IMG_4045
Als je dan toch in Parijs bent met je lief, dan mag een bezoek aan de meest beroemde boekhandel niet ontbreken, dus wij togen naar Shakespeare and Company, aan de Rue de la Bûcherie, met uitzicht op de Notre Dame. De geschiedenis van deze winkel heb ik al eens beschreven in mijn bericht over Jeremy Mercer’s boek, Een bed tussen de boeken, dus lees dat vooral terug. Ik vroeg me vooral af of het gevoel klopte. Iedereen praat erover als het boekenparadijs op aarde, de boekhandel der boekhandels.

Het gevoel was prima, kan ik u vertellen. Ik zal niet vervallen in overdreven lyriek, daar ben ik te nuchter voor, maar het is leuk om een boekhandel te zien met een inrichting zoals deze. Boeken overal waar je kijkt. Kruip door, sluip door. Bukken, pas op je hoofd. Schuine trap, dan schuine planken, daar kunnen ook boeken op staan.

IMG_4049
Als je die trap op loopt, zie je die mooie quote die de oorspronkelijke eigenaar George Whitman heeft aangebracht; Be not inhospitable to strangers lest they be angels in disguise. Whitman dacht dat hij deze van de Ierse dichter Yeats leende, maar het staat gewoon in de Bijbel, Hebreeuwen 13:2.

Maar het gevoel klopt. Er staan nog steeds bedden, waar schrijvers kunnen overnachten, in ruil voor wat werk in de winkel én, de enige eis, een korte autobiografie. Het wachten is nog op de bundeling van al die autobiografieën door al die jaren heen…

IMG_4050
Bedden dus, een bibliotheek, ernaast een café waar je je gekochte of geleende boek kan lezen. Er staat een piano waar iedereen op mag spelen en er loopt een kat. Een apart bord met de tekst; De kat heeft de hele nacht gelezen, ontzie hem een beetje (vrije vertaling). Relaxt beest, net als de sfeer.

IMG_4048
Het is een druk bezochte winkel maar niet te druk, op één of andere manier. Zoals gezegd, het gevoel klopt. Koop je dan een boek, omdat je daar toch een boek moet kopen? Ik ben dus nuchter en heb echt boeken terug gelegd, maar onder dit boek kon ik toch niet uit. Als je er toch bent en de winkel ervaart, dan is een boek over de geschiedenis ervan, met talloze foto’s een absolute must. Ik ben er al in bezig….

9910d0b249c597f5974776d7041444341587343

Advertenties

IMG_3966
Ik begon vol goede moed aan de dubbelroman van Willem Elsschot, Lijmen / Het been. Ik had de novelle Kaas al gelezen van hem en die beviel mij best dus ik was benieuwd naar deze werken. Hoewel ze met enige tijd ertussen werden geschreven, respectievelijk in 1928 en in 1938 is het een vervolg op elkaar en werden ze na de oorlog altijd samen uitgegeven.

De verteller en ik-figuur ontmoet een oude bekende, Frans Laarmans (iemand die we ook al in de novelle Kaas tegenkwamen). Laarmans vertelt over het werk dat hij doet, en dat is klanten werven voor het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen. Dat begon allemaal met de ontmoeting van Laarmans met Boorman. Die verdiende zijn geld met dit tijdschrift en hij zoekt een opvolger. Dat moet Laarmans worden maar er zijn regels;

…je moet doen zoals ik doe, praten zoals ik praat en zwijgen zoals ik zwijg. Wij maken een contract, waarbij bepaald wordt dat je van heden af duizend frank in de maand krijgt gedurende niet langer dan twaalf maanden. Na die tijd, of vroeger, word je er uitgetrapt of doe ik mijn zaak aan je over…

Laarmans gaat akkoord, maar is niet gerust;

 ‘Ik vind het goed,’ sloeg ik toe, niet zonder waardigheid en niet geheel zonder beklemmend gevoel, als verkocht ik mijn ziel.

Laarmans moet namelijk gaan ‘lijmen’. Binnenlopen bij bedrijven en vervolgens aanbieden om een editie van het tijdschrift te wijden aan het fantastische product of de geweldige diensten die geleverd worden. Daartoe liggen al een aantal artikelen panklaar op de plank, die makkelijk omgewerkt kunnen worden naar het betreffende onderwerp.

