7fbefaf51b7f1c059686d507467444341587343
John Barton heeft met zijn boek De Bijbel een lijvig werk geschreven van zo’n 623 pagina’s. Ik was getriggerd door de ondertitel Het boek, de verhalen, de geschiedenis (oplettende lezers zien dat deze ondertitel iets afwijkt van de ondertitel op bovenstaande afbeelding, maar zo staat het echt op mijn stofomslag). Het gaat over al die verhalen die in de Bijbel staan en hoe die verhalen, wetten, spreekwoorden, profetieën, gedichten en brieven uit de Bijbel tot stand zijn gekomen en wat we weten, maar ook vooral niet weten, over hun auteurs.

Vanuit mijn jeugd heb ik al die verhalen wel meegekregen. Ik wist van profeten, alle boeken van het Oude én het Nieuwe Testament kon ik opdreunen, maar er is nooit vertèld over die profeten of al die anderen die blijkbaar nodig waren om het belangrijkste boek van de westerse cultuur te schrijven.

Daarom was ik nieuwsgierig naar dit boek. John Barton is hoogleraar en priester van de Anglicaanse kerk en geeft zelf aan wat hij met dit boek beoogt;

Ik wil laten zien hoe het boek is ontstaan, zich heeft ontwikkeld en in de loop der eeuwen is gebruikt en geïnterpreteerd zowel binnen het christendom als het jodendom…Al doende zal ik vraagtekens zetten bij de neiging van bepaalde groepen godsdienstige gelovigen om van de Schrift zoiets bijzonders te maken dat zij niet meer gelezen kan worden als willekeurig welk ander boek ‘doordat men aan de Schrift meer toekent dan zij kan hebben’

Gezond kritisch dus en dat sprak mij aan. Hij trapt af met het Oude Testament en het wordt al snel duidelijk dat veel verhalen komen uit een lange traditie van vertelkunst. Vaak, en het verhaal van de Zondvloed is daar een voorbeeld van, lijken diverse verhalen met elkaar te zijn verweven. Barton geeft aan dat verhalen ook zijn geredigeerd en zelfs aangevuld met verzonnen gedeeltes, zoals in het verhaal van de boosaardige koning Manasse van Juda. Hij gaat ook in op de waarschijnlijk fictieve personages van Ruth, Jonas en Ester.

Het Oude Testament kent een veelheid aan bronnen. Spreuken kan deels worden teruggevoerd op een Egyptisch document, de wetboeken in de Bijbel vertonen sterke verwantschap met andere bekende wetboeken uit het Nabije Oosten. Barton staat stil bij de Tien Geboden die door Mozes ontvangen zouden zijn. Die geboden en wetten duiden namelijk op een agrarische gemeenschap, terwijl Mozes toch echt als een nomade op reis was met zijn volk toen hij ze ontving.

De profetische boeken zijn ook een verhaal apart. Profeten schreven in de regel geen lange, samenhangende boeken, maar deden korte, bondige uitspraken. Deze zijn verzameld en waarschijnlijk door discipelen opgeschreven, waardoor de profetische boeken zijn ontstaan. De profeet Jeremia is de enige die wel zijn gedachten liet opschrijven door zijn secretaris. En passant toont de auteur ook even aan dat de tekst van Jesaja niet minder dan een knoeiboel is.

Het Nieuwe Testament is ontstaan vanaf ongeveer 70 na Christus, waarbij sommigen menen dat het evangelie van Marcus het oudst bekende is. De evangeliën zijn gebaseerd op herinneringen die mondeling overgeleverd zijn, maar waar, na de dood en opstanding van Jezus, wel een generatie overheen ging. Het vormt ook geen consistent geheel. Soms is er overeenstemming, maar vaker zijn er verschillen en soms tegenstellingen. De datering is ook lastig;

De datering van nieuwtestamentische boeken is wel omschreven als een lange rij dronkenlappen die elkaar overeind houden zonder een stevige muur om tegenaan te leunen.

De datering van Paulus’ brieven is nog te doen, tussen de jaren 40 en 60. Die brieven zijn de vroegst bekende christelijke literatuur en waren bedoeld om voor te lezen aan christelijke geloofsgemeenschappen. Interessant is ook weer te lezen dat de Paulus uit zijn brieven weer verschilt van de Paulus uit het boek Handelingen. Barton legt het allemaal uit. Ook gaat hij uitvoerig in op de oorsprong van de evangeliën en waarom ze onderling verschillen.

Eigenlijk vind ik dat het meest interessante deel van het boek, maar er zijn ook nog deel drie en vier. Die gaan over de Bijbel en zijn teksten en de betekenissen van de Bijbel als boek. Hier volgt voor mij een beetje de makke van dit boek. De auteur weet vreselijk veel en hij etaleert die kennis met verve, maar het gaat soms wel diep. Zo staat hij uitgebreid stil over het woord ‘rustplaats’;

…waarin staat dat God boos was op de generatie Israëlieten die met Mozes uit Egypte vertrok: vanwege hun hardnekkige ongehoorzaamheid zwoer hij: ‘Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen.’ Daarop volgt…een lange preek die om het woord ‘rustplaats’ draait, en tracht aan te tonen dat de passage in wezen een voorspelling was van de ‘rustplaats’ die Jezus zijn volgelingen zou schenken.

