9200000086440939
In het Bach-jaar 2000 schreef Maarten ’t Hart zijn boek over Johann Sebastian Bach, destijds te koop bij een welbekende drogisterijketen. Dat boek heeft hij herzien en uitgebreid en dat is het boek dat onlangs is uitgekomen. Ik heb het herlezen en heb mij er goed mee vermaakt.

Dat kan positief en negatief zijn en er zit van beiden wat in. Allereerst de meerwaarde van de heruitgave. Die zit hem in de toevoeging van de hoofdstukken over de Goldbergvariaties en Die Kunst der Fuge, in de bespreking van de Bach-publicaties na het jaar 2000 én de uitbreiding van de bespreking van de Bach-cantates. Waar er eerst een selectie werd besproken, behandelt ’t Hart ze nu allemaal.

De auteur is een bevlogen liefhebber en kenner van Bach’s werk. Dat zorgt voor een aanstekelijk enthousiasme, maar ook voor een overdaad aan superlatieven. Met name in de cantate-besprekingen buitelen ze over je heen. Ik heb even voor u geturfd, van de 215 besproken cantates geeft hij 184 keer blijk van zijn enthousiasme. Bovendien kan ik er niet altijd iets mee (“Een van de tien machtigste cantates”, “Boven alle lof verheven”).

Prachtig is het stuk over het incident met Geyersbach. Bach kreeg het aan de stok met deze leerling en dat wordt beschreven in de Bach-Dokumente. Dat zou de bron voor de Bach-biografen moeten zijn, maar ’t Hart toont haarfijn aan wie er met de feiten aan de haal gaat. dat gaat zover dat biograaf Eidam aan ’t Hart moet toegeven wat namen erbij verzonnen te hebben.

De auteur geeft aan dat we weinig weten over Bach en dat er door de biografen talloze aannames worden gedaan. Toch ontkomt hij daar zelf ook niet aan. In het stuk waar Bach de koorprefect Krause verjaagt, kan ’t Hart het niet nalaten te zeggen “Bovendien schijnt die Krause een prutser te zijn geweest.” Ook spreekt de auteur zichzelf tegen als het over Bach als briefschrijver gaat. Waar hij op pagina 71 aangeeft niet te zwaar te tillen aan Bach’s epistolaire kruiperigheid en beleefdheid, zegt hij op pagina 76 “Wat mij bij eerste lezing meteen stoorde, waren weer die onderdanige frasen”. Nu ik toch even in de kritiek zit, de meest grappige fout vind ik terug op pagina 269. Hierin geeft ’t Hart aan dat er wat foutjes zitten in het boek van De Keyzer “Bachs grote passie“. Hij schrijft dat er onder meer op pagina 21 van dat boek wat foutjes staan. Die foutjes staan inderdaad in dat boek, zij het op pagina 31…

De kritiekpuntjes daargelaten is er gelukkig ook veel positiefs over het boek te vertellen. ’t Hart laat mij stilstaan bij mij bekende muziek, maar waar ik aan de tekst voorbij ben gegaan, zoals bij cantate 206. De auteur vertelt;

Vrij vertaald luidt dus de tekst: zolang er nog water in de kanalen staat, moge het Uwe Doorluchtigheid goed gaan. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik daar bepaald onthutst van opkeek. Je hoort een onvergankelijk stukje muziek en dat blijkt geïnspireerd door kanaalwater.

Zo ken ik ’t Hart weer. Ook zijn verhandeling over Bach’s orgelwerken mag er zijn. Hij geeft aan dat, hoewel algemeen erkend wordt dat Bach de grootste orgelcomponist was, hij toch geen speciale verwantschap had met dat instrument;

Heeft Bach een innige relatie met het orgel gehad? Nauwelijks. Zijn laatste ambtelijke functie als organist is zijn aanstelling in Mühlhausen geweest, die hij in 1708, dus toen hij drieëntwintig was, opgaf…De grootste orgelcomponist aller tijden had geen grotere verbondenheid met het orgel dan bijvoorbeeld met de viool, waarvoor hij tenslotte zijn allermooiste stuk componeerde: de Chaconne.