Zo lopen Boorman en Laarmans binnen bij de smidszaak Lauweryssen. Die wordt gerund door broer en zus. Mevrouw heeft een slecht been en doet de administratie en wordt zo ‘gelijmd’, dat ze besluit 100.000 exemplaren te bestellen van het tijdschrift, dat gaat over hun zaak en de fantastische keukenliften die ze maken. Af te betalen in termijnen, die Laarmans moet gaan innen.

Het vervolg, Het been, gaat over de wroeging van Boorman. Hij loopt mevrouw Lauweryssen tegen het lijf en komt met haar ten val. Ze heeft een houten been inmiddels en Boorman krijgt spijt van zijn vroegere praktijken. Hij wil haar het geld terug betalen, maar zij weigert. Hij zet alles op alles om het voor elkaar te krijgen en geraakt er zelfs even door in een psychiatrische kliniek. Uiteindelijk lukt het toch via bemiddeling van een oom van Laarmans. Dat klinkt heel simpel en dat is het ook, en meteen daar ligt mijn reserve bij deze verhalen.

Het zijn verhalen uit het interbellum, verhalen over het verdienen van geld en een bepaalde moraal. Tot zover niets mis mee. Het is ook geen dik boek, in totaal 219 pagina’s, maar ik kon er mijn aandacht niet bijhouden. Het verhaal kon mij maar heel matig boeien. Er hoeft ook niet persé een plot in te zitten, maar als heel het tweede verhaal draait om het moeizaam teruggeven van het geld, en het is ineens opgelost met een paar gesprekken, dan vind ik dat te mager. Ook het eerste deel, Lijmen, kwam bij mij niet verder dan een aardig verhaal, maar haalde niet het niveau van Kaas.

De mooiste passage? Waarin Laarmans het omgewerkte artikel voor piano’s voorleest aan mevrouw Lauweryssen, maar dan voor keukenliften;

‘…dat Lauweryssens fabriek een waar industrieel paradijs is. Wie er eenmaal werkt gaat niet meer weg, zodat dezelfde mensen reeds jarenlang dezelfde taak verrichten en zich geleidelijk hebben opgewerkt tot een weergaloze bedrevenheid. Het mag dan ook gezegd worden dat Lauweryssens piano’s…
‘Keukenliften,’ verbeterde Boorman kortaf.
‘…dat Lauweryssens keukenliften,’ hervatte ik als de bliksem, ‘voor generlei verbetering vatbaar zijn.

9048827655.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik was niet van plan een boek te kopen. Maar ik was wel in een boekhandel…Ik zag dit boek liggen, Duitsland Biografie van een natie van Neil MacGregor, ik begon te bladeren en kon het niet meer wegleggen. U begrijpt, pure overmacht.

Toch twijfelde ik wel. Goed 550 pagina’s, erg veel foto’s en illustraties en geschreven door een Engelsman, zij het voormalig directeur van het British Museum. Ook kon ik zo snel geen chronologische lijn ontdekken in het boek, dus wat had ik nu hier in handen? Ik besloot toch tot aankoop (€ 20,- leek niet veel) en werd voor de kassa aangesproken door een enthousiaste jongeman die aangaf dat ik een heel goed boek in handen had.

Nu is dat altijd heel subjectief maar het moet gezegd, ik heb het met erg veel plezier gelezen. Dat gebrek aan chronologie wordt goedgemaakt door een heldere indeling in onderwerpen. Het boek bestaat uit delen, zoals Waar ligt Duitsland?, Duitsland verbeeld, Het hardnekkige verleden, Made in Germany en Leven met de geschiedenis. Vervolgens word je aan de hand van praktijkvoorbeelden die voor iedereen herkenbaar zijn door de geschiedenis geloodst.

Allereerst wordt duidelijk gemaakt dat “De geschiedenis van Duitsland” niet bestaat. Door de talloze Duitse vorstendommen en deelstaten zijn er talloze geschiedenissen. Er komt pas een beetje lijn in na de samensmeding van die lappendeken door Bismarck in 1871. Daarvoor was er maar een vaag gevoel van een gemeenschappelijk doel;

Wel zijn er veel breed gedeelde herinneringen aan wat Duitsers hebben gedaan en ervaren. Die herinneringen oproepen en op een deel ervan nader ingaan is de bedoeling van dit boek.