En dat gaat dan zo nog even door. Ontegenzeggelijk boeiende materie, maar houdt u de aandacht er even bij. Makkelijker te lezen zijn de verhalen over de gruwelijkheden die in de Bijbel staan, of de ogenschijnlijk onmogelijke verhalen zoals het doodslaan van kinderen tegen de rotsen of het scheppingsverhaal dat ergens met de evolutieleer in het reine moet komen. Barton geeft precies weer hoe men daar mee om gaat.

Tenslotte is er aandacht voor de Bijbel door de geschiedenis heen. De Bijbel in de Middeleeuwen, de invloed van Luther, Erasmus, Calvijn en Spinoza op de teksten, de verspreiding ervan én de verschillende vertalingen.

Het boek bevat dus een stortvloed aan informatie en het leest niet altijd even makkelijk weg, maar toch een aanrader voor wie nieuwsgierig is naar het ontstaan van de Bijbel.

Vertaling; Ton Heuvelmans, Aad Janssen en Marianne Palm

IMG_6817 (002)
En dan weet je ineens een stuk meer over ruiterstandbeelden. ‘Helden’ op hengsten is net verschenen en is het resultaat van een jarenlange zoektocht naar ruiterstandbeelden, waar dan ook ter wereld, door Kees van Tilburg. Dat idee is niet helemaal nieuw, de auteur werd geïnspireerd door een klein bericht in The New York Times van 1899, waarin ene S.H. Kaufmann ook een poging waagde om alle ruiterstandbeelden ter wereld in kaart te brengen.

Zo’n project heeft kaders nodig, want wat verstaan we onder een ruiterstandbeeld? Van Tilburg definieert het als volgt; het beeld moet vrij staan, publiek toegankelijk zijn, het beeld moet uniek zijn, een zekere monumentaliteit hebben, het moet een combinatie van paard en mens afbeelden (jawel, er bestaat een beeld van een man op een schildpad), de ruiter moet hebben bestaan en het beeld moet van duurzaam materiaal gemaakt zijn.

In het inleidende verhaal staat de auteur ook stil bij de redenen om zo’n beeld op te richten. Belangrijke redenen zijn zelfverheerlijking, een eerbetoon door de bevolking en het versterken van de (nationale) identiteit.

Als we kijken naar het ontstaan van deze traditie, dan komen we in Italië uit. Het oudste bestaande ruiterstandbeeld is dat van Marcus Aurelius, waarschijnlijk uit 176. Door een misverstand bestaat het beeld nog steeds. Voor bekende beelden daarna moeten we toch een paar honderd jaar verder maar de grootste kunstenaars zijn dan nog steeds in Italië te vinden. Niet alle standbeelden blijven bewaard. Ze worden vaak gebruikt om kanonnen van te gieten als er een stad veroverd was, maar andersom gebeurde het ook, dat de kanonnen van de vijand gebruikt werden om een mooi standbeeld van de overwinaar te vervaardigen.

De standbeelden worden steeds spectaculairder. Een steigerend paard ziet er indrukwekkend uit, maar is lastig te vervaardigen. Voor zo’n beeld van Filips IV komt Galileo Galilei er aan te pas om te berekenen hoe zo’n beeld overeind kan blijven staan. Het zwaartepunt moet achterin liggen en het paard kreeg, naast de twee achterbenen, een derde steunpunt in een massief bronzen staart.

Brons is één ding, maar het kan ook in marmer. Ik kende Gian Lorenzo Bernini wel als fenomenaal beeldhouwer in marmer, maar wist niet dat hij zich ook aan ruiterstandbeelden had gewaagd. Niet tot tevredenheid van de Franse koning Lodewijk XIV overigens.

Ik associeer ruiterstandbeelden uit gewoonte maar vooral met Europa, maar in de Verenigde Staten kunnen ze er ook wat van. De meeste beelden daar betreffen de generaals en andere helden uit de Onafhankelijkheidsoorlog en de Burgeroorlog.

Zo’n oorlog is voor een ruiterstandbeeld wel een kritiek moment, naast revoluties en onafhankelijkheidsverklaringen;

Zo sneuvelt tijdens het uitroepen van de Amerikaanse Onafhankelijkheid het beeld van de Engelse koning George III in New York…Een groot deel van het beeld wordt gebruikt om er ruim 42.000 kogels van te maken. Zo kan het gebeuren dat niet lang na de ontmanteling van dit ruiterstandbeeld de Engelse troepen van George III stukjes van zijn beeld om de oren krijgen.

In India gaan ze veel rustiger om met beelden van de vroegere overheersers. Ze worden teruggestuurd naar Engeland, blijven staan of worden verplaatst naar minder prominente locaties. Dat laatste levert de auteur nog een arrestatie op in India. Een mooi verhaal en er staan meer anekdotes in dit boek. Zo wordt het beeld van Filips III in Madrid aanvankelijk omver getrokken door vandalen, tot er ineens honderden botjes uitrollen. Dat is een slecht teken en het beeld wordt met rust gelaten. Een cliffhanger; leest u vooral zelf wat hier achter steekt.

Ruiterstandbeelden lijken iets uit het verleden, maar dat klopt niet helemaal. Het grootste standbeeld staat op dit moment in Mongolië en is het veertig meter hoge beeld van Dzjengis Kahn. India wil daar nog een schepje bovenop doen, die zijn bezig met een beeld van Shivaji Chhatrapati, een 17e eeuwse Indiase leider, van maar liefst 126 meter hoog.

