9025364039.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik weet niet of de titel De gang naar Canossa van Tom Holland nu zo’n wervende titel is voor een geschiedenisboek, of je moet het meteen kunnen plaatsen. De waanzinnige veertiende eeuw van Tuchman lokt misschien meer, maar dit boek is net zozeer de moeite waard.

De gang naar Canossa verwijst naar de boetetocht van keizer Hendrik IV, toen hij zich te voet door de Alpen naar de burcht Canossa sleepte, om vergeving te vragen aan Paus Gregorius VII voor zijn excommunicatie. Uiteraard was dat cruciaal voor zijn zieleheil en wilde hij graag van die ban af.

Dit gegeven grijpt Tom Holland aan voor een duizelingwekkende reis door Europa rondom de eeuwwisseling en daarvoor. In die zin is het interessant de oorspronkelijke titel van het boek erbij te halen, namelijk Millenium. Het boek gaat over de ‘investituurstrijd’, de strijd tussen de Katholieke Kerk en koningen om bisschoppen te benoemen. Koningen legden met hun legers de macht op aan bisdommen en Gregorius VII wilde de Kerk aan die macht onttrekken;

In zijn persoonlijke leven durfde Gregorius nog verder te gaan als hij zijn gedachten wilde ordenen over het lot waartoe God hem bestemd had. Aan een niet-gepubliceerd memorandum vertrouwde hij een reeks opzienbarende gedachten toe: ‘Dat alleen de paus van Rome het recht heeft op de benaming “universeel”; ‘dat alle vorsten alleen de voeten van de paus kussen’; dat hij de bevoegdheid heeft keizers af te zetten’. Beweringen die zo boud waren dat zelfs de schrijver ze niet hardop had durven uitspreken.

Dit alles kon niet los worden gezien van de Openbaring van Johannes, die had voorspeld dat over 1000 jaar na de geboorte van Jezus het einde der tijden zou aanbreken, voorafgegaan door de komst van de Antichrist. Dit beeld speelt constant door het panorama dat Holland neerlegt in de aanloop naar die gang naar Canossa in 1077. Frankrijk was een lappendeken van vorstendommetjes waar de kastelen als paddestoelen uit de grond rezen. Er staat een prachtig verhaal in over de voor mij volslagen onbekende graaf van Anjou, Fulk ‘Nerra’. Het gaat over de Noormannen die Europa teisteren en zich via Rusland een weg banen naar de Zwarte Zee, maar ook over de opkomst en dreiging van de Saracenen, die het dan nog christelijke Constantinopel belagen. Het gaat over de machtsstrijd in Engeland en over Spanje aan het begin van de herovering van dat gebied op de moslims. Interessant hier is de vergelijking van de Islam met het Christendom. De Islam kent immers geen scheiding tussen religie en staat en heeft volgens Holland ‘geen Canossa gekend’, wat voor mij het belang van de Nederlandse titel weergeeft.

Het is verrassend om te lezen hoeveel voortekenen er gezien werden in die tijd van de naderende apocalyps. Sommigen prima verklaarbaar in de ook nu nog bekende kometen, sommige verschijnselen traceerbaar door vergelijkbare waarnemingen, maar Holland noemt er ook die helemaal niet verklaard worden;

Binnen vijf maanden na het concilie van Clermont, terwijl de paus in hartje Frankrijk Pasen vierde, verscheen er inderdaad een mysterieus kruis aan de hemel. Net als vele eeuwen daarvoor tijdens het legendarische bewind van de eerste christelijke Romeinse keizer, vatten degenen die het zagen het op als een teken van zekere overwinning.

Geen noot ter verklaring of onderbouwing hier. Holland heeft verder wel een losse hand van schrijven die mij bevalt. Een millenium beschrijven binnen 400 pagina’s is geen kleine opgave en de hoofdstukken wijzen op grote stappen, maar hij schroomt niet om allerlei details te noemen, soms met de nodige humor en daar houd ik van;

…de Wenden, een volk dat nog steeds schaamteloos zijn afgoden vereerde, mensenoffers bracht, en beleidskwesties oploste door vragen te stellen aan een paard.

Het boek sluit voor mij mooi aan op het eerder genoemde boek van Tuchman. Ze geven samen een mooi beeld van het Europa in de Middeleeuwen en daarvoor en juist dit boek gaat over een periode die bij mij nogal onderbelicht was.

Vertaling; Christien Jonkheer

dcbd46b64bc752a596e73537577437641414141_v5
De Verzamelde Werken deel 3 van Fjodor Dostojewski uit de serie Russische Bibliotheek bevat maar twee verhalen; Aantekeningen uit het dodenhuis en De vernederden en gekrenkten. Verhalen met een totaal verschillend karakter maar beiden vintage Russisch.

Aantekeningen uit het dodenhuis is het verhaal van een banneling uit een Siberisch werkkamp. Dostojewski zelf werd ooit ter dood veroordeeld, werd zelfs voor het vuurpeloton gezet maar op het laatst werd zijn straf omgezet tot acht jaar dwangarbeid. Uiteindelijk heeft hij daar vier jaar doorgebracht, maar het leverde voldoende stof op voor dit verhaal. Hoewel er een romanpersonage wordt opgevoerd, Aleksandr Petrowitsj, die tien jaar arbeid moet verrichten is het eigenlijk geen roman, maar meer een autobiografisch verslag.

Dat het geen vrolijke verhalen zijn mag evident zijn, toch heb ik uitermate geboeid zitten lezen. Dostojewski doet aan de hand van de opgeschreven herinneringen van Petrowitsj het verhaal. Zo is er een gedetailleerd verslag van zijn de eerste dag in het kamp, van zijn eerste klus als dwangarbeider en van de mede-gevangenen waar hij het de komende jaren mee moet doen. De Jood Isaj Fomitsj is een portret dat bij blijft;

Eens kwam de plaatsmajoor, begeleid door een officier van de wacht en enige escortesoldaten het vertrek binnen, juist toen Isaj Fomitsj op het hoogtepunt van zijn gebed was. Alle gevangenen gingen in de houding naast hun britsen staan. Isaj Fomitsj echter begon nog harder te schreeuwen en zich nog erger aan te stellen dan hij al deed. Hij wist, dat bidden geoorloofd was, dat men hem niet mocht onderbreken…

De scène in het badhuis is er ook één die altijd bij blijft, net als het toneelstuk dat de gevangenen mogen opvoeren. De straffen zijn zwaar en Petrowitsj legt uit wat het verschil in zwaarte is tussen stokslagen en spitsroeden lopen (waarbij een gevangene door een haag van mensen loopt die hem met puntige takken of stokken op de rug slaan). De verhalen uit het ziekenhuis blijven bij, van simulanten en waanzinnigen en de artsen die een ieder van hen toch correct behandelen. Hij vertelt wat enkelbanden met je doen en waarom langgestrafte gevangenen “hun lot willen veranderen.” Zij die weten dat ze nooit kunnen ontsnappen proberen het toch, om maar ergens anders heen gestuurd te worden. Niet omdat het beter is, maar anders. Het hele verhaal leest als een documentaire.