Dat gebeurt door een breed scala van onderwerpen te beschrijven. Zo wordt duidelijk wat het belang was van de Lutherse vertaling van de bijbel. Die kon ineens gelezen worden in de taal van de straat. In het hoofdstuk Duitsland verbeeld worden de wouden beschreven, de monumenten zoals het ongemakkelijk megalomane beeld Het Hermannsdenkmal in het Teutoburgerwald, het Walhalla met de bustes van alle belangrijke Duitsers (ruim genomen, Duits sprekend was al voldoende) en de Faust van Goethe. Maar ook de verscheidenheid aan bier en worst wordt uitgebreid beschreven.

Ik heb echt teveel aan notities om ze allemaal te beschrijven, maar interessant was het deel over Karel de Grote of Charlemagne, Duitser of Fransman? Dit hoofdstuk geeft goed weer hoe lastig gebiedsbepaling en nationaliteit soms ligt. De man wordt door beide landen geclaimd als groot landgenoot. Dat loopt ook door het hele boek heen. Waar liggen de grenzen precies?

Ik heb (nader) kennis gemaakt met de houtsnijder Tilman Riemenschneider, aangehaald door Thomas Mann in zijn speech in de Library of Congress. Grootheden als Goethe, Dürer (maakte zich druk om schending van zijn logo), Kollwitz en fenomenen als het Bauhaus en het Wirtschaftswunder hebben wat minder geheimen voor mij.

Wat zo goed is aan dit boek is dat alles met elkaar in verband wordt gebracht. Als het beklemmende logo op het hek van Buchenwald wordt beschreven “Jedem das seine”, wordt terugverwezen naar het Bauhaus, want de letters zijn niet voor niets in die stijl geplaatst. Maar ook wordt verder verwezen naar Johann Sebastian Bach, die een cantate schreef met die titel. Zo zijn er talloze verwijzingen in dit boek. Er zijn ook erg veel illustraties maar ik vind dat een pré. Ik was door de beschrijvingen zo vaak benieuwd naar de afbeelding (een porseleinen neushoorn bijvoorbeeld), maar ik weet dat die afbeelding verderop komt. Voor in het boek zijn ook acht duidelijke kaarten opgenomen van Duitsland door de eeuwen heen.

Het is niet alleen achteromkijken in dit boek. De lijnen met het heden liggen er. Er zijn verwijzingen naar de oude Hanzesteden op de nummerborden in Hamburg en in de naam Lufthansa. De erfopvolger van Bauhaus, waar voor een groot publiek duurzaam geproduceerd wordt, is IKEA. Ook de omgang van Duitsland met zijn bezwaard verleden is indrukwekkend. Het land is opgebouwd (wat een rol voor de Trümmerfrauen, die dit vaak steen voor steen deden), maar loopt niet weg voor het verleden. Gebouwen zijn bewust in beschadigde toestand gelaten, in de Reichstag zijn, vaak keiharde, teksten van de Russische overwinnaars bewust zichtbaar gelaten en niemand kan om het Holocaust Monument in Berlijn heen. Eén van de mooiste is de Engel van Barlach;

De figuur hangt boven een doopvont, het traditionele christelijke symbool voor vergiffenis van zonden en nieuw leven…De lippen van de engel zijn gesloten, geluidloos. Hier is de oorlog naar binnen gekeerd. Afgrijzen en angst komen des te harder aan doordat ze niet worden verwoord…Barlach zelf heeft gezegd dat dat ongeveer de manier is waarop we de oorlog moeten beschouwen: Erinnerung und innere Schau.

Er zit nog een prachtig verhaal vast aan deze engel zoals er talloze staan in dit boek, maar lees dat vooral zelf. Ik zou het ook niet op E-reader lezen want de foto’s en illustraties zijn prachtig en paginagroot soms. Voor die twee tientjes heb je een prima naslagwerk in huis.

Vertaling; Pon Ruiter

img22707
Een acrostichon is een gedicht waarvan bepaalde, meestal de eerste, letters van iedere regel of strofe, achter elkaar gelezen zelf ook een woord of zin vormen. Uiteraard kan dat ook met namen. Gerrit Komrij heeft in 1984 ooit twee acrostichons op zijn eigen naam met de titel Lichaam en Geest laten inbinden door Uitgeverij Exponent te Bedum.

Het is een gelimiteerde oplage van 100 exemplaren waarvan ik onlangs nummer 6 voor een aardige prijs aanschafte. Het eerste acrostichon;

Lichaam

Gewrichtsneurose, gonorroe, gesnik.
Eczeem, echolalie, eelt, etterwond.
Rotkreupel, rugverweking, rauwe pik.
Roos, rectumfistel, reuma, rode hond.