Ook in Nederland is er onlangs nog een ruiterstandbeeld bijgekomen, in Weert, van de in Brussel onthoofde graaf van Horne. Bijzonder; het beeld gaat eerst op wereldreis, zoals naar Hangzhou in China, een zusterstad van Weert. Het nieuwe geld zorgt nog steeds voor de productie van ruiterstandbeelden, maar ook regeringsleiders in bijvoorbeeld Noord-Korea onthullen nog steeds nieuwe standbeelden.

In het boek staat wat geschreven over de technieken om zo’n beeld te gieten en de moeilijkheden die bij het ontwerpen ervan worden ondervonden, maar het is vooral een boek over de schoonheid van de beelden zelf. Er staan dan ook talloze foto’s in. Ik kom er de mij zeer bekende Willibrord tegen die in Utrecht staat, maar ook het prachtige beeld van Wenceslaus I dat ik onlangs nog in Praag zag.

De auteur vertelt ons in de inleiding van het boek;

En wie weet, ik hoop het, dat u na het lezen van al die verhalen, ook een beetje gefascineerd raakt door die beelden…Een ding is zeker…na het lezen van al die verhalen zult u voortaan anders naar ruiterstandbeelden kijken.

Daar heeft hij gelijk in. Gefascineerd was ik al wel, maar door dit prachtige boek ga ik anders kijken omdat ik weet waar ik op moet letten en heb ik eigenlijk gewoon zin om er op uit te gaan; standbeelden kijken.

P.S.; Omdat niet alle beelden in een boek van 287 pagina’s passen, is er ook een website, http://www.equestrianstatue.org. Zeer de moeite waard.

9083014002.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Niets menselijks is mij vreemd, ik mag graag aan het eind van het jaar naar de Top 2000 luisteren. Een paar dagen de grootste hits op een rij. Bij wijze van voorpret las ik dit boek, 20 jaar Top 2000, geschreven door Leo Blokhuis, Dirk Jan Roeleveen. Norbert Pek en Arjan Vlakveld.

Het is een “koffietafelboek” inclusief een 10’’ lp, waarop een aantal nummers staan die in het boek worden toegelicht. “Koffietafelboek” impliceert meestal veel foto’s en weinig tekst en dat klopt voor een groot deel. Gelukkig valt er in die 239 pagina’s genoeg in te beleven.

In het boek staan afwisselend zogenaamde “docu’s”, achtergrondverhalen over een artiest of een bepaald nummer, “petit histoires”, kortere verhaaltjes over een thema of artiesten en “Top 2000 Specials”. Dat zijn achtergrondverhalen over het begin en de opzet van de lijst, de verwante quiz op televisie en bijzondere verhalen over de lijst zelf.

Zo’n boek bevalt mij het meest als ik het moeilijk weg kan leggen en dat begon eerlijk gezegd wat aarzelend. De verhalen over Amy MacDonald en The Lovin’ Spoonful waren weinig diepgravend, maar dat mag wellicht ook niet verwacht worden van een koffietafelboek.

Ik begon erin te komen met de verhalen over de opzet van de lijst. Dat was in het begin een vooraf opgestelde lijst die eigenlijk door de luisteraar in de goede volgorde moest worden gezet. We praten dan over het jaar 1999, waarin de eerste uitzending vorm krijgt. Internet speelt nog geen rol, dus er komen stapels met antwoordcoupons binnen. Er wordt gezocht naar het juiste format om uit te zenden en daarbij werd er wel eens gesjoemeld;

Marketeer Bart de Voogd; “Zo’n Echoes van Pink Floyd is natuurlijk killing. Met een nummer van 23 minuten verlies je luisteraars. Die ging dan naar de avond of nacht toe.”

Als de televisie erbij komt is dat ook even zoeken en wennen. Een café waar over muziek gepraat wordt en waar een quiz wordt gedaan, prima, maar trekt dat geen luisteraars weg van de radio? Hoe gaan die televisiejongens met een radiolijst aan de haal?  Ook dat was even zoeken. Leo Blokhuis is wel eens stevig onderhouden over het feit dat hij tè kritisch was over bepaalde nummers. Het zijn, zeker nu de keuze vrij is, toch vaak nummers met voor iedereen een persoonlijk verhaal erachter. Het zijn boeiende afwegingen om te lezen en ze vormen een mooie kijk achter de schermen.

Het leukste aan een boek als dit vind ik de achtergrondinformatie. Dat een wereldhit als Thriller van Michael Jackson een beginversie heeft die Starlight heet én dat deze tegenwoordig op Youtube te vinden is. Ik wil weten waar een nummer als Black Betty van Ram Jam vandaan komt. Dat blijkt dan een oude worksong te zijn die ook terug te vinden is, gezongen door James “Iron Head’ Baker. Overigens wordt hier een gouden tip aan de hand gedaan, want Blokhuis en consorten weten ook niet alles; zij gaan te rade bij Arnold Rypens uit België, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om de ontstaansgeschiedenis uit te vissen van bekende hits. Die staan inmiddels in zijn boek Originals en u begrijpt dat deze inmiddels besteld is.