Uiteraard heb ik bij dit boek veel muziek beluisterd. Zo wist ik wel van de Köthener Trauermusik, maar was dit aardig weggezakt. Bach schreef dit stuk voor zijn overleden vorst toen hij aan de Matthäus-Passie bezig was en zag er geen been in deze muziek op andere tekst te zetten en voilà, we hebben een treurstuk. Er valt dus best wat op te merken aan dit boek maar er valt ook veel uit te halen. Het is vintage ’t Hart, wat blijkt uit de volgende citaten, de eerste over de top als hij in zijn enthousiasme een beetje uit de bocht vliegt, de tweede recht uit zijn muzikantenhart;

In de Vijfde partita, met zijn grootse Preambulum, zijn triolen-Allemande, zijn liefelijke Corrente (alsof je weer even mag terugstappen in de wereld van de Kleine preludes en fughetten), zijn tertsen-Sarabande, zijn halsbrekende Menuet, zijn grappige Passepied, en zijn voor een amateur vrijwel onspeelbare Gigue, wordt al de aanloop genomen naar de meest vergeestelijkte Partita.

Een van de vele aantrekkelijke kanten van Bach is dat zelfs zijn moeilijkste werken gedeelten bevatten die een beginneling kan spelen. Vrijwel niets in zijn werken voor klavier stelt hogere eisen aan de uitvoerende dan de laatste Goldbergvariaties, maar ook daarin vind je simpele variaties die je vrijwel à vue spelen kunt. Als gevolg daarvan heb je ook als amateur het gevoel dat Bach je serieus neemt en alvast een tipje van de sluier voor je oplicht, je wordt al een beetje ingewijd, je mag al meedoen, en niet eens voor spek en bonen.

Advertenties

9029510625.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Elders op dit blog heb ik wel eens aangegeven dat ik van vogels houd en daarom moest Alle vogels van Koos van Zomeren beslist gelezen worden. Vogels zijn namelijk al veertig jaar hét specialisme van de auteur, die jarenlang zijn miniaturen in het NRC Handelsblad over vogels heeft geschreven, maar ook in tal van andere publicaties.

In dit boek zijn een groot aantal van die stukken gebundeld en speciaal voor dit boek heeft Erik van Ommen prachtige penseeltekeningen van allerlei vogels gemaakt.

Nu telt het boek bijna 870 pagina’s en is dat dan leuk, alleen maar over vogels? Ik zeg volmondig ja. Ik kan het merendeel van de besproken vogels zo’n beetje wel voor het netvlies halen, maar hun achtergronden zijn mij echt onbekend. Daar word je in korte tijd aardig over bijgespijkerd. Niet alleen over vogels, maar juist ook over hun leefgebied en het belang daarvan. Zo wordt het belang van de Waddenzee duidelijk aan de hand van een Yellow 20, een wulp;

Deze vertrok half april van dit jaar, waarschijnlijk naar Finland. Half juni was hij terug en nam hij tot op de vierkante meter nauwkeurig hetzelfde territorium weer in beslag. Yellow 20 kent zijn modderhoekje zo goed dat hij twee dagen lang rond een paaltje snuffelde dat nieuw was. Anders dan voor mensen is voor vogels de Waddenzee dus geen gigantisch groot gebied, waar best wat af kan. Voor duizenden bonte strandlopers is de Waddenzee niet groter dan het wad ten zuiden van Paal Q op Schiermonnikoog. Erg klein eigenlijk.

Voor mij best een eye-opener. Zo wist ik natuurlijk van trekvogels, je ziet de ganzen ieder jaar hun formaties vormen, maar ik had nooit zo stilgestaan bij die kleine vogels als fitissen, tjiftjafs en boerenzwaluwen, die ook duizenden kilometers maken per jaar. Zo trekt de boerenzwaluw helemaal naar Zuidelijk Afrika, gewoon, op eigen kracht. En wij maar klagen als het in Zuid-Frankrijk een beetje vast staat…

Dat is ook een beetje de toon die de auteur aanslaat. Een licht humorvolle toon in het merendeel van zijn beschouwingen en dat leest erg prettig;

De bosuil, veruit de zwaarste van onze uilen, weegt ongeveer 550 gram, zoiets als een half pak suiker, maar in een bosuil zit aanzienlijk meer leven.