Infarct, infectieslijm, inheemse sjanker.
Trombose, tropenkolder, trauma, tic.
Kou, kerkhofhoest, kniewater, knokkelkanker.
Oorsuizing, oogvuil, onverhoedse hik.

Moeraskoorts, maagzweer, monomane blik.
Rachitis, rolberoerte, ruimtevrees.
Irisverdoffing, impotentie, ik.
Jichtknobbels, jubeltenen, jeukend vlees.

Groot formaat, 20x29cm en met de hand ingenaaid is het een mooi exemplaar. Het Colophon;

IMG_3964

39651276e483be3597158636c77444341587343
Ik kwam bij Anna dit boek tegen van Patrick Leigh Fermor over abdijen en het kloosterleven, Een tijd om te zwijgen. Fermor was een bekende reisboekenschrijver waar ik nog wat boeken van op de verlanglijst heb staan, maar dit leek me een mooie opmaat.

Het boekje telt maar 87 pagina’s en gaat over zijn bezoeken in de jaren ’50 aan de Abdij van St. Wandrille de Fontanelle, de abdij van Solesmes, de abdij Notre-Dame de la Grande Trappe (allen in Frankrijk) en de rotskloosters van Cappadocië in Turkije. Die laatste vond ik dan weer een beetje vreemd in de bijt hier, maar goed.

De Abdij van St. Wadrille kent een regime, waar de auteur even aan moest wennen;

Alle maaltijden…werden in stilte gegeten: men werd gemaand zich afzonderlijk te ‘ontspannen’ en alleen met toestemming van de abt tot de monniken te spreken; geen lawaai te maken wanneer men door het klooster liep; niet te roken op de kloostergang; op fluistertoon te spreken en de perioden van stilte strikt in acht te nemen. Ik vond ze onmogelijk grimmig. Wat een stilte en ingetogenheid! Het gebouw kreeg het karakter van een gigantische graftombe, een necropolis waarvan ik de enige bewoner was.

Waarom wil je dit dan? De auteur observeert en verwondert zich over het verschil met bijvoorbeeld de monniken die hij in Griekenland ontmoette. Daar was er vrolijkheid, hier ingetogenheid. Hij beseft;

Deze mannen leefden echt alsof elke dag hun laatste was, ze hadden zich verzoend met de wereld, hadden absolutie gekregen, waren gesterkt door de sacramenten, altijd klaar om op het middernachtelijk uur een zachte dood te sterven.

Ondanks dat hij moest wennen, merkt de auteur langzamerhand dat hij een ritme vindt. Hij hoeft zijn energie niet meer aan talloze afleidingen te besteden maar ervaart ineens vrijheid. Hij schrijft ook en merkt dat dit ook beter gaat. En lees wat hij voelt als hij de abdij verlaat;

Mijn eerste dagen in de abdij mogen dan een periode van neerslachtigheid zijn geweest, het ontwenningsproces achteraf was tien keer erger. Het klooster was eerst een kerkhof, maar de buitenwereld leek later in vergelijking een hel van lawaai en vulgariteit, uitsluitend bevolkt door proleten, sletten en misdadigers…De advertenties voor Byrhh en Cinzano – anders zulke heerlijke symbolen van vrijheid en ontsnapping – …ervoer ik zelfs als een persoonlijke belediging.

De Abdij van Solesmes was een tussenstop op weg naar de Abdij Notre-Dame de la Grande Trappe. Deze abdij  behoort van oorsprong tot de cisterciënzerorde van strenge observatie. Vond de schrijver het regime van St. Wandrille streng, het kon nog veel erger en dat was (let wel, in de jaren ’50) hier;

Een trappist staat om één of twee uur op, al naar gelang het jaargetijde. Zeven uur van zijn dag brengt hij door in de kerk met het zingen van koorgebeden en geknield of staande mediteren, vaak in het donker. de rest van de dag wordt besteed aan primitief en zwaar werk op het land, aan privaat gebed, aan preken en het lezen van de martyrologie…Het eten bestaat bijna uitsluitend uit wortelen; vlees, eieren en vis zijn verboden…

Voeg daarbij de strikte vastenwetten, het altijd dragen van dezelfde dikke kleren, ook in de zomer, het slapen in een gezamenlijke ruimte op een strozak en je kan je weer afvragen. Waarom? Maar ook daar heeft iemand het antwoord op klaar;

Met geduld en oefening levert dit permanent op God geconcentreerd zijn van de geest een rijke beloning op: zielerust, een soort goddelijke vervoering, een onuitsprekelijk geluk, dat een Franse trappist ooit heeft beschreven als een langdurige glimp van het paradijs.