Het verhaal van Rita Coolidge kende ik ook niet. Zij en de drummer Jim Gordon staan aan de basis van een mij geliefd nummer Layla van Derek & The Dominos (Eric Clapton is de zanger), met name het pianodeel ervan. Rita zou nooit de credits krijgen, Jim eindigt in de gevangenis na de moord op zijn moeder.

Ook het verhaal van de titelsong van de Korea-serie en -film M*A*S*H is opmerkelijk, Suicide is painless. Als artiest wordt vaak M*A*S*H aangeduid, maar dat is natuurlijk geen artiest. Componist Johnny Mandel schreef de muziek, maar als tekstschrijver staat Mike Altman genoemd. Dat is de dan veertienjarige zoon van de regisseur. Een tiener die zo’n eigenaardige tekst schrijft? Arjan Vlakveld vertelt;

Als ik Mandel later in Los Angeles interview, legt hij uit hoe dit zo gekomen is. Robert Altman wilde voor een speciale scene een ‘raar’ nummertje. Mandel piekerde hierover en dronk iets te veel en componeerde naar eigen zeggen voor het eerst in zijn leven een nummer dronken. Hij is geen tekstschrijver en weet zich dan verder ook geen raad met de opdracht. De regisseur stelt voor om zijn tienerzoon te vragen, aangezien die een ‘raar’ jong is. Als beloning vraagt de jongen een gitaar, maar de producent van de film schrijft gewoon alle rechten toe aan Mike Altman.

Goede zet, zoonlief verdiende met het nummer vele malen meer dan zijn vader met de film. Het nummer wordt overigens gezongen door The Ron Hicklin Singers. Dat zijn sessie-zingers, die de studio inlopen, het nummer inzingen en alle vier een cheque van honderd dollar ervoor toucheerden.

Dat zijn toch verhalen die ik wil horen. De verhalen over het tot stand komen van die verhalen mogen er ook zijn. Er moet vaak wat gedraaid worden voor de televisie en dat valt niet altijd mee. Rickie Lee Jones gedraagt zich een beetje vreemd als zij categorisch weigert om haar hitsingle Chuck E.’s In love te willen zingen. Toch lukt het en dat levert een mooi verhaal op.

Ik snap dat een boek als dit geen diepgravende reportages kan bevatten, maar soms leidt het geschrevene toch tot meer vragen. Als men de oorspronkelijke schrijver van de Bløf-hit Zoutelande opzoekt, gaat het meerdere malen over royalties. De zanger Axel Bosse van het origineel, Frankfurt Oder zegt over de cover;

Ze hebben het mooi gedaan. Ik was meteen fan. En natuurlijk trots en blij dat zo’n bekende band mijn lied speelt. Als ik de royalty’s krijg, ga ik daarvan met vakantie naar Nederland’.

Hij maakt er blijkbaar geen punt van, maar als lezer ben ik dan toch benieuwd hoe het zit met die afrekening. Verder, los van wat slordigheden als “Nooit niet” en “vingerstoppen” is dit een prima boek waar ik toch weer een hoop uit geleerd heb. Prima opmaat voor de komende Top 2000.

902956170X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Stefan Zweig (1881–1942) was een Oostenrijkse schrijver van Joodse komaf. In zijn autobiografie De wereld van gisteren vermengt hij zijn eigen geschiedenis met het tijdsbeeld van rond de eeuwwisseling tot vlak voor zijn zelfgekozen dood in 1942.

Zweig werd geboren in Wenen. Dat was een stad waar het goed toeven was aan het eind van de 19e eeuw en Zweig zingt de lof over zijn stad;

Gastvrij en met een bijzonder assimilatievermogen trok deze stad de meest ongelijksoortige krachten aan en ontspande ze, maakte ze los en bracht ze tot rust; het was een mild klimaat om in te leven, deze atmosfeer van geestelijke tolerantie, en onbewust werd elke burger van deze stad tot het bovennationale, het kosmopolitische, het wereldburgerschap opgevoed.

Iedere burger een wereldburger; dat is het gevoel wat Zweig zal vasthouden. Voorlopig vindt hij zijn weg in de stad, waar kunstenaars rondlopen als Brahms en Mahler en waar de joodse burgerij een voorname rol in speelde;

…negen tiende van wat de wereld als Weense cultuur van de negentiende eeuw bejubelde, was een door de joodse Weners gestimuleerde, gevoede of zelfs zelf gecreëerde cultuur.

Tock waren veranderingen onontkoombaar. Goede veranderingen, een verschuiving in de kunsten bijvoorbeeld. Jonge kunstenaars stonden op en Zweig en zijn vrienden zogen alles in zich op. Ze maakten kennis met Hugo von Hofmannsthal, een komeet van een schrijver en dichter én met Rainer Maria Rilke, een dichter die veel geleidelijker tot wasdom zou komen.

Minder goede veranderingen waren er ook. De eerste scheuren dienden zich aan in de maatschappij in de vorm van grof geweld in de politiek, terwijl Zweig en de zijnen daar nog weinig oog voor hadden. Zij schreven en bediscussieerden hun gedichten, maar

In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de nieuwe eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen.

Zweig studeert ondertussen onder meer filosofie in Wenen en Berlijn. Hij komt in aanraking met verschillende kunstvormen en ontmoet de door hem bewonderde dichter Emile Verhaeren in België. Hij zal zijn werk ook vertalen. In Parijs ontmoet hij de dichter Rilke en de beeldhouwer Rodin. Er volgt een mooi portret van deze Fransman als hij Zweig meeneemt naar zijn atelier, nog wat begint te schaven aan één van zijn beelden en vervolgens zo volledig in zijn werk opgaat dat hij Zweig vergeet.