Dat begint lekker, waarna een aantal stukjes volgen over uilen in ons land. Prachtig om te lezen;

Plotseling schoot er een geruisloze schaduw over ons heen. Dat is een uil; een tijdelijke verdichting van het donker. Heel even stak het stompe profiel af tegen de hemel. Ik dacht dat hij te pletter zou slaan, maar hij verdween gewoon. Feilloos vond hij het gat in het uilenbord, een gat ter grootte van een werkmansvuist. Hij had de vaart van een fietser.

De bijeengebracht stukken dateren uit de periode 1977-2014. Bij sommige oudere stukken vroeg ik mij wel af hoe actueel ze nog waren, zoals bij het stuk uit de jaren tachtig over de korhoenders. Van Zomeren schreef toen dat het vrij slecht ging met die vogels in Nederland maar dat het laatste terrein waar ze een gemeenschap vormen op de Sallandse Heuvelrug ligt. Er staat geen update bij over de huidige situatie dus dat heb ik even voor u opgezocht; die is nog steeds vrij belabberd.

Zo staat het boek bol van de wetenswaardigheden en wordt het nergens zwaar. Hij legt uit waarom een specht geen knallende koppijn krijgt, waarom de ene steltloper uit Canada naar Zuid-Amerika vliegt en zijn buurman naar de Waddenzee, je raakt thuis op Engelsmanplaat (de zandplaat tussen Ameland en Schiermonnikoog) en je weet waarom de bontgekleurde grauwe klauwier ‘grauw’ wordt genoemd. Kortom, ik ben erg enthousiast over dit boek en ik vind een medestander in Maarten ’t Hart. Tot slot een mooi stukje over duikende kuifeenden in het IJsselmeer, ook illustratief voor de schrijfstijl van de auteur;

In het vrije veld zijn kuifeendjes vooral ’s nachts actief. Ze duiken naar driehoeksmosselen, zo nodig tot een meter of acht, liefst minder. Geringe diepte kost minder moeite én levert grotere mosselen op.
Ook dat duiken heeft Joep nauwlettend bekeken. Dat gaat pijlsnel naar beneden en dan is het keihard werken om beneden te blijven. De eendjes staan, eigenlijk in het pikkedonker, met de snavel rechtstandig op de bodem, worstelend met lijf en leden om die positie te handhaven. De gemiddelde duik duurt twintig seconden, vijfhonderd duiken per nacht, bijna drie uur zuivere duiktijd.
Vervolgens schieten ze als een losgelaten kurk omhoog. vlak onder de oppervlakte veranderen ze de stand van hun lichaam om af te remmen. Zo niet, heeft Joep berekend, dan zouden ze zestig centimeter boven het water uitploppen.
Stel je voor: het IJsselmeer bij volle maan en overal van die woest stuivende kuifeendjes.

To-Be-Read-Pile

Ik vond hier een interessant artikel dat gaat over al die ongelezen boeken in de boekenkast. Het is iets wat voor mij vrij herkenbaar is, maar waar ik me eigenlijk vrij weinig van aantrek.

Ik heb inmiddels ruim 200 boeken in de kast staan die ik nog niet gelezen heb. Geen enkele reden om nog boeken te kopen, zou je zeggen. Nu weet ik dat ik op dit blog of in commentaren heb gezegd dat ik een zogenaamde ‘koopstop’ heb, maar ook dat ik heer en meester ben over die ‘koopstop’. Ergo; ik koop nog steeds boeken. Sterker, ik betrap mijzelf erop dat ik steeds vaker boeken koop die recent zijn verschenen en die ik dan direct wil lezen, waarbij ik dus schromelijk de boeken veronachtzaam die al langer mij hoopvol in de boekenkast aan staan te kijken.

Ik denk er wel eens aan hoe dat kan. Die andere boeken leken mij ooit ook zeer de moeite waard, waarom die dan niet eerst gelezen? Een reden is toeval. Ik kreeg ooit de mogelijkheid een hoop delen uit de Russische bibliotheek te kopen voor heel weinig geld, en daar kreeg ik het complete werk van Arthur van Schendel bij cadeau. Dat schiet meteen lekker op. Verder zijn Marktplaats en de Kringloopwinkel af en toe een goudmijn, maar mijn opportunisme speelt hierin ook een grote rol. Ik heb veel boeken gekocht die ‘je toch een keer gelezen moet hebben’. Als die voor weinig te koop zijn, vult dat snel je boekenkast.