Heel anders is het verhaal De vernederden en gekrenkten. Geen documentaire hier maar wel het grote Russische gebaar. De verteller is de arme schrijver Wanja (kort voor Iwan Petrowitsj). Hij is verliefd op Natasja maar die heeft haar hart verloren aan de vorstenzoon Aljosja. Dat is echter een ongelofelijke losbol en hoezeer hij denkt verliefd te zijn op Natasja, zijn vader heeft hem uit economische overwegingen gekoppeld aan Katja en daar voelt hij ook wel iets voor. De pleegouders van Wanja hebben een vete met de vorst en Wanja loopt van hot naar haar tussen alle salons in Sint Petersburg om te bemiddelen. Zelf woont hij op de zolder van een overleden Engelsman, met wiens kleindochter Nellie hij ineens opgescheept zit. Nellie is meteen de meest hartveroverende persoon in het hele verhaal en zal belangrijker blijken dan verwacht. De meest irritante figuur is Aljosja, die blijft schipperen tussen Natasja en Katja. Ik vond hem ronduit vervelend en dat doet de auteur dus goed, want het deed iets met mij;

– Wat hebben jullie toch! vervolgde Aljosja met klagelijke stem. Zo ben je nu altijd Katja! Je denkt altijd het slechte van me…Om van Iwan Petrowitsj nog maar te zwijgen! U denkt, dat ik niet van Natasja houd. Zo heb ik het niet bedoeld toen ik zei, dat ze een egoïste was. Ik wilde alleen maar zeggen dat ze te veel van me houdt, dat haar liefde te ver gaat en dat dat voor ons allebei een druk is.

De emoties en ellende lopen af en toe hoog op en dat is eigenlijk wat ik verwacht in zo’n verhaal. Hoewel het wellicht niet Dostojewski’s meest diepgravende werk is heb ik mij er prima mee vermaakt. In dit deel van zo’n 700 pagina’s zijn de verhalen van ruwweg dezelfde lengte, beiden ruim 300 pagina’s lang.

Vertaling; Heleen A. Bendien

9048815835.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Kent u hem ook nog? Van vroeger? Die jongen met dat mes op zak? Altijd wat stoerder dan de rest? Daarover gaat de novelle Leve Joop Massaker waarmee Cornelis Bastiaan Vaandrager debuteerde in 1960. Helemaal onbekend was Vaandrager niet want in de jaren vijftig maakte hij al zijn debuut in tijdschriftvorm, maar hij zou doorpakken als dichter, romanschrijver, journalist en literator; hij stond aan de wieg van Ik Jan Cremer. Verder runde Vaandrager met Armando, Verhagen en Sleutelaar het literaire tijdschrift Gard Sivik, dus hij speelde zeker in de jaren zestig een rol in het Nederlandse literaire leven.

Deze korte novelle van 88 pagina’s is de herdruk van de eerste uitgave. De hoofdpersoon is nu vernoemd naar de auteur en heet niet meer Casper Benjamin Lampe. Vaandrager heeft voor deze versie de tekst herzien en zijn zinnen nog korter en radicaler gemaakt. Drinken wordt zuipen, een geslacht een stijve en braaksel wordt kots. Rotterdamser eigenlijk, want het is een Rotterdams verhaal. Dit debuut wordt door sommigen even hoog geschat als De Avonden van Gerard Reve. Of dat klopt weet ik niet, het is in ieder geval een mooie Rotterdamse pendant voor Reve’s Amsterdamse decor.

Het verhaal begint in de vakantiekolonie op een Waddeneiland, waar Cornelis kennis maakt met Joop Massaker en zijn zusje Thea;

Thea is weer naar ons toe komen schuiven. Ze friemelt aan Joops kontzak. Hij slaat haar hand weg. Ze blijft aandringen. Hij geeft haar het mes. Ze gaat verderop zitten en klikt het mes open. Dat doet ze verrekt handig.
Joop: ‘Nou moet je opletten, Cornelis.’
Met de punt trekt ze langzaam witte lijnen op de rug van haar hand, haar arm en het vel van haar onderbenen. Dan zet ze het mes opeens loodrecht in de palm van haar hand en steekt door.

Cornelis laat zich meeslepen door Joop en wordt uiteindelijk van kamp gestuurd, terug naar Rotterdam. Hij heeft wel afgesproken om Joop daar weer te ontmoeten. In Rotterdam ziet hij zijn oude vriend Frans Verstruik weer maar daar krijgt hij ruzie mee. Opeens staat Joop weer achter hem en Cornelis wordt bij hem thuis uitgenodigd. Hij mag komen eten en alledaagser kan het niet, maar Vaandrager maakt daar wel een prachtig tafereel van. Een bomvol huis met kinderen, vader, moeder en een herdershond. Overal tijdschriften, veel boeken en een schedel in de kast die ze Asklepios noemen met een kaars erin. Ze eten stamppot;

‘Eten wat de pot schaft!’ roept de grote broer aan de andere kant lijzig.
Joop: ‘Bemoei je met je eigen zaken, Schotel!’
De lange, die Schotel genoemd werd, gooit zijn stoel achteruit en wil achter mij op Joop afvliegen. Ook Joop is opgesprongen, hij houdt zijn vuisten gebald voor zich uit. Mijnheer Massaker trekt Schotel aan zijn schouder terug. Hij slaat hem twee keer met de vlakke hand in zijn smoel.

Onverbloemd taalgebruik in deze versie en hoewel het geen lang verhaal is zitten er toch genoeg thema’s in. Het gaat over de vrijheid die nog voor je ligt als je jong bent, er zit seksualiteit in vanwege het gedrag van Thea en Joop op het strand én vanwege het verhaal dat Cornelis hen verteld als hij uitgedaagd wordt door Joop om iets over zijn ervaringen met meisjes te vertellen. Er zit sadisme in waar zuster Worm Cornelis belachelijk maakt om zijn kleine lulletje en hem in zijn ballen knijpt en iets van nostalgie voor de lezers van nu waar we nog telefooncellen en Dick Bos-boekjes tegenkomen.