Zweig reist ook naar Engeland waar een evenzeer mooi portret wordt gegeven van een vrouw bij wiens doop Goethe nog aanwezig is geweest. Hij reist zelfs naar India om zijn blik te verbreden, om van buitenaf eens Europa te beschouwen.

In dat Europa waait een nieuwe wind. Het was de tijd van uitvindingen en ontdekkingen, maar met die wind kwamen er ook donkere wolken mee. Er was trots en zelfvertrouwen, maar dat bracht ook expansiedrift met zich mee. Industrieën draaiden op volle toeren en dat gistende vat kwam ergens tot ontploffing. Zweig vertelt;

Als je je nu in alle rust afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding. Het ging niet om ideeën, het ging niet werkelijk om de kleine grensgebieden; ik kan geen andere verklaring vinden dat dit overschot aan energie…

Toch komt die oorlog er en de beschrijving van de rekruten die zich opmaken om naar het front te gaan vind ik treffend. Of je er zelf bij bent. Gedurende de oorlog toont Zweig zich als de Europeaan die hij zich voelt. Hij probeert de contacten te onderhouden met zijn vrienden die nu tot ‘de vijand’ behoren en die vriendschap krijgt hij terug, bijvoorbeeld van de Franse dichter Romain Rolland.

Als de oorlog afgelopen is, heeft iedereen, logischerwijs, hoop op een goede toekomst. De kunsten gingen verder op de schop. Melodie in de muziek hoefde niet meer, er golden nu andere principes. Klassieke schilders gingen het depot in, kubisme deed zijn intrede, schrijvers en dichters vonden alles opnieuw uit, weg met de lidwoorden bijvoorbeeld. Ook Zweig was kritisch ten opzichte van zijn vroege werk en bedacht;

De tijd was voorbij waarin ik mijzelf had kunnen wijsmaken dat alles waar ik aan begon maar voorlopig was. Ik had het midden van mijn leven bereikt, de leeftijd van louter beloften was voorbij. Nu was het zaak het beloofde waar te maken, mijzelf te bewijzen of het definitief op te geven.

Opgeven hoeft niet, Zweig is zeer succesvol. Zijn werken worden in allerlei talen vertaald. Hij bezoekt vrienden door heel Europa en merkt dat het Europese gevoel nog springlevend is, ook bij de vroegere ‘vijand’. De propagandamachine was blijkbaar toch minder binnengekomen als gevreesd.

Toch, en dat beschrijft Zweig heel goed, komen er weer verschuivingen. Er zijn steeds kleine opstootjes en brandjes waar niemand veel aandacht aan schenkt. Ze komen op en verdwijnen weer. Er staat wel iemand met een grote mond te brallen in de Beierse bierhuizen, maar dat is plaatselijke amok. Tot deze figuur rijkskanselier wordt. Er verschijnen ineens goed getrainde ordetroepen op straat en de sfeer wordt grimmiger.

Zweig onderkent de gevaren en zal zijn woonplaats Salzburg verlaten. Hij laat alles achter, inclusief zijn immense verzameling handschriften, en vertrekt naar Engeland. Vanuit Londen ziet hij hoe Europa langzaam een nieuwe oorlog inglijdt en hij lijdt mee. Toen zijn moeder op sterven lag ging hij nog een laatste keer naar Wenen, voor een laatste afscheid van alles en iedereen;

Ik heb die laatste twee dagen in Wenen elke vertrouwde straat afzonderlijk, elke kerk, elke tuin, elk oud hoekje van de stad waar ik geboren ben, bekeken met een vertwijfeld, onuitgesproken ‘nooit meer’.

Zweig laat Europa achter zich en zou uiteindelijk met zijn vrouw in Brazilië zelfmoord plegen, gedesillusioneerd over de vernietiging van ‘zijn’ Europa.

Het is een boek van ruim 400 pagina’s en het geldt als een autobiografie, maar het is natuurlijk veel meer dan dat. Het laat Europa zien aan het eind van de negentiende eeuw en hoe dat continent twee oorlogen over zich heen kreeg. De hoop die ontstond in het interbellum, de ontzetting over hoe het toch weer fout ging. De onderkenning daarvan door hemzelf, de ontkenning van zoveel anderen, die daarvoor ook een hoge prijs zouden betalen. Prima lessen voor de toekomst, maar een levensgrote spiegel tegelijkertijd, want zoals het toen was is het nu; we zijn er zelf bij.

Vertaling; Willem van Toorn

c5445462db6a15d5976655a7467444341587343
Ik ben soms een hopeloos opportunistische boekenkoper, maar soms leidt dat tot mooie ontdekkingen. Ik kwam overal de nieuwe uitgaven van W.G. Sebald tegen en dus ook commentaren op zijn werk. Sebald zou de schrijver zijn die een Nobelprijs was misgelopen. Ik had wel eens van hem gehoord maar nooit iets van hem gelezen dus verdiepte mij in zijn werk, ik werd geïntrigeerd en schafte de nieuwe vertalingen aan. Dit is zijn debuutroman, Duizelingen, die eerder werd uitgegeven als Melancholische dwaalwegen.