Maar…of ik ook zin heb die boeken te lezen, dat is een heel ander verhaal. Er waren boeken waar ik tegenaan zat te hikken. Alle verhalen van ‘Duizend-en-één-nacht’ bijvoorbeeld, de verhalen van Lewis Caroll, de verhalen van Rabelais…ze staarden mij aan met verwachtingsvolle blik…wanneer ben ik aan de beurt?

Daar heb ik dus mee gebroken. Ik heb best wat boeken weg gedaan. Dat gaf lucht. Ik heb nog steeds ‘veel’ boeken (dat is relatief, weet ik) en ik ben er nog niet, maar de meeste boeken die ik nu in de kast heb staan wil ik erg graag lezen. De twijfelgevallen zijn toch de Russische bibliotheek en (o, vloeken in de kerk) de boeken van Proust. Ik wil ze echt graag lezen ergens, maar ik zie telkens boeken die ik liever eerst lees.

Het artikel van hierboven bevestigt wel een beetje wat ik voel. Hoewel ik veel boeken heb die ik ook echt wil lezen (en een aantal waarover ik dus wel twijfels heb) blijf ik boeken kopen, en eindig ik dus waarschijnlijk met meer boeken dan ik ooit kan uitlezen. Het artikel vertelt mij echter geruststellend dat dit prima is. De reden voor dit blog is dat ik wel benieuwd ben hoe anderen hier mee omgaan, dus reacties zijn welkom.

8f1fd0bcae25888596c6f4e7141444341587343
Het Boekenweekgeschenk van dit jaar, Gezien de feiten van Griet op de Beeck heeft wagonladingen kritiek over zich heen gehad. Was dat terecht?

Ten dele wel, maar daarover later meer. Eerst even kort de inhoud. Olivia van 71 jaar heeft zojuist haar man Ludo verloren en daarmee komt een einde aan een redelijk verstikkend huwelijk.  Olivia laat zich overhalen om naar een Afrikaans land te gaan en ontmoet daar de charmante Daniel. Dochter Roos en haar man Sander komen dit uiteraard te weten en Roos is daar helemaal niet klaar voor. Als Daniel Olivia in Europa komt opzoeken is de boot helemaal aan. (‘Is hij getest op ziektes?’)

Daniel blijft een tijdje en besluit voor zes weken terug naar Afrika te gaan, zijn zaken te regelen en dan voorgoed naar Europa te komen. Dat gaat echter niet door de politieke situatie, hij mag het land niet meer in. Uiteindelijk besluit Olivia naar Daniel te reizen.

Dit boek heeft best veel ingrediënten om er een stevig verhaal van te maken. Beklemmend huwelijk, vrijgevochten weduwe, familiebanden met bijkomende emoties, liefde over de grenzen heen, politieke achtergronden, trek alles uit de kast zou ik zeggen.

Dat gebeurt dus niet. Het is blijft een rechtlijnig verteld verhaal waarin Roos nog het meest tot leven komt. Zij irriteerde mij in ieder geval mateloos en dan doet het blijkbaar iets met je;

‘Het is dus godverdomme tóch waar!’ Olivia zag alle bloed uit Roos’ gezicht wegtrekken…
‘Is hij getest op ziektes?’

‘En gij vondt het niet nodig om dat tegen uw dochter te vertellen, dat ge hier koken-eteke ging spelen?’

‘But I mean it well!’ riep ze, zij liet zich niet hinderen door grammatica.

Dat gaat nog even door zo met Roos. De karakters zijn wat stereotiep verder. Sander bemiddelt vruchteloos, Daniel blijft immer charmant en Olivia zit ertussenin;

Daniel was voor haar gevallen binnen de geurcirkel van een primitief toilet dat ze jankend en zwetend verliet. Daar moest ze conclusies uit durven trekken voor zichzelf, dacht ze in haar dapperste kwartieren. Ze had een mail geschreven naar Roos en Sander waarin ze dat allemaal probeerde uit te leggen. Die had ze niet verstuurd.

De auteur wordt dus afgerekend op een verhaal zonder diepere lagen, eendimensionale karakters en een te eenvoudig verhaal. Ten dele onderschrijf ik dat dus. Aan de andere kant is het een Boekenweekgeschenk en die leveren lang niet altijd hogere literatuur op. Ik kan ook zeggen dat het boekje prettig weg leest en dat ik na wat literatuurgeweld en een hoop poëzie even helemaal geen trek had in een stevig verhaal. Dan voldoet het ineens prima.