Met de auteur Cornelis Vaandrager liep het niet goed af. Zijn werk werd overvleugeld door het daverende succes van Ik Jan Cremer. Op poëzie-gebied snelde de onlangs overleden Hans Verhagen hem voorbij en tot slot was Vaandrager zelf zijn grootste tegenstander. Hij publiceerde weinig, maakte ruzie met uitgevers en kwam onder invloed van speed. Hij verbleef enkele malen met depressies in een psychiatrisch ziekenhuis en hij stierf op 56-jarige leeftijd tijdens een zwervend bestaan. Gelukkig is de belangstelling voor zijn werk er nog, getuige de verschijning van een biografie over hem in 2005 en een uitgave van zijn verzamelde gedichten in 2008. Daar ga ik nog achteraan, mijn belangstelling is gewekt.

9054523670.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De herinnerde soldaat van Anjet Daanje kwam in november 2019 uit, stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2020 maar bereikte helaas niet de shortlist. Helaas? Jawel, ik vond het een schitterend boek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt achter de Belgische frontlinie een soldaat gevonden. Niet gewond, maar de man weet zich niets meer te herinneren. Geen naam, geen herkomst, totaal niets. Hij wordt opgenomen in een gesticht voor krankzinnigen en krijgt de naam Noen Merckem. Dan komt er een vrouw, Julienne, die zegt dat zij met hem getrouwd is en dat hij in werkelijkheid Amand Coppens is. Ze neemt hem mee naar huis en vertelt hem langzaam het verhaal van hun leven voor de oorlog. Ze hebben twee kinderen en zij heeft hun fotozaak voortgezet die ze samen ooit zijn begonnen.

Het is wennen voor beiden. Aanvankelijk slapen ze niet samen, maar langzaam bouwen ze samen een nieuw leven op, op nieuwe herinneringen. Maar er zijn nachtmerries. Amand ziet ’s nachts beelden van de oorlog;

…dat verdomde lijf opent de ogen alsof het ochtend is en tijd om op te staan, en het ziet een poes, ze loopt voor het prikkeldraad langs waarin honderden malen kapotgeschoten lichamen hangen te wiegen, ze is zwart en ze heeft witte pootjes en een witte vlek op haar neus, en ze maakt een elegant sprongetje over een bebloed hoofd en dan over een been dat bij niemand meer lijkt te horen….

Die beelden laten ook zien wat hij zelf deed, daar misschien ook wel van genoot en daar schrikt hij van. Hij heeft veel woede in zich en zijn vrouw en kinderen zijn soms bang voor hem. Amand en ook Julienne worden steeds heen en weer geslingerd tussen hun gevoelens voor elkaar. Wat Daanje heel knap doet is het weven van twijfel in het verhaal. Houdt Julienne iets achter, vertelt zij de waarheid? Waarom is hun oude foto-studio nog intact, waarom spreekt zij vloeiend Duits?

Ook Amand lijkt meer met zich mee te dragen dan aanvankelijk wordt voorgespiegeld. Waarom blijkt hijzelf ook prima Duits te spreken bijvoorbeeld? Waarom duikt er steeds een zwarte hond op? Toch lijkt hij zijn draai te vinden. Hij helpt mee in het bedrijf en de zaken gaan goed. Ze kunnen zich zelfs een groter pand veroorloven. Maar zijn herinneringen lijken weer te vervagen en het is wachten op het moment dat hij zijn vrouw niet meer herkent. Dat leidt uiteindelijk tot een best verrassend plot dat ik uiteraard niet ga weggeven hier.

Daanje heeft een dik boek geschreven van 536 pagina’s met veel lange, meanderende zinnen. Er komen geen actieve dialogen in voor. Sterker, het merendeel van de zinnen begint met “En…”. Daar was ik aanvankelijk wat beducht voor, het lijkt een eindeloze opsomming van gebeurtenissen maar het heeft mij geen moment gestoord;

En hij is blij dat er weer een dag voorbij is en dan een nacht zonder dat het opnieuw is gebeurd, hij zorgt dat hij zoveel mogelijk uit haar buurt blijft, overdag is hij in de winkel terwijl zij zich in de keuken verschuilt, maar ’s avonds komt ze bij hem in de studio zitten en retoucheert ze de negatieven van de dubbelportretten die hij van zichzelf heeft gemaakt, en het schijnsel van de lamp dat het negatief verlicht, snijdt haar verminkte gezicht in nachtmerrieachtige stukken, en de schemerige stilte benauwt hem, hij bidt dat het niet misgaat, hij concentreert zich op het afdrukken van de foto’s en zijn horloge heeft hij voor zich op tafel gelegd zodat hij zeker weet dat er niet ongemerkt een gat in zijn tijd is gevallen, de minuten kruipen tergend langzaam voorbij, alsof alles met ingehouden adem wacht, net als hij, en hij met dat wachten juist zal uitlokken wat hij probeert te voorkomen.

Eén zin, weinig actie, heel het boek lang. Het verveelde mij geen moment. De kracht van de herhaling vind ik erg sterk in dit boek. Iedere morgen de kolen doen, iedere avond zijn horloge opwinden en onder al die rituelen de onderhuidse spanning of het goed blijft gaan tussen Amand, Juliette en de kinderen, met soms een nieuwe aanwijzing die op een heel andere uitkomst kunnen wijzen. Voeg daarbij soms prachtige zinnen waarbij “de betovering als een trouwe hond op hen ligt te wachten” en dan spreek ik van een volledig geslaagde roman.

9c69d57c0ca22775971315a7567444341587343
Ik ben niet meer bekend met het Insectenrijk dan óf een gerichte mep naar een irritante mug, óf wat ongecontroleerde bewegingen naar geel-zwart vliegend gespuis óf oprechte bewondering voor een mooie vlinder of libelle. Op jonge leeftijd had schrijfster Aglaia Bouma daar ook weinig mee, zeker niet nadat ze in het ziekenhuis belandde na door een hoornaar gestoken te zijn. Vanwege een allergische reactie overleefde ze dat maar net.

Toch wist ze haar fobie, want dat werd het, via gezonde nieuwsgierigheid om te zetten naar een passie voor die kleine wezentjes en dat is best knap. Ze heeft er ook een interessant en uiterst leesbaar boek over geschreven. Dat boek kent een logische opbouw in hoofdstukken die gaan over de flirt, liefde, bevruchting, groei, metamorfose en de ontpopping. Na ruim 230 pagina’s ben je ineens een stuk wijzer.