Eerst iets over de auteur zelf. Hij werd in Duitsland, Beieren, in 1944 geboren als Winfried Georg Maximilian Sebald. Hij studeerde literatuurwetenschap en vestigde zich vanaf 1970 in Norwich in Groot-Brittannië. Hij werd professor in de Europese Letterkunde aan de Universiteit van East Anglia en begon te schrijven. Hij overleed aan de gevolgen van een auto-ongeluk in 2001.

Hoe ga je nu een boek als dit toelichten? Navertellen heeft weinig zin, het is geen boek dat toewerkt naar een plot. Het is een boek over geschiedenis, reizen, herinneringen, observaties en overpeinzingen. Toch start het ergens en wel met het verhaal van Henri Beyle die met Napoleon over de Alpen naar Italië trekt. Of het helpt dat je weet dat Beyle het pseudoniem is van de schrijver Stendhal, geen idee. Volgens mij niet. De reis die Beyle maakt, zien we later deels terug in de reis die de auteur als verteller maakt.

Die verteller bevindt zich bijvoorbeeld in Wenen om te ontsnappen aan een moeilijke tijd in Engeland. In prachtige zinnen vertelt hij hoe hij toch contact zoekt;

Er ontstaat een bijzonder soort leegte wanneer je in een vreemde stad tevergeefs telefoonnummers staat te draaien. Als er niemand opneemt, is dat een teleurstelling met een enorme betekenis, alsof het bij dit cijferspel werkelijk om leven en dood gaat. Als ik dan de munten die uit het toestel rinkelden weer in mijn zak had gestopt, restte mij dus niets anders dan weer doelloos tot diep in de nacht buiten te blijven rondlopen.

Nu heeft u wellicht de indruk dat dit één roman is, maar het boek (ruim 200 pagina’s) bestaat uit vier verhalen. In al die verhalen wordt er gereisd door de verteller, door Duitsland, Oostenrijk en Italië. In Verona volgt hij het spoor van Kafka, waarna een hilarisch fragment volgt als hij in een bus twee jongens ziet die sprekend op de schrijver lijken. Hij wil graag een foto van ze hebben maar hun ouders verbieden dat waar hij zich maar bij neerlegt om niet als een Engelse pederast weggezet te worden.

Venetië wordt onder meer het decor van de geschiedenis van Casanova en in Riva wordt er gekuurd. In de haven daar legt een schip aan en Sebald beschrijft dat als volgt;

Het duurt drie volle jaren voordat het schip, alsof het over het water wordt gedragen, zachtjes de kleine haven van Riva binnen zweeft. In de vroege ochtenduren legt het aan. Een man in blauwe overall stapt aan land en haalt de trossen door de ringen. Twee andere mannen in donkere jassen met zilveren knopen dragen een baar achter de bootsman aan, waarop onder een grote gebloemde doek duidelijk een mens ligt. Het is Gracchus de jager.

Die baar en die jager komen we later in Tirol weer tegen en dat is het vernuftige aan dit boek. Er zijn ontmoetingen met open eindes, maar ook namen en gebeurtenissen die in andere verhalen terug komen. Soms zit de verwijzing in een naam, soms in een beeld zoals het golvende riet, dat ik voorin en achterin het boek tegenkom.

Het boek is een mengeling van feiten en fictie en speelt met herinneringen en het vergeten daarvan. Kenmerkend zijn ook de foto’s die hij gebruikt en die echt onderdeel van het verhaal zijn.

Geen navertelling van het verhaal dus maar hopelijk geef ik zo een impressie van wat het boek te bieden heeft. Ik geniet van zinnen als

Ze was rijzig, had een breed, open gezicht met watergrijze ogen en een dikke bos vlaskleurig haar als van een halflingerpaardje.

Of wanneer een sfeer als volgt wordt neergezet;

Op de geoliede plankenvloer lagen plassen bier en sneeuwwater, en de rook, die in dichte wolken door de gelagkamer trok en uiteindelijk naar de gammele ventilator toe dreef, vermengde zich met de zure stank van nat leer en loden jassen en gemorste gentiaan.

Als ik er zo van kan genieten is dit meteen een compliment aan de vertaalster. Ik las ergens dat het geen boek is voor luie lezers maar wel voor trage lezers. Ik legde het soms even opzij om het te laten bezinken en dat beviel goed. Het is een boek om te herlezen en ik kijk uit naar zijn andere werk.

Vertaling; Ria van Hengel

f20430b91e5bfd2597048456651444341587343
Ik heb mij de laatste tijd aardig verdiept in de Nederlandse componist Alphons Diepenbrock. Een beetje door toeval, door het boek van Erik Menkveld, hoewel ik zijn muziek al wel kende. Dit biografisch essay over Diepenbrock, geschreven door componist en musicoloog Leo Samama ontbrak nog in de bagage, tot nu.

Het is geen dik boek, zo’n 286 pagina’s, en het leven van Diepenbrock wordt niet uitputtend beschreven, maar dat hoefde voor mij niet. Ik wilde het lezen om een andere reden, namelijk om zijn muziek.

De ondertitel van het boek is Componist van het vocale en dat is meteen het grootste kenmerk; zijn oeuvre wordt grotendeels bepaald door vocale muziek. Dan kom je meteen ook bij zijn teksten uit en, volgens de auteur, zijn meest karakteristieke eigenschap als componist; de literaire of talige impuls.