9023414683.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een kleine 900 pagina’s met de Verzamelde gedichten van Lucebert vond ik geen kleinigheid om te lezen. Ik gaf het al aan in de biografie over Lucebert; er valt soms geen touw aan vast te knopen en dat klopt in het overgrote deel van de gevallen. Ben ik er dan positief over? Ja, onverdeeld positief. Ik hoef ze namelijk niet te begrijpen. Ik wil ze beleven en dat kan op meerdere fronten. Lucebert geeft zelf al een voorzetje in een brief aan Nico ter linden;

‘En wat u vooral niet moet doen is een gedicht zien als een fraaie rebus waarvoor maar één oplossing mogelijk is. Het geheim en de kracht liggen voor een groot deel in haar onbestemdheid, haar veelzijdigheid en haar tegenstrijdigheid. In dit opzicht is de poëzie zeer verwant aan onze dromen in de slaap…U denkt toch niet dat een gedicht een stuk onhandig proza is waarvan de inhoud in gewoon proza uitgedrukt zou kunnen worden?’

Waar praten we dan over, dat het zo lastig zou zijn, als het toch allemaal Nederlandse woorden zijn? Een voorbeeld dan, van een redelijk bekend gedicht, het eerste deel;

De oude meepse barg ligt
nimmermeer in drab
maar voorgoed op zachte kussens onder – uitgerekend – 
de weelderigste boom Ons rest
slechts een schaduw dun als een dasspeld
om af te koelen lesbia
sinds je moeder goede zaken maakt
met de montage van haar 
Geldzucht en jouw schaamteloos lichaam
zijn je lippen – nu als in steeds
modieuzer gewaden gehuld zo
gewaagder lijkend dan ooit – mij toch
armelijk mager geworden

Meepse barg? Je kan er overheen lezen natuurlijk maar het zijn bestaande woorden. Het is een ‘ziekelijk mannetjeszwijn’. Lucebert had een omvangrijke bibliotheek en het was bekend dat hij die bibliotheek gebruikte om er allerlei woorden in op te zoeken om ze in zijn gedichten te gebruiken. Het wordt prachtig toegelicht in een lezing van Marc van Oostendorp, die tevens het eerste hoofdstuk vormt van het boek De lezende Lucebert. De lezing én het boek zijn aanraders voor wie meer over de poëzie van Lucebert wil weten.

Er zijn ook talloze gedichten waar je goed de strekking van kan volgen en die bij mij een bepaald gevoel oproepen. Het gaat te ver om ze allen te citeren, maar ik houd van zinnen als ‘er is een grote norse neger in mij neergedaald’, ‘op de vlinderachtige pols van het morgenrood’, ‘aan het hemeldak snirst een bevroren luidspreker’ (ja, ook snirsen betekent iets), ‘mijn oog is een onverzadigbare spin aan het rag van mijn dromen dwalend’ en ‘er is een bokser die de wind weghamert van dorp tot dorp.’

Snap ik de gedichten beter nu ik wat over Lucebert heb gelezen? Welnee. Maar dat hoeft dus voor mij niet. Ik vind het ontzagwekkend wat iemand allemaal met taal kan doen, in al die gedichten valt hij heel weinig in herhaling en het blijkt dat hij heel goed nadacht over welk woord hij waar wilde plaatsen. Ook voor een gedicht als:

tellby toech tarra
inna nip
inna nip
tarra toech tellby

heeft Lucebert een (voor hem) eenvoudige verklaring (waarin hij in brieven aangeeft dat in het eerste typoscript een fout stond, namelijk ‘terra’ in plaats van ‘tarra’). Het gaat over boekhouden en rekenen. Lees zijn biografie, het wordt er helemaal uitgelegd.

Ik weet zeker dat ik zijn gedichten blijf lezen en herlezen, want ze spreken mij aan. Misschien moeten we de dichter zelf maar aan het woord laten. Lucebert droeg zelf af en toe zijn gedichten voor en had er succes mee. Luister hieronder maar eens naar zijn zangerige stem

Lucebert draagt zijn gedichten voor

9403104708.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 2009 kocht ik het boek De lezende Lucebert, samengesteld door Lisa Kuitert. Dat is een boek over de uitgebreide bibliotheek van dichter/schilder Lucebert, overleden in 1994. Het ging over de mogelijke invloed van die boeken op zijn werk. Nu was ik toen niet bekend met dat werk en ik trachtte mij erin te verdiepen. Dat viel nog niet mee. Gedichten (daar was ik toen praktisch niet mee bezig) waar ik geen touw aan vast kon knopen en schilderijen en tekeningen die mij nog minder zeiden.