Want het is nogal wat. Het begint in de flirt al met die aantrekkingskracht en de ‘bruidsvlucht’ van de vliegende mieren. U weet wel, die beesten die het allemaal op dezelfde dag op hun heupen krijgen en je tuin bestormen. Feromonen spelen hier een rol en dat is ook zo bij die mierenpaadjes die u vast wel eens gezien hebt. Ieder hoofdstuk kent interessante zijpaadjes, Bouma geeft keurig aan als we daar op zitten, over de bouw van een insect of wie er nu precies steken of bloed drinken. U hoeft hier geen conclusies aan te verbinden, maar in dit rijk zijn de dames de gemeneriken.

Als u ook zo van krekelgeluiden houdt, of de herrie van de cicaden uit Zuid-Frankrijk u lief is, hierin staat hoe zij dit geluid precies maken. Wespen- en libellenogen zijn heel gevoelig voor beweging en meppen naar een wesp is dus de minst goede optie. Dat blijft wellicht een uitdaging want die had ik al eens geprobeerd; toen landde de wesp op mijn lip.

Om toch maar even bij de wesp te blijven, en dan zijn we al bij de liefde in het boek, daar neemt Bouma het tóch voor op;

‘Limonadewespen’ komen niet pas in augustus uit hun verder ongedefinieerde schuilplaatsen om ons te pesten terwijl we zoete jam op een broodje smeren of een slok bier nemen. Tegen die tijd zit hun leven, of vooral dat van hun kolonie, er juist al bijna op. Het zijn de laatste stuiptrekkingen van een stervende. Zo bezien zouden we ze juist liefdevol moeten vertroetelen. Ze hebben namelijk een zomer lang hard gewerkt, en daar plukken mensen de vruchten van. Letterlijk.

Er staan talloze verhalen in het boek en je valt van de ene verbazing in de andere. Wellicht had u wel eens gehoord bij kannibalisme onder bidsprinkhanen. Maar het gaat verder. De sabelsprinkhaan gaat over tot verkrachting. Maar het gaat verder. De mannelijke bedwants doet aan traumatische inseminatie. Leest u dat maar eens na; toch ook mannelijke gemeneriken in dit rijk. Het is maar een klein voorbeeld van de onvoorstelbare wereld die vaak zo onzichtbaar is maar toch zo dichtbij.

Het is de auteur gelukt mij bewondering bij te brengen voor de strontvlieg. Een vrouwtje paart met meerdere mannen en bewaart hun sperma in meerdere spermathecae (dit kunt u opzoeken in de handzame lijst achterin het boek). Vervolgens kiest ze het zaad van de meest geschikte partner en dus de hoogste kwaliteit. We hebben het nog steeds over een strontvlieg.

Ook de bladluis bekijkt u nooit meer hetzelfde. U weet wel, drommen van die zwarte beestjes op je goeie planten. Wordt het te druk en teveel dringen, dan ontwikkelen ze vleugels om weg te vliegen. Dat kan dus. Ze paren niet en leggen geen eieren, maar planten zich maagdelijk voort. Dat kan dus ook. Het jong dat gebaard wordt, is op haar beurt ook al weer zwanger. Ook dat kan. Bladluizen scheiden een voor mieren lekker goedje af, honingdauw. Mieren beschermen daardoor de bladluizen. Sterker, ze hoeden ze en houden ze bij elkaar. Nog sterker, ze bouwen overkappingen of een afdak voor ze. Je blijft lezen zo.

Het zijn veel verhalen maar de grote lijn van de in het begin beschreven cyclus wordt nergens uit het oog verloren. Bouma gebruikt wetenschappelijke termen maar die worden overal toegelicht of zijn achter in het boek weer terug te vinden. Af en toe neemt ze haar persoonlijke ervaringen in het verhaal mee om haar eigen transformatie kleur te geven, van fobie naar passie.

We weten natuurlijk wel dat er ontzagwekkend veel insecten zijn maar in kort bestek krijg je ineens heel veel mee van die diversiteit. Bouma licht toe hoe insecten onderverdeeld zijn in het dierenrijk en hoe ze gedetermineerd worden. Zo weten we dat bidsprinkhanen geen sprinkhanen zijn, vuurvliegjes geen vliegjes en bladvlooien geen vlooien. Het boek geeft informatie over de ‘muggenwolken’ die we allemaal in onze tuin wel eens zien dansen, over die verfoeide eikenprocessierups en zelfs over het ‘spuugbeestje’ waar Jan Wolkers zo aandoenlijk over vertelde.

Tot slot, ik had geen idee, een verbluffend verhaal over de bij, die ons toch redelijk bekend voorkomt;

Een bij die voedsel heeft gevonden, vliegt eerst een aantal keer heen en weer tussen de bron en het nest…Op een zeker moment besluit ze dat het tijd is om te gaan dansen…Als de voedselbron zich op grotere afstand bevindt, is in het wilde weg rondvliegen op zoek naar de juiste geur minder efficiënt. Dan wordt de waggeldans ingezet. Deze dans geeft een behoorlijk nauwkeurige indicatie van de richting en de afstand van het voedsel ten opzichte van het nest.

Bouma legt het nog verder en duidelijker uit en je kijkt nooit meer hetzelfde naar een bijenkast of -korf. Informatie over voortplanting, voedselinname, hemolymfe in plaats van bloed; er is veel onderzocht en ik bedenk me steeds op wat voor een schaal dit moet zijn gebeurd. Microscopisch klein soms en ik snap de fascinatie van de auteur voor een heel groot deel wel. Ik keek in de tuin ook om mij heen en wilde op internet opzoeken hoe tripsen eruit zagen; om daar te lezen dat er zo’n 7400 soorten bestaan. Een rijk rijk, dat insectenrijk.

1001004006549969
Hebben is houden van Jaco Berveling heeft als ondertitel Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten. Ik voelde mij aangesproken want liefhebber ben ik zeker en verzamelaar; een beetje zoals het uitkomt.

Het boek is bedoeld om een antwoord te krijgen op de vraag wat een verzamelaar, en dan in het bijzonder een boekenverzamelaar, drijft. Uit interviews blijkt dat er in eerste instantie drie motieven te noemen zijn; instinct, verzamelen als investering en het ‘redden’ van bedreigde objecten. Rasverzamelaar Boudewijn Büch gaf daar nog een heel eigen draai aan ;

“…ik heb een gestoorde verhouding met mijn – al lang overleden – vader. En zo is het eigenlijk met al die grote verzamelaars van wie ik de bibliografieën en autobiografieën gelezen heb….met alle bibliofielen is hetzelfde aan de hand: het zijn treurige, lelijke mannen met een meestal ernstig gestoorde vaderbinding en met een droevig seksueel leven.”