Dat wil zeggen dat een goed begrip van zijn muziek nauwelijks denkbaar lijkt zonder een even goed begrip van de gebruikte teksten. Die teksten ontleende hij aan Nederlandse schrijvers en dichters als Vondel, Verwey en van Deyssel, aan Duitse schrijvers en dichters als Goethe, Heine en Nietzsche en later ook aan hun Franse collega’s als Verlaine en Baudelaire.

Daarom was dit boek voor mij van belang. Het geeft van veel composities de ontstaansgeschiedenis weer met veel muziekvoorbeelden. Ik ben geen musicus en er staan soms wat technische termen in, maar over het algemeen is het prima te volgen, zeker als je de muziek ernaast beluistert.

Wat verbluffend is om te lezen, is dat Diepenbrock als componist autodidact was. Van beroep was hij leraar klassieke talen en hij heeft als zodanig ook gewerkt. Niettemin werd hij volledig geaccepteerd als vakman, door zijn collega’s en topdirigenten als Willem Mengelberg. Hij was wel een twijfelaar en bleef vaak schaven aan bestaande partituren. De auteur over het ontstaan van een compositie;

Wie Diepenbrocks correspondentie doorleest, moet inderdaad constateren dat zijn muziek als impulsieve bevlieging ontstond, maar daarna met veel doorzettingsvermogen als geschreven partituur veroverd moest worden op de gedroomde klank.

Die gedroomde klank bleek nogal eens een probleem voor de uitvoerende partijen. Zo componeerde Diepenbrock drie ‘reien’ (een rei is een koor in een toneelstuk); de Rey van Amsterdamsche maegden, de Rey van clarissen en de Rey van burchtstaeten;

De première in Haarlem door het plaatselijke Toonkunstkoor en het Concertgebouworkest liep uit op een grote teleurstelling doordat het koor niet tegen de moeilijkheidsgraad van de muziek was opgewassen.

Ook na herziening bleven het erg lastige werken, dus hij had de lat hoog liggen met zijn gedroomde klank. De twijfel die hij had betrof dan ook niet zozeer zijn kunde als componist, maar wel hoe te komen tot het beste resultaat. Integendeel, hij was zelfs vrij zeker van zijn eigen kwaliteiten. Zo wilde hij een mis componeren voor mannenstemmen met orgel, wat de Missa in die festo zou worden. Diepenbrock zei daarover;

Maar er worden in de kerken juist niet anders gezongen als voor mannenkoor met orgel; er is heel veel voor gecomponeerd en ook door grote lui, Liszt bijv. Nu, al die lui wil ik in één woord corrigeren. Een betere mis maken dan die er tot dusver voor mannenkoor bekend zijn.

Daar spreekt overtuiging uit en dat had hij altijd al wel. Ein Heldenleben van Richard Strauss vond hij kermismuziek en de Symphonie pathétique van Tsjaikovski een smakeloos maakwerk.

Dan zijn eigen muziek zoals het Te Deum. Een groots werk dat overigens door Samama gedetailleerd wordt beschreven wat mij bij het beluisteren prima heeft geholpen. Ik kende het werk al, maar meer door het vaak beluisterd te hebben. Dan is een duiding met notenvoorbeelden toegevoegde waarde voor mij.

Hoewel zijn muziek dus niet makkelijk uit te voeren was, waren er ook zangers en zangeressen die het niveau wel aankonden. Eén van hen was de beroemde sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius. Zij heeft vaak liederen van hem gezongen en er staat een mooi fragment van haar zoon Hendrik in dit boek, die Diepenbrock verslag deed van een uitvoering door zijn moeder;

‘Beste oom Fons. Gisteravond heeft Moeder hier in de Luth. kerk gezongen met mevr. de Haan en Verhey. ’t Is een erg mooi concert geweest van muziek als juist gisteravond van: “Wenige wissen…”. Het is voor mij haast niet te begrijpen dat dat menselijke muziek is. Alle grond zinkt onder je weg, alle houvast verdwijnt. Alle aardse kleuren en vormen vervagen en het enige wat overblijft is die roerend mooie, ongelooflijk hoge muziek.’

Nu heb ik al jaren lang iets met Diepenbrock omdat ik zijn muziek regelmatig draai en jaren terug al wat delen uit de tiendelige serie Brieven en Documenten van Diepenbrock heb aangeschaft en gelezen. Ik overweeg de aanschaf van de overige delen nog. De componist is dus meer en meer gaan leven en daarom ben ik gelukkig met de aanschaf van drie van zijn boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek. Hij heeft ze gesigneerd en er aantekeningen in gemaakt en zo wordt voor mij de muziekgeschiedenis ineens een stuk tastbaarder.

a0355ac325b330d59312f2b5577444341587343
Ik weet niet meer precies waar ik het idee opgedaan heb om De grachtengordel van Geerten Meijsing aan te schaffen maar het moet een boekenblog geweest zijn. Ik heb wat informatie opgezocht en ineens bleek er, voor lezing al, best genoeg over te vertellen. Kom ik nog op terug.

Het zou een sleutelroman zijn, een rancuneuze roman, maar in ieder geval een roman die dicht op het literaire wel en wee binnen de grachtengordel zou zitten. Er zouden talloze schrijvers in geportretteerd worden onder fictieve namen, dus dit leek mij reden genoeg om het boek aan te schaffen.