Toch ben ik Lucebert niet vergeten en heb in de loop der jaren echt wel gedichten van hem gelezen en leren waarderen, evenals zijn schilderijen en tekeningen. Toen Lucebert de biografie van Wim Hazeu verscheen, moest die dan ook zo snel mogelijk aangeschaft én gelezen worden. Zo geschiedde en ik weet nu al dat ik er de rest van mijn leven mee vooruit kan. Kom ik op terug.

Allereerst ging de publicatie met wat ophef gepaard, want die publicatie moest een jaar uitgesteld worden. De biograaf kreeg namelijk, toen het manuscript af was, brieven in handen die een nieuw licht wierpen op Lucebert in oorlogstijd. Waar hij altijd had gezegd dat hij in Duitsland tewerkgesteld was, lag dat toch iets anders. Hij had zichzelf aangemeld. Is hij daarmee een ‘foute Nederlander’? Ook dat ligt genuanceerd en dat geeft Hazeu prima weer. Lucebert was hevig geïnteresseerd in de Duitse cultuur en was ervan overtuigd dat het bolsjewisme bestreden moest worden. Hij viel voor het Duitse charme-offensief en die factoren leidden ertoe dat hij zich aanmeldde. Toen bleek met wat voor regime hij uiteindelijk in zee was gegaan schaamde hij zich ervoor en heeft hij er nooit meer over verteld.

Dan zijn kunst. Lucebert heeft de ulo afgemaakt maar is verder autodidact in dicht- en schilderkunst. Als je zijn immense poëzie-oeuvre bekijkt en leest (ik ben er nu in bezig) dan ga je beseffen wat een groot kunstenaar dit is. Het is waar, ogenschijnlijk is er soms niets te begrijpen van die gedichten, maar Lucebert wist precies wat hij opschreef. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap, want Simon Vinkenoog zei over zijn poëzie;

‘Ontzettend indrukwekkend, soms beangstigend waren zijn mystieke gedichten, waar ik niks van begreep maar die ergens op een heel hoog niveau ontroering teweeg brachten’.

Ik kom bij het volgende boek terug op zijn gedichten, even terug naar de mens Lucebert zelf. Hij werd woordvoerder van de Vijftigers, een literaire beweging die zich afzette tegen de kunst van hun voorgangers. Hij werd bevriend met de Duitse toneelschrijver Bertold Brecht en volgde hem met zijn gezin naar Oost-Berlijn. Later ging hij in het Noord-Hollandse Bergen wonen én in het Spaanse Jávea. Hij was geen ‘socializer’. Premières en feestjes meed hij het liefst, hij werkte. Onvermoeibaar en altijd. Hij was altijd in zijn atelier te vinden, bezig met een nieuw schilderij, een tekening, een ets of gouache. Hij krijgt uiteindelijk succes en sluit een contract af met een Engelse kunstgalerij. Later volgen er meer exposities over de hele wereld, die hij overigens niet bijwoont vanwege zijn vliegangst.

Over zijn schilder- en tekenkunst is ook genoeg te zeggen. Allereerst was Lucebert kleurenblind, opmerkelijk voor een schilder natuurlijk. Ten tweede zijn de voorstellingen niet altijd even duidelijk, wat stelt het eigenlijk voor? Lucebert zelf zegt daarover;

‘Alles wat me maar invalt schilder ik, ik schilder en teken van alles op alles, alle opvattingen waardeer ik gelijkelijk, tussen motieven maak ik geen keuze en ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet, blijf ik buiten schot en beleef de vrijheid die alleen zij mij aanreiken, mijn schilderijen, mijn gedichten…Niet zweer ik dus bij magere en niet bij vette schilderijen, geen voorkeur heb ik voor bepaalde paletten, vandaag vlucht ik in boombruin, morgen verdrink ik lachend in dauwblauw.’