Voordat er enige lezers verschrikt afhaken hier; daar valt van alles op af te dingen maar het boek biedt wel verschillende invalshoeken om wat meer inzicht te verkrijgen. Een historische, psychologische, sociologische, economische, biologische en filosofische invalshoek.

Historisch gezien blijken Nederlanders ‘schrapers’, we willen verzamelen.  Dat begint met de rariteitenkabinetten van vroeger tot en met de verzamelbeurzen van tegenwoordig. Er wordt dus aandacht besteed aan de verzamelaar maar aan de bibliofiel en bibliomaan in het bijzonder. Voor de niet ingewijden, de bibliomaan is de overtreffende trap van de bibliofiel. Volgens de Duitser Bogeng (hij wordt niet toegelicht maar het gaat om de jurist en verzamelaar Gustav Adolf Erich Bogeng, 1881-1960);

“Der Bibliophile ist der Herr, der Bibliomane der Knecht seiner Bücher.”

Dat dit ver kan gaan blijkt uit de zelfmoord van een boekhandelaar van de Utrechtse boekhandel Broese, toen hij betrapt werd op het stelen van talloze boeken uit zijn eigen winkel. Een voorval dat ik toevallig zelf meemaakte toen ik daar werkte.

De psychologische factor speelt ook mee al is het niet zo eenzijdig als Büch hierboven weergeeft. Voor dit boek zijn veel interviews gehouden en het merendeel der bibliofielen had een geweldige jeugd met prima ouders en is gelukkig getrouwd.

De motieven worden overigens niet in aparte hoofdstukken behandeld, het loopt allemaal een beetje door het boek heen. Economie wordt behandeld in termen van schaarste en de mogelijkheid om de boeken als investering te zien. Dat kan, maar verwacht er niet teveel van. De zeven grondregels die daarvoor worden aangedragen snijden wel hout maar leuker vind ik de verhalen van mensen die het verzamelen in de praktijk brengen. Mannen (bibliofielen zijn meestal mannen en ook dat wordt verklaard in het boek) die omzichtig hun aankopen het huis in halen bijvoorbeeld;

“Het thuisfront speelt voor verzamelaars een buitengewoon belangrijke rol. Je moet zelf naar een evenwicht zoeken. Niet iedereen lukt dat. Ik kan mij nog goed de verhalen herinneren over bekenden van mijn vader. Mannen die op veilingen stevig inkochten. Dat ging dan niet mee naar huis, maar naar kantoor. Daarna moest het in een tasje stuksgewijs naar huis. Wanneer de hele doos in één keer naar huis kwam, ontplofte mevrouw.”

Zo staat er ook wat geschreven over biologische motieven en dan weidt de schrijver wat uit over hamsterende eekhoorns, aanleg en stoornissen. Dat heeft wel enige grond en is aardig om te lezen, alleen stoorde het mij dat dit in het laatste hoofdstuk weer herhaald werd in een soort samenvatting, maar met precies dezelfde informatie. Binnen een boek van ruim 220 pagina’s hoeft dat niet, ik had het net gelezen. Wat wel verhelderend is zijn de gesprekken die gevoerd zijn met de leden van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Zij geven goed inzicht in wat verzamelen is en wat de verzameling voor hen betekent en wat er bijvoorbeeld mee moet gebeuren na hun overlijden.

Ben ik meer over mijzelf te weten gekomen door dit boek? Welnee. Ik heb iets met muziek en boeken en ik koop een beetje zoals het mij uitkomt. Vroeger lag die focus op de muziek, maar sinds de opkomst van streamingdiensten koop ik dat een stuk minder. De focus ligt nu op de aanschaf van boeken. Ik verzamel niet heel gericht, dat laat ik lekker afhangen van mijn interesses, luim en mogelijkheden en dat bevalt mij erg goed.

9200000114812238
Toen Fantastische nacht en andere verhalen van Stefan Zweig uitkwam hoefde ik niet te twijfelen. Ik had Schaaknovelle al gelezen en was erg benieuwd naar ander werk van Zweig. In dit boek van bijna 650 pagina’s staan naast Schaaknovelle nog zeventien andere verhalen en ik heb er zonder uitzondering van genoten.

Nu heb ik in mijn aantekeningen hele korte samenvattingen gemaakt van al die verhalen maar het heeft weinig zin die allemaal weer te geven. Ik zit mij meer af te vragen wat het is waarom die verhalen mij zo aanspreken. Zweig schrijft toegankelijk en er zit vaak een element van spanning in. Het gaat over menselijke afgronden en hartstochten en over emoties die broeien onder het beschaafde oppervlak van het alledaags bestaan.

Een mooi voorbeeld daarvan is het verhaal Vierentwintig uur uit het leven van een vrouw. Daar ontstaat een discussie onder de gasten van een pension over een vrouw die man en kinderen in de steek laat voor iemand die ze net heeft ontmoet. Verderfelijk, volgens de meesten, maar verdedigd door de vertelster die aangeeft dat hier redenen voor kunnen zijn. Zweig gebruikt dit om een andere gast een verhaal te laten vertellen uit haar verleden over een goklustige jongeman. Zij wilde hem voor zelfmoord behoeden en zou op enig moment, hoewel ze hem verder niet kende, zo met hem meegegaan zijn om zijn leven te delen.

Dat doet Zweig vaker. Een verhaal beginnen waarvan je benieuwd bent hoe dat afloopt, maar dit gebruiken om iets heel anders te vertellen. De dochter van Salomonsohn die hij ’s nachts betrapt op de gang in het hotel als ze uit de kamer van een man komt is niet meer dan de aanleiding tot het verhaal over het verval van de man zelf.

Verval, dood en (gedachte aan) zelfmoord is wel een thema dat vaak terugkomt. Het speelt een rol in Leporella over Crescenz, de schonkige dienstbode uit het Zillertal en in het prachtige verhaal Angst, waarin een vrouw vreemdgaat en wordt afgeperst.