In het kort gaat het verhaal over de schrijver Erik Provenier. Die heeft het niet breed en dat hoort natuurlijk zo bij sappelende schrijvers, maar hij ziet wel dat hij links en rechts wordt ingehaald door generatiegenoten die goed schrijven, maar ook handiger zijn in het spel om de boeken aan de man te brengen. Dat beslaat het eerste deel van het boek en eerlijk gezegd vind ik dat het minst interessante deel. Leuren bij uitgevers, proberen voorschotten te verkrijgen, dat werk.

Het wordt interessant als Provenier ineens in aanmerking komt voor een grote literaire prijs. Hij is inmiddels teruggekeerd vanuit Italië naar Nederland, Amsterdam (steevast aangeduid als A*) en ontmoet daar de inner circle van de literaire wereld. Meijsing heeft er naar mijn weten nooit uitsluitsel over gegeven, maar naar verluidt spelen onder meer A.F. Th. van der Heijden, Frans Kellendonk, Kester Freriks, Joost Zwagerman, Jessica Durlacher, Jeroen Brouwers, Boudewijn van Houten, Oek de Jong, Willem van Toorn en P.F. Thomèse allemaal in pseudoniem een rol in dit boek.

Strookt dat met mijn eigen waarnemingen? Ten dele zeer zeker. Ik ben een verzamelaar van het werk van Jeroen Brouwers (blijkbaar Joost Bierman in het boek) en heb het nodige over hem gelezen en ik herken dit zeker;

‘Wat weet jij toch veel, Kasper, wat weet jij toch veel van de Nederlandse literatuur.’
Christiaans negeert het sarcasme van zijn vriend: ‘Niet zoveel als Bierman, want die schijnt werkelijk alles te weten over dat onderwerp. Zijn hele huis – een omgebouwde hoeve – is één groot dossier. Ook dat is een middel om macht uit te oefenen – je kunt hem niet betrappen op vergissingen, alles is gedocumenteerd. Wat jij je in 1975 tegenover een onnozele reporter hebt laten ontvallen, kan hij morgen tegen jou gebruiken.’

Dat leest ineens heel fijn, een feest der herkenning. De auteur Meijsing, wiens alter ego Erik Provenier zou zijn, gaat ook de zelfspot niet uit de weg. Het grappige (vind ik dan) is dat ik daar ook weer een auteur als Tommy Wieringa in herken;

Neem nou die Provenier, geen kwaaie jongen maar een sprekend voorbeeld van wat tegenwoordig met zoveel aplomb een literator wordt genoemd. ’t Is hem niet genoeg af en toe een boek te schrijven waarin hij alles kwijt kan…neen, hij moet het leven van een schrijver leiden, het is hem erom te doen full-time schrijver te zijn. Zelfs als hij niet schrijft.

Een tikje verwarrend is dat sommige schrijvers met hun echte naam voorkomen en anderen in pseudoniem, maar op zich wen je daar snel aan. De typeringen van bekende persoonlijkheden zijn soms scherp maar mooi om te lezen. Ischa Meijer wordt bij naam genoemd en Meijsing/Provenier ergert zich aan zijn quasi-diepzinnigheden;

Zijn gezicht vertrekt helemaal als hij zo’n moeizame wijsheid moet bedenken – een soort constipatie van de geest. Hij krijgt dan ook iets van een vals mongooltje.

Ik zei al dat ik wat had opgezocht over dit werk en dat bleken wat zaken die ik niet vooraf had kunnen verzinnen, daarvoor ben ik te onbekend met de auteur. Er blijkt namelijk een systematiek aan de roman ten grondslag te liggen. Het boek heeft een symmetrische opbouw, in 36 hoofdstukken, verdeeld in drie delen van elk 12 hoofdstukken. Het volgende ontleen ik aan Wikipedia, maar ik vind het interessant genoeg om weer te geven;

Het ritme is ook steeds anders: het eerste deel beslaat vijftien jaar, het tweede nog geen jaar en het derde de weken die aan de prijsuitreiking voorafgaan. Het eerste deel beslaat jaren, namelijk de periode 1978-1987, met flashbacks naar 1969 en 1972. Het tweede beslaat maanden en loopt van augustus 1987 tot april 1988. Het derde deel ten slotte beslaat de weken van april tot eind mei 1988 wanneer de aanstaande prijsuitreiking steeds meer aanleiding is voor aandacht en beroering in de media. In werkelijkheid ligt aan de structuur zelfs een nog dwingender systematiek ten grondslag. Het werkhandschrift bewijst dat het boek ‘niet het snel geschreven tussendoortje is’ waarvoor het volgens criticus Arjan Peters steeds is aangezien, maar beantwoordt aan ‘dezelfde classicistische en numerologische principes’ die aan al het werk van Meijsing ten grondslag liggen, namelijk 96 units van 400 woorden of 12 hoofdstukken van gemiddeld 3200 woorden.

Ik geef het u maar even mee. Mijn hoofdcriterium is of ik het boek met plezier gelezen heb en dat was ondubbelzinnig het geval. O ja, prachtig dat zowel Joost Zwagerman als A.F. Th. van der Heijden weigerden de presentatie van de roman op zich te nemen. De herkenning was iets te groot…