Als een schilderij af was dan werd de titel erbij verzonnen. Vaak wist hij die al tijdens het schilderen, maar hij gebruikte ook zijn boekenkast daarvoor als inspiratie.

Een andere constante is de muziek. Lucebert was gek van jazzmuziek en dat luisterde hij vaak met vrienden. Toch waren ook zijn gedichten een bron van inspiratie voor componisten. Zo heeft hij meegewerkt aan het surrealistische schouwspel Poppetgom. Componist Bruno Maderna componeerde de muziek hiervoor en Lucebert verzorgde de teksten, waarvan het Vietnamlied ‘Soldatenmoeder’ gezongen werd door de Zangeres zonder Naam. Ik heb dat singeltje voor een paar euro op de kop getikt, dat vind ik leuk om erbij te hebben, al is het een wat vreemde eend in mijn collectiebijt…. Zijn gedicht ‘het laatste avondmaal’ inspireerde Louis Andriessen tot zijn compositie ‘Trilogie van de laatste dag’ en Xander Hunfeld schreef zijn compositie ‘oktober’ ook op basis van zijn gedichten.

Als rechtgeaard hypochonder kwam Lucebert niet bij artsen over de vloer, tot bleek dat hij de ziekte van non-hodgkin had. Hij werkte tot het einde door, zoveel hij kon en liet een indrukwekkend oeuvre na. Waarom blijf ik daar dan de rest van mijn leven mee bezig? Omdat ik inmiddels liefhebber van zijn werk ben. Ik zal al zijn gedichten lezen en erover blijven lezen, net als ik zijn schilderijen zal blijven opzoeken. Niet de makkelijkste werken, maar des te interessanter. Het mooie is dat Lucebert zijn werk prima kan duiden. Hij kan je zeggen waarom er wat op een schilderij staat en wat hij met een gedicht bedoelt. Over dat laatste meer in de volgende bespreking, maar het is fascinerend om te lezen. Hij deed niet zomaar wat, was autodidact (zeer belezen in verschillende talen) en hij gebruikte niet alleen taal, hij vond het ook uit. Hazeu legt het allemaal helder uit in een vlot leesbare biografie van zo’n kleine 800 pagina’s die ik zeer de moeite waard vond.

FullSizeRender (002)
En dan ligt er een boek voor je van meer dan 5 kilo, een prachtcadeau van mijn lief. Dutch Mountains van Peter Voskuil. Volgens eigen zeggen Het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie. Ik houd niet zo van die zelfverheerlijkende titels maar…in dit geval ga ik hier in mee, want wat een schitterend boek is dit.

Ruim 700 pagina’s geschiedenis, heden en een vooruitblik over alles wat met muziek en de platenindustrie te maken heeft. In Nederland, maar ook daarbuiten, want die fonograaf hebben we nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Chronologisch gezien hoef ik het niet helemaal na te vertellen, maar het begint in 1878 met het kermiswonder van dat wonderlijke apparaat waarmee goochelaar en illusionist Maju het land doortrekt. Het boek eindigt in 2015, waarin streamingdiensten van muziek gemeengoed zijn en het hele verdienmodel opnieuw uitgevonden moest worden.

Het is een schat aan informatie met talloze eye-openers (althans, voor mij). Dat varieert van het krijgen van inzicht in opnametechnieken tot het belang van bepaalde opnames uit heden en verleden. “Ouwe Taaie” van Eddy Christiani was tot voor kort een wat belegen liedje uit een ver verleden, maar ik wist niet dat het in feite een regelrechte protestsong was in een tijd van oorlog. Je kijkt er meteen anders tegenaan.

Je leest over de opkomst en ondergang van labels en maatschappijen en wat er voor nodig is om een hit te maken. Zo was het personeel van het later zo grote Decca-label ooit afhankelijk van de stoom van de wasserij op de begane grond om hun platen te persen.