Ook de oorlog speelt soms een rol. De dwang vertelt het verhaal van een Duitse schilder in Zwitserland die opgeroepen wordt voor dienst. Hij wil niet maar voelt de grote dwang om toch te gaan. Boekenmendel gaat over de Joodse Jakob Mendel die dagelijks in een Weens koffiehuis zat, verdiept in zijn boeken en met een fenomenaal geheugen van het totale boekenaanbod in Wenen. Hij is zo verdiept in zijn boeken dat de oorlog geheel aan hem voorbij gaat. Hij stuurt onverstoord maar vol naïviteit brieven naar Engeland en Frankrijk met de vraag waarom de laatste nummers van zijn abonnementen niet meer naar hem verstuurd worden. Tot de Duitsers daar lucht van krijgen en de arme Mendel oppakken.

De schrijfwijze van Zweig is een verhaal apart. Hij heeft een gave om een gemoedstoestand, een sfeer of een gebeurtenis uitgebreid te beschrijven zonder dat het saai wordt. Waar ik voor mijzelf vaak aantekeningen maak om een treffend citaat te vermelden heb ik dat nu niet gedaan. Dan kan ik het hele boek wel weergeven. Ik sla het boek zomaar open en lees in het verhaal Fantastische nacht. Een rijke jongeman bemerkt een psychisch defect bij zichzelf, namelijk de afwezigheid van emoties. Die hervindt hij als hij, met onrechtmatig verkregen geld, ’s avonds in het Prater belandt. Zweig vertelt;

Mijn hele, leeg voorbijgegane leven was plotseling teruggestroomd en hoopte zich op bij mijn keel. En hoe ik ook gekweld werd door mijn zinloze waan om te blijven…ik genoot van die kwelling…En hoe meer dat uur vorderde, des te meer drong de nacht op. De kramen doofden stuk voor stuk het licht, en dan viel steeds als een opkomende vloed de duisternis in, slokte de lichte plek in het gras op….Een kwartier nog, dan zouden de gevlekte houten paarden stilstaan, de rode en groene gloeilampjes op hun onnozele koppen zouden uitgaan, het opgeblazen orkestrion zou ophouden met stampen.

Een pagina later staat de man er nog, maar dat geeft niet. Dit nodigt uit tot ‘slow reading’ wat mij betreft, iets dat ik ook bij Sebald heb en wat mij betreft een absolute aanbeveling is. Je leest dan niet over dit soort pareltjes heen;

Maar het toeval heeft diamanten boren, en het lot, gevaarlijk listig, ziet vaak kans om zich vanuit de meest onverwachte positie toegang te geven tot de rotsachtigste natuur en daar grote schokken teweeg te brengen.

De blinde oude man die denkt dat hij nog een prachtige verzameling etsen heeft, de lichtzinnige en de vrome zus, de brief van het gestorven overbuurmeisje, de wanhopige man die in de kroeg van een Franse havenstad wordt afgeblaft door een serveerster maar toch blijft, de jongen die zijn moeder redt van een heilloos avontuur, de jongeling die ’s nachts gekust wordt en wil uitvinden door wie, de zakkenroller in zijn kanariegele manteltje; het zijn stuk voor stuk aanbevelingen om de verhalen te gaan lezen.

De Schaaknovelle heb ik herlezen in een nieuwe vertaling van Ria van Hengel en het meest opvallende verschil is de uitroep na het verslaan van de wereldkampioen schaak door een onbekende uitdager. Ernst van Altena vertaalt dit als “Zie zo! Afgemaakt!”, waar Van Hengel dit weergeeft als “Zo! Afgelopen!”. Dat is toch een verschil en ik heb de originele tekst niet gezien maar ben daar nu toch benieuwd naar. Overigens leuk om de geleerde Franz Joseph Gall in dit verhaal weer tegen te komen.

Vertaling; Ria van Hengel

9460039324.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als de term ‘wiskunde-‘ of ‘talenknobbel’ u bekend voorkomt, dan is de Duitse arts en hersenonderzoeker Franz Joseph Gall (1758 – 1828) gelukkig nog niet helemaal vergeten. Het zijn termen die voortleven uit zijn werk dat door neuropsycholoog Theo Mulder uitgebreid wordt beschreven in zijn boek De hersenverzamelaar.

Gall was een arts uit Duitsland die in Wenen praktijk hield als huisarts. Daar begon hij zich te verdiepen in de anatomie en werd hij gefascineerd door het grote verschil in aanleg en gedrag tussen mensen. Hij meende dat de oorzaken hiervan in de hersenen te vinden waren en begon met het verzamelen van schedels. Niet van de gemiddelde Wener, maar van genieën, kunstenaars, moordenaars en geesteszieken, kortom; de extremen.

Hij ontwikkelde een leer waarbij de vormverschillen van de hersenen leidend waren voor verschillen in de schedels van mensen. Al naar gelang hersenen veranderden, plooide de schedel zich daaromheen en waren verschillen te ‘bevoelen’ door uitstulpingen en putten in de schedels. Hij ging daarin best ver. Hij voerde mensen wel dronken en liet ruzies ontstaan en begon het gedrag te noteren en hoofden te bevoelen;

Hij aarzelde niet om interessante plekken op de hoofden met verf te markeren.

Langzamerhand ontstond zo zijn schedelleer waarbij men aan het hoofd van de mens het karakter kon aflezen. Met zijn assistent Spurzheim ging Gall lezingen geven die al snel razend populair werden. Niet in het minst omdat hij het show-element niet schuwde, maar ook omdat het behapbare materie was voor het publiek dat niet altijd uit geschoolde academici bestond. Zijn verzamelwoede omtrent schedels nam zulke vormen aan dat hofbibliothecaris Michael Denis expliciet in zijn testament liet opnemen dat zijn schedel niet in de handen van Gall mocht vallen na zijn overlijden; “Mein Kopf geht nicht nach Gall.”

Gall mocht uiteindelijk niet meer optreden in Wenen omdat zijn ideeën te materialistisch zouden zijn. Hij vertrekt naar Berlijn en later naar Amsterdam. Uiteindelijk zou hij in Parijs eindigen, waar hij ook begraven ligt. Uiteraard werd zijn eigen schedel ook onderzocht en die uitslag was opmerkelijk;

De aanwezige deskundigen waren teleurgesteld, want op basis van de hersen-schedelleer was er eigenlijk niet veel opvallends te zien en te voelen aan de schedel van de meester zelf. Het was allemaal wat gewoontjes.

Het boek, en dat is een verdienste, gaat na de dood van Gall nog zo’n 100 pagina’s door. Het behandelt namelijk ook de lotgevallen van zijn assistent Spurzheim, die zijn leer commercieel uitbuitte tot in Amerika aan toe, waar hij ook overleed. Het boek gaat nog verder en laat zien welke navolgers de schedelleer of frenologie kende en hoe dit doorwerkt tot in onze eeuw aan toe.