Voilà, ga daar maar eens tegenin. Als laatste worden de verlaten kloosters in Cappadocië in Turkije beschreven. Uitgehouwen in de tufstenen rotsen boden ze jarenlang onderdak aan de verdwenen christelijke gemeenschap in centraal-Turkije. Ik heb ze zelf bezocht en het is inderdaad een indrukwekkend gezicht. De eetzalen in de rotsen, de uit stenen gehakte goten en de nog zwarte haarden, het is leuk om een keer terug te lezen. En ik leer nog wat bij over Anachoreten (ofwel mensen die zich uit de samenleving terugtrokken) die zich inmetselden in grotten en over Dendrieten (wat is afgeleid van dendros, het Griekse woord voor boom) die zich tientallen jaren lang vastketenden aan de hoogste takken van grote bomen.

Dit is een aardig lange bespreking van een kort boekje, maar dat geeft dan aan dat ik het de moeite waard vond. De andere boeken van Fermor zullen vast wel eens voorbij komen.

Vertaling: Barbara de Lange

78107f4fbcee130597a76485241444341587343
Zolang te water van Simon Vinkenoog is zijn autobiografische roman uit 1954. Het is een kort verhaal van ruim 140 pagina’s, geschreven toen hij in Parijs woonde. Daar speelt het boek zich ook voornamelijk af, in het Parijs van de vroege jaren veertig en vijftig.

Het is geen lineaire vertelling, verre van zelfs en je moet er je aandacht behoorlijk bijhouden. De hoofdpersoon is de auteur zelf en het draait allemaal om zijn liefde voor Vera. Hierin herkennen velen zijn toenmalige vriendin Ferdi Jansen. Ze ontmoeten elkaar in Parijs en Simon geeft voor Vera zijn tweede huwelijk met Poes op. Uiteindelijk kan hij Vera ook niet voor zichzelf behouden.

Tussen dit verhaal spelen constant andere levensgebeurtenissen. Slapen naast de dochter van de kapper op zijn twaalfde, zijn ontmoeting met een antiquair bij wie hij twee nachten doorbracht, zijn bezoek na de oorlog aan de communistische jeugdbeweging, het meisje dat hij er leert kennen en met wie hij trouwt, de zoon die ze krijgen, hoe hij Julia ofwel Poes ontmoet met wie hij later in Parijs trouwt en uiteindelijk de ontmoeting met Vera.

Kortom, best veel informatie en in een van-de-hak-op-de-tak-stijl opgeschreven. Even het hoofd erbij houden maar dan is er moois te ontdekken in dit boek;

Tegen de zon kan men zich verdedigen: het beest dat naar gezondheid en rijke mensen ruikt, microben doodt en krenkend helder schijnt, heeft vele andere misdaden op zijn geweten. De regen daarentegen is een zacht en teder beest, dat het speeksel van onze lippen likt en liefkozend langs onze wangen speelt, daarenboven nog de mogelijkheid openlaat ons te beschermen wanneer wij genoeg hebben van zijn druppelende goedheid.

Ik vind het poëzie en ik kan het blijven teruglezen. Ook een zinsnede als “…zijn gezichtsvermogen, dat op kurken randjes van onbehagen drijft liet hem hoe langer hoe meer in de steek” vind ik heerlijk om te lezen.

Het was destijds een scandaleuze roman, met hetero- en homoseksuele passages. Nu kijkt niemand er meer van op, maar de recensies logen er destijds niet om. Uit een bespreking in het Dagblad van Rijn en Gouwe uit 1955;

Men moet een jong auteur welwillend tegemoettreden…Teneinde dus dit boek geen onrecht te doen hebben wij de rimram twee keer met aandacht gelezen, wat waarlijk geen genoegen was. En dan moeten wij mededelen dat wij: a. nergens één originele gedachte hebben gelezen; b. nergens één zin hebben gevonden welke een sfeer, een stemming, een beeld ook maar éven oproept; c. nergens één stukje compositie hebben ontdekt; d. nergens één mens hebben ontwaard.

