrouw en gaat vreemd en vertrekt uiteindelijk. Hij ziet zijn zoon Nathan maar twee, drie keer per toeval in zijn leven. Dan krijgt hij bericht dat zijn zoon terminaal ziek is en zoekt hij hem voor het laatst op.

Dan heb je de samenvatting wel gehad. Brouwers staat niet bekend om een ongebreideld positieve kijk op het leven en etaleert zijn gevoelens hier met verve. Wat echter vooral bijblijft, is de knappe constructie van het verhaal. Het begint met een wandeling in het bos;

Ik sloeg een dwarspad in, daarjuist, waar het rood van de paddenstoelenhoeden me als koorts in het gezicht sprong. Tientallen, een paar honderd, het pad was ermee bedekt als met een enkele centimeters boven de aarde zwevende loper…Mijn ogen werden warm, in de troebelte van mijn blik werd het rode bospad vloeibaar, het veranderde in een stroompje waarin alle tinten rood tot één rood samenvloeiden…

Die rode lijn van het bospad komt later nog terug. Dat geldt ook voor het witte kruis op de boom dat het einde markeert van diens leven. Hij beschrijft de stilte in het bos op een manier die je aan het eind van het boek weer tegenkomt, met beelden van de stilte uit een ziekenhuis. De natte krant die de troosteloosheid weergeeft van zijn huwelijksreis in een nat Domburg keert later ook weer terug. Het geeft aan dat het een goed doordacht boek is en een afgerond geheel.

Naast het prachtige taalgebruik is Brouwers vooral onverbloemd in het etaleren van de gevoelens en daden van zijn hoofdpersoon:

Drank vermengd met Thais gekleurde derrie, alles kwam er in brede golven uit, de bijbehorende geluiden probeerde ik achterwege te laten en ik hoopte dat men mij niet zo zou zien. Alsof de pot een altaar was, hing ik er op mijn knieën voor, mijn hoofd eroverheen gebogen, met betraande ogen, in mijn onderbroek.

Nietsverhullend en confronterend. Anderen maar vooral zichzelf met zijn eigen zwakheden en feilen. Brouwers ten voeten uit en één van de schrijvers die ik koester. Zijn essays over zelfmoorden in de Nederlandstalige letteren heb ik nog liggen. Ik kan mij er nu al op verheugen…

acde4c3c5dae56e59357a795767444341587343

Gerrit Komrij‘s laatste bundel, Morgen heten we allemaal Ali, bevat ondermeer de teksten van een aantal lezingen die hij heeft gehouden, samen met een aantal prozateksten en essays. Allemaal herzien en gereviseerd. Dat is mooi, maar ik kende ze toch al niet dus begon met een fris gemoed te lezen.

Ik moet zeggen, aus einem guss. Het eerste verhaal liegt er al niet om en heet Het verraad van mijn generatie. Komrij en generatiegenoten uit 1968 gingen natuurlijk ergens voor. Provo, protesten, sexuele vrijheid, alles zou anders worden. Het mag duidelijk zijn wat er van de generatie geworden is, het zijn bazen en baasjes, handelaren in entertainment en uiteindelijk verraders. Laat het aan Komrij over om hierover uit te weiden.

Vervolgens gaat hij de omarming van de Nederlandse knuffelhomo’s te lijf. Gerard en Gordon domineren, Jos Brink was helemaal geen baanbreker voor homo’s en uiteindelijk valt er voor homo’s weinig eer meer te behalen. Ook een prima hoofdstuk.

De titel van het boek is ontleend aan een uitspraak van Komrij uit 1983. Het vormt een mooi handvat om de tijdgeest van tegenwoordig te vatten:

Intussen benoemt de minister van Binnenlandse Zaken de politiek acceptabele rapper en komiek Ali B tot adviseur. Ali B had immers zulke wijze antwoorden toen hem op de treurbuis naar de oplossingen van wereldraadselen werd gevraagd.

Het deel over Wagner en ik geeft een mooie monoloog over de uitwerking van het woord “Wagner” op het gemoed van iemand die zich “ik” noemt. Het is dus geen beschrijving van de componist en zijn werk en dat is verfrissend:

Er was iets aan de hand met fout en goed en zolang het tweetal bestond bleef het touwtrekken. Wagner kon niet fout of helemaal fout zijn, want wat hem werd verweten was pas na hem ontstaan of door toedoen van anderen, min of meer toevallige nazaten, en vast en zeker was Wagner ook niet voor honderd procent goed geweest maar dat had niets te maken met het foute van mensen die naderhand zijn muziek ophemelden..

Komrij poneert leuke stellingen. Bestaat er foute muziek? Een moordenaar een dief kunnen we fout noemen maar muziek? Maar als muziek niet fout kan zijn, kan ze ook niet goed zijn…

Er staan verder nog stukken in over polemieken, essays, poëzie en erg vermakelijk is het deel Verdwenen Regenwoud. Dat gaat over lezen, boeken en het verzamelen ervan en levert uiteraard mooie quotes op:

Een dag waarop je geen boek koopt is een dag die ook geestelijk als een dorre woestijn is.

Ik had een pesthekel aan leners. Het lenen van een boek staat haaks op het hebben van boeken. Je leent toch ook je snijtanden niet uit of je broekspijp?

Het enige dat van mij mag ontbreken zijn de verzamelde tweets. Dat is me net iets te makkelijke vulling voor zo’n boek. Ik volg hem wel op twitter. Voor mij wel een boek om te herlezen (al doe ik dat zelden), het gaat toch aus einem guss…

Leuk: de actieve blogger Achille van den Branden wordt genoemd op de binnenflap van het boek