Maar het belangrijkste is toch Franz Joseph Gall en de duiding van zijn leer. Mulder geeft aan dat het makkelijk is om met de bril van nu hoofdschuddend achterom te kijken en ons af te vragen hoe men in zo’n leer heeft kunnen geloven. Hij zet het verhaal in zijn tijd en laat zien dat Gall als wetenschapper wel degelijk van belang is geweest. Hij was een voortreffelijk anatoom en feitelijk een vroege gedragswetenschapper. Hij beschreef het belang van zenuwbanen en zag als eerste dat hersenen ‘ontstonden’ uit het ruggenmerg. Hij legde het fundament voor de neurowetenschap. Tegelijk viel hij keihard in een methodologische valkuil. Hij was zo overtuigd van zijn eigen leer dat hij wist waarnaar hij zocht en het bijgevolg ook vond. Hij deed geen controleproeven en liet collega’s niet meekijken. Verder nam hij geen leerlingen aan en liet hij geen spoor op schrift achter.

Mulder laat dus prima zien hoe Gall tot zijn leer kwam, wat zijn verdiensten waren en waar hij de mist in ging. De erfenis in de vorm van zijn opvolgers komt ook uitgebreid aan bod, net als de voors en tegens van zijn leer. Zo lezen we over recruteringsbureaus gebaseerd op de frenologie. Er werd serieus gedacht dat mensen op uiterlijke kenmerken geselecteerd konden worden voor bepaalde functies. Op een ander niveau waren er ook schaduwkanten. Er sloop een racistisch wereldbeeld en een westerse superioriteitsgedachte de ideeën over schoonheid en de perfecte schedel binnen.

Het boek is geen dikke biografie, het telt 288 pagina’s. Dat heeft te maken met het feit dat Gall weinig tot niets opgeschreven heeft over zijn persoonlijk leven. Hij was getrouwd en had een zoon, maar leefde gescheiden van hen. Hij schreef wel brieven maar in de regel als hij iets nodig had van iemand. Daarom valt het te prijzen dat zijn biografie is uitgebreid met een goede beschrijving van de tijd waarin hij werkte én de invloed van zijn leer op de wetenschap die na hem kwam.

9200000115140560
De zin van het leven ben je zelf, is het eerbetoon dat journalist Anton Slotboom schreef over dichter Jules Deelder. Het boek was bedoeld als kroon op zijn vijfenzeventigste levensjaar, wat uitgebreid gevierd werd op 24 november 2019 in De Doelen in Rotterdam, in aanwezigheid van Jules Deelder. Hij overleed kort erna, op 19 december. Slotboom haalde het manuscript terug bij de uitgever en herschreef het. Het is geen biografie, de schrijver werkte er zelf niet aan mee. Die biografie gaat nog geschreven worden door Deelder’s dochter Ari.

Een eerbetoon dus, waarin Slotboom de levensloop van Deelder reconstrueert aan de hand van interviews, fragmenten, zijn werk en gesprekken met vrienden en collega’s. Die gesprekken zijn door het boek heen opgenomen in aparte hoofdstukken met als titel ‘Denkend aan Deelder‘. Ook staan er fragmenten van gedichten in die in openbare ruimten zijn terug te vinden met als titel ‘Sporen van Deelder‘.

Jules Deelder groeit op in een niet onbemiddeld gezin in de Rotterdamse wijk Overschie. De Tweede Wereldoorlog maakt hij niet mee, maar speelt wel een grote rol in het gezin dat is terug te vinden in zijn werk. Deelder is een slimme jongen (negens en tienen op de HBS) die al vroeg wist dat hij dichter wilde worden.

Hij werkt in verschillende baantjes, zowel in de haven als bij de bank, maar laat zich inspireren door Jack Kerouac en hij zoekt het vrije bestaan op. Dichten hoort daar bij en in 1962 krijgt hij voor het eerst een gedicht gepubliceerd.

Zijn debuut op het podium vindt plaats in Amsterdam of all places, bij Poëzie in Carré, georganiseerd door Simon Vinkenoog. Hoewel Deelder van jazz houdt probeert hij ook wat in de popmuziek, zelfs met enig succes, maar uiteindelijk keert hij terug naar de jazz om er te blijven. Een andere liefde is het voetbal en wel de club Sparta. Hij is een graag geziene gast op Het Kasteel; de seizoenskaart die hij jaarlijks toegestuurd kreeg toont hij niet eens.

Zijn roem stijgt en hij gaat meer en meer optreden. Soms voor weinig toeschouwers, soms voor volle zalen. Legendarisch is zijn optreden voor een groep punkers, die niets van hem moesten hebben. Volledig onder gespuugd blijft hij stoïcijns zijn werk voordragen. Het zal kenmerkend voor hem zijn, hij zal altijd vol overtuiging optreden, of er nu tien man of tienduizend man staan. In die zin is zijn laatste optreden ontluisterend, met zijn jazz-band, op een verwaaid winkelcentrum voor een handvol mensen.

Deelder blijft dichten en wordt ongekend populair. Zijn boeken verkopen goed en hij is niet vies van commercie want reclames doet hij ook. Wel altijd op zijn eigen voorwaarden. Hij gaat ook toneelbewerkingen schrijven, waagt zich aan een (niet erg goed ontvangen) roman en maakt zelfs kunstwerken.

Qua persoonlijkheid is hij lastig te vangen. Hij is volgens eigen zeggen zelden chagrijnig of down en zijn dochter onderschrijft dat. De interviews met vrienden en collega’s geven wel mooie inkijkjes in de mens Deelder. Schrijver en journalist Hugo Borst gaf aan dat Deelder soms met rust gelaten wilde worden;

Als hij wilde praten zocht hij het zélf wel op. Hij stond in een gesloten modus. Er brandde geen groen lampje. Integendeel, er brandde veel vaker een rood lampje: ‘opname, niet storen.’…Maar soms kwam hij naar mij toe en zaten we opeens weer heel lang te praten’.

Het drugs- en alcoholgebruik komt uiteraard aan bod. Deelder is verslaafd aan amfetamine en dient zichzelf het middel toe met een injectiespuit. Het zorgt wel voor een aantal opmerkelijke verhalen, zoals wanneer hij het spul zelfs Colombia binnensmokkelt (‘Ik ben de eerste ooit die drugs mee Colombia ín heeft gesmokkeld‘). Zo vertelt dichter Bart Chabot ook over zijn ontmoeting met Jules Deelder. Herman Brood stelde Deelder aan hem voor;

Hij zei slechts: ‘Dit is Bart, dit is Jules, jullie redden je zeker wel.’ En toen begon Jules aan een verhaal dat zéker drie uur duurde. Ik had wel vaker speedfreaks meegemaakt, dus ik snapte wel wat er aan het gebeuren was. Maar het bizarre was dat Jules in die catacomben niet één keer in herhaling viel. Het verhaal was helemaal consistent! Hij bleek ook nog eens een  messcherpe blik op de samenleving te hebben…Na drie uur wist ik: deze gozer is een fenomeen, een volkomen fenomeen.’