Niet mis dus, hoewel Louis Paul Boon zich weer lovend over het werk uitliet. Zo zie je maar, oordeel vooral zelf. Mij beviel het, om het verhaal, maar ook om de mooie opdracht die ik voor in dit tweedehands boek vond;

“Zolang te water” voor een meisje dat al zo lang te bed ligt, en dat heel flink is. Je Niek 11-3-’61

902145274X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 1981 stelde Battus, ofwel Hugo Brandt Corstius, het handboek Opperlandse taal- en letterkunde op. Dat was een handboek voor het Nederlands, zonder waarde te hechten aan de betekenis van woorden maar om genot te onttrekken aan de vorm van de taal. De titel werd later gewijzigd in Opperlans! Taal- en letterkunde. Zonder de letter “d”, omdat deze letter volgens de auteur toch niet wordt uitgesproken en dus niet hoeft te worden opgeschreven. Dat is dus Opperlans volgens Battus “Nederlands met vakantie, Nederlands zonder het akelige nut dat aan die taal nu eenmaal kleeft”.

Dat levert een onnavolgbaar origineel boek op en ik laat de auteur nog even aan het woord over het hoe en waarom van dit boek;

Ik schreef dit boek om van het gezeur af te zijn, en omdat niemand anders het deed. Het is vreselijk nachten door te brengen met het zoeken naar omkeerbare woorden als ‘petstep’ en ‘nedertreden’ – in dit boek staan ze alle 676. Ik vind het tijdrovend steeds weer te gaan zoeken naar het vodje papier waar de kortste zin met alle 26 letters van het alfabet op staat – in dit boek staat hij.

En dat is het begin van 676 pagina’s aan taalvirtuositeit. Pagina’s die niet genummerd zijn, maar lopen van pagina AA tot en met ZZ. Zoekt u een woord waar het uiteinde wordt verwisseld (keiendal – leiendak), dan vindt u die uiteraard op pagina UV. Woorden in alfabetvolgorde op pagina WA. Je leert dat er 676 woorden zijn waarvan de letters in alfabetische volgorde staan (variërend van accijns tot glossy en opstuw) en dat er 338 woorden zijn waarvan de letters in omgekeerd alfabetische volgorde staan (zoals tonica, yuppie en zweed). Je kan maar om die kennis verlegen zitten.

Battus verzint de boel aardig bij elkaar maar haalt ook collega’s aan zoals Driek van Wissen. Zo worden wij even opgefrist over al die onlogica in onze taal:

Troonswisseling, bediende, Belgenmop, eierwekker, kruisafneming moeten worden; vorstwisseling, dienaar, Nederlandersmop, kookwekker, Christusafneming. De top van deze manier van redeneren bereikt Van Wissen in de opmerking dat oostenwind naar het westen waait en dus westenwind moet heten, dat een werknemer juist een werkgever is, een armoedzaaier een armoedoogster, een dekbed een beddek, doodsnood levensnood en knarsetanden tandenknarsen. Bravo!

Het boek staat vol met anagrammen, isogrammen, lipogrammen, pangrammen, paragrammen, xenogrammen enzovoort, maar ook ezelsbruggen, klinkerstapelingen, stopwoorden, lettersprongen en ga zo maar door. Lees dit boek ook met mate, anders wordt je er stapelgek van.

Mijmer op pagina HM even mee over de herfstmeervoud bijvoorbeeld;

Herfst is een raar woord om naar te kijken. De rijmwoordenboeken mijden het als de pest…Herfst is een overtreffende trap. Maar waarvan? Kan het herver (droever)? Vindt u het in augustus al een beetje herf?

Een ware schatkist aan taalwetenswaardigheden en -vondsten. Twee kleine opmerkingen dan. Ik zag zo snel wat fouten insluipen in het aantal dieren dat verborgen zit in het welbekende dier de witvleugelmoeraszwaluw. Geen 66 dieren, want “veulen”, “steenuil”, “spin” en “garnaal” zijn nu eenmaal niet correct. En die vaste scheldbegeleiding bij de voornamen, tja…natuurlijk kennen we “Aadje, karbonaadje”, “Hanneke, tanneke, toverheks” en “Annie, ze wil wel maar ze kannie” wel, maar dat ik zelf moet constateren dat “Koen, poep aan je schoen” dan ontbreekt…een beetje jammer. Voor de rest heb ik mij uitstekend vermaakt met dit boek.