De Nederpop ontstaat ironisch genoeg bij indo-bands als de Tielman Brothers, maar ook het levenslied gooit hoge ogen. Willy Alberti komt voort uit de Jordaan-gekte en zorgt met zijn hitsingle Marina voor de allereerste Nederlandse notering ooit in de Amerikaanse Billboard Top 100 (plaats 42). Den Haag als beatstad wordt uitgebreid beschreven en met name de capriolen in de studio’s, met alsmaar meer mogelijkheden, zijn prachtig om te lezen. Zo gaat het er aan toe, als Peter Koelewijn een single produceert van Q65;

Technicus van dienst die middag is de jonge Jan Audier. “De eerste keer dat ze gingen spelen, schrok ik me de pleuris”, herinnert hij zich. “Die meters lagen stijf in de rechterhoek in het rood, zo’n herrie was het. Toen heb ik een black out gehad. Ik dacht: hoe krijg ik die meters in godsnaam uit de hoek? Ik wilde niet afgaan.”
“Waar gaat die tekst eigenlijk over?” vraagt technicus Jan Audier als hij zijn black out weer enigszins te boven is. Audier spreekt redelijk goed Engels, maar verstaat er geen snars van. “Ik zal ’s gaan luisteren”, antwoordt Koelewijn. Hij gaat naast Bieler staan tijdens het inzingen, maar krijgt er ook geen hoogte van. Ze laten het maar zo.

Het is pionieren en je krijgt een goed inzicht in wie welke rol heeft gespeeld. Peter Koelwijn en Pierre Kartner blijken producers van formaat. Willem van Kooten is in de gehele geschiedenis alom aanwezig en Willem Duys had veel invloed.

De rol van het uitzendschip Veronica en later Radio Noordzee was ook van groot belang. Het waren elkaars concurrenten en dat ging zo ver dat de eigenaar van Veronica een bomaanslag pleegde op Radio Noordzee. Belangrijker was de uitvinding van de Top 40 en de invloed op de industrie. Er was sprake van manipulatie van de Top 40 en van payola, zeg maar omkoperij van disc-jockeys en andere belanghebbenden. Ik had er wel eens van gehoord, maar dat er voor Nederlandse concerns ook rechtstreeks zaken werd gedaan met de Amerikaanse maffia, was nieuw voor me. Inkoper Juan da Silva dobbelt zelfs over partijen van 20.000 lp’s, die bij de Free Record Shop in de bak ‘drie voor een tientje’ terecht komen.

De Free Record Shop wordt groot met parallelimport en kan zo goedkoop platen leveren. Dat brengt een hoop beroering in de industrie en één van degenen die er goed op weet in te spelen is de latere LPF-minister Herman Heinsbroek. Hij ziet het belang van een goede back-cataloque en het maken van compilatie-platen. Mensen betalen graag voor alle hits achter elkaar in plaats van een album met maar één of twee hits.

De ontwikkelingen gaan razendsnel en het wordt allemaal helder uitgelegd, compleet met grafieken en cijfers. De Palingsound, de opkomst van de cd en dvd en later de streamingdiensten, het staat er allemaal in. Door het hele boek staan aparte katernen waarin de totstandkoming van belangrijke Nederlandse platen wordt toegelicht. Maar het mooiste vind ik de talloze weetjes uit de praktijk, waardoor je muziek opnieuw gaat beleven of met andere ogen zien, of die ik gewoon wil weten als muziekliefhebber. Een paar dan;

– Hennie Huisman drumt helemaal niet op de opname van de hitsingel “House for Sale”  van de band Lucifer
– Frank Sinatra had bijna “In ’t kleine café aan de haven” gecovered, althans als het aan zijn producer had gelegen
– de moeder van Herman Heinsbroek heeft mijn “guilty pleasure” lp van Frankie Laine samengesteld (die kende ik als jongeling al van buiten en zijn moeder bleek groot fan, het was de enige compilatie die Heinsbroek niet zelf samenstelde)
– de hit “This is the moment” van René Froger lag klaar op de planken voor Whitney
Houston, maar die had net iets vergelijkbaars uitgebracht dus wilde hem niet.

Dat was nog in de tijd van lp’s en cd’s, maar het boek sluit af in de periode van streamingdienst en iTunes. Maarten Steinkamp, head of continental Europe van Sony/BMG;

“Ineens kon je muziek per track kopen. Dat is een game-changer van jewelste geweest. Als voor die tijd een single een succes werd, persten we die single bijvoorbeeld niet meer bij. Die trokken we dan van de markt af met het verhaal dat de single uitverkocht was. Dan moesten de mensen het album kopen om dat nummer toch te krijgen.”

Een verhelderend boek dus, groot en zwaar, maar daardoor ook met prachtige foto’s. Wat mij betreft een absolute aanrader voor iedere muziekliefhebber.