Die blik op de samenleving verwerkt Deelder in zijn gedichten, maar ook in bijvoorbeeld zijn toespraak die hij hield toen hij een dag ‘gewoon’ burgemeester was, naast burgemeester Aboutaleb. Zijn boodschap was een motie “Wat Maakt ’t Uit Joh”. Een geinige titel maar met een serieuze boodschap die ging over onderlinge verdraagzaamheid. Het maakte niet uit waar je vandaan kwam. Hij kende Rotterdamse Marokkanen die een schurfthekel hadden aan Amsterdamse Marokkanen; dát was nou geslaagde integratie.

Tenslotte, zijn onberispelijke uiterlijk. Hij had al vroeg de spijkerbroeken en het lange haar afgezworen; dat deed iedereen al. Altijd in het pak, het haar achterover in de brillantine en de nagels zwart gelakt met handschoenen eroverheen. Het zou zijn handelsmerk worden en hij werd meerdere malen uitgeroepen tot ‘best geklede man’. Deelder zelf;

‘Ik kijk altijd in de spiegel voor ik de deur uitga. Als man mag dat schijnbaar niet, daar heb ik schijt aan. Het zijn ook altijd mensen die er zelf bijlopen als een afgehaald opklapbed die je dan ijdel noemen. Als je niet als een puinhoop de straat opgaat, is dat een zegen voor de mensheid. Bespaar je medemens die pijn aan de ogen.’

Kortom, alle facetten van Jules Deelder komen goed aan bod in dit boek van zo’n 350 pagina’s. Het blijft allemaal wel een beetje aan de oppervlakte maar voor een eerbetoon mag dat. Wat wel stoorde was dat een aantal opmerkingen of zinnen dubbel genoemd worden (‘dat had je daar ook al gezegd’, dacht ik dan) maar verder leest het boek prima weg. Ik kijk wel uit naar de biografie, want over Deelder’s partner Annemarie Fok en zijn dochter Ari komen we verder niets te weten.

b14be1a025e4e02592f676f5977444341587343 (3)
De Edda is een losse verzameling van helden- en godenliederen die in oude IJslandse handschriften is overgeleverd. Ik was erg benieuwd naar de oorspronkelijke context van al die verhalen die ik immers al een beetje kende via…Mickey Mouse. Ik was lang geleden op dat periodiek geabonneerd en toen stond er een vervolgverhaal in met verhalen gebaseerd op de Edda. Die zijn mij bijgebleven en namen als Fenrir, Mjollnir, Loki, Sleipnir, Yggdrasil, Ragnarok en de Midgaardslang heb ik altijd onthouden.

De Edda is dus geen afgerond boek maar een verzameling liederen waarvan de oudste ontstaan zijn rond 1300, maar waarvan de oorsprong vanuit een orale traditie waarschijnlijk nog veel ouder zijn. Met name die laatste staan in de zogenaamde Proza-Edda, geschreven door de IJslandse dichter en geschiedschrijver Snorri Sturluson. De liederen zijn onder te verdelen in godenliederen met een mythologische inhoud en heldenliederen met een meer epische inhoud. Die laatste vertellen vaak ook iets over historische gebeurtenissen of juist over het alledaags leven.

Het boek bevat een schat aan informatie maar vergt enige inspanning van de lezer. Waar er bijna 270 pagina’s aan verzen in het boek staan, is de rest tot aan pagina 400 ongeveer gevuld met aantekeningen, genealogieën en kaarten. Dat betekent dat je na ieder vers achterin verder leest voor achtergrondinformatie. Dat wil je ook want zonder die duiding mis je de helft aan betekenis. Een voorbeeld vind je in de Ballade van Hommer (een ijzige reus en stiefvader van de krijgsgod Týr);

‘In het Oosten woont bij de Stormende Golven
het hondebrein Hommer op het einde van de hemel;
mijn woeste vader is in het bezit van een kookpot,
een ketel die ruim is en een hele mijl diep.’

Het is dan handig om te weten dat de Stormende Golven staan voor Élivágar, ofwel een mythologische rivier die de bouwstenen leverde voor de eerste reuzen. Dat hondebrein (sic) een negatieve benaming kan zijn, maar ook kan worden uitgelegd als ‘honderdwijs’ ofwel ‘heel wijs’.

De ‘kenningen’ zijn ook interessant in dit boek. Het zijn dichterlijke uitdrukkingen om iets te beschrijven, zoals ‘Ros-van-het-nat” of “Varken-der-branding” voor een schip of ‘kiel-van-het-bier” voor een ketel. De liederen staan er vol mee.

Ik vond het hele boek een feest om te lezen, waarbij mijn favorieten toch echt de mythische verhalen zijn. De tweespalt zaaiende Loki en zijn zoon de wolf Fenrir, die tot het einde der tijden (Ragnarok) vastgebonden blijft aan een hele fijne ketting, de Gleipnir. Het doden van de draak Fafnir door Sigurd, waarbij de dialogen door de stervende draak soms zelfs surrealistisch aandoen;

‘Tjonge, jonge, als wiens zoon ben jij geboren,
Wiens zoon ben jij wel?
Jij kleurt Fafnir rood met je fonkelend zwaard,
je kling klieft recht in mijn hart.’

Toch zijn ook de heldensagen zeker niet te versmaden. Niet alleen vanwege de heroïek maar ook omdat je meer te weten komt over het leven in de vroege Middeleeuwen in die contreien. Waar en hoe men vergaderde, woonde of wat het besef was van de wereld om hen heen. We komen dan ook aanwijzingen tegen voor gebeurtenissen of herkomst tot zover als de Middellandse Zee en zelfs Mauritanië. Ik heb nog wat sagen in de kast staan om te lezen en daar zal ik dit boek ook zeker bij gebruiken, al was het maar om de uitgebreide index die achterin staat en waarin al die begrippen en hun herkomst terug te vinden zijn. De Mickey Mouse was ooit een mooie opmaat tot het echte werk in deze uitgave.

Vertaling; Marcel Otten