9023414683.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Een kleine 900 pagina’s met de Verzamelde gedichten van Lucebert vond ik geen kleinigheid om te lezen. Ik gaf het al aan in de biografie over Lucebert; er valt soms geen touw aan vast te knopen en dat klopt in het overgrote deel van de gevallen. Ben ik er dan positief over? Ja, onverdeeld positief. Ik hoef ze namelijk niet te begrijpen. Ik wil ze beleven en dat kan op meerdere fronten. Lucebert geeft zelf al een voorzetje in een brief aan Nico ter linden;

‘En wat u vooral niet moet doen is een gedicht zien als een fraaie rebus waarvoor maar één oplossing mogelijk is. Het geheim en de kracht liggen voor een groot deel in haar onbestemdheid, haar veelzijdigheid en haar tegenstrijdigheid. In dit opzicht is de poëzie zeer verwant aan onze dromen in de slaap…U denkt toch niet dat een gedicht een stuk onhandig proza is waarvan de inhoud in gewoon proza uitgedrukt zou kunnen worden?’

Waar praten we dan over, dat het zo lastig zou zijn, als het toch allemaal Nederlandse woorden zijn? Een voorbeeld dan, van een redelijk bekend gedicht, het eerste deel;

De oude meepse barg ligt
nimmermeer in drab
maar voorgoed op zachte kussens onder – uitgerekend – 
de weelderigste boom Ons rest
slechts een schaduw dun als een dasspeld
om af te koelen lesbia
sinds je moeder goede zaken maakt
met de montage van haar 
Geldzucht en jouw schaamteloos lichaam
zijn je lippen – nu als in steeds
modieuzer gewaden gehuld zo
gewaagder lijkend dan ooit – mij toch
armelijk mager geworden

Meepse barg? Je kan er overheen lezen natuurlijk maar het zijn bestaande woorden. Het is een ‘ziekelijk mannetjeszwijn’. Lucebert had een omvangrijke bibliotheek en het was bekend dat hij die bibliotheek gebruikte om er allerlei woorden in op te zoeken om ze in zijn gedichten te gebruiken. Het wordt prachtig toegelicht in een lezing van Marc van Oostendorp, die tevens het eerste hoofdstuk vormt van het boek De lezende Lucebert. De lezing én het boek zijn aanraders voor wie meer over de poëzie van Lucebert wil weten.

Er zijn ook talloze gedichten waar je goed de strekking van kan volgen en die bij mij een bepaald gevoel oproepen. Het gaat te ver om ze allen te citeren, maar ik houd van zinnen als ‘er is een grote norse neger in mij neergedaald’, ‘op de vlinderachtige pols van het morgenrood’, ‘aan het hemeldak snirst een bevroren luidspreker’ (ja, ook snirsen betekent iets), ‘mijn oog is een onverzadigbare spin aan het rag van mijn dromen dwalend’ en ‘er is een bokser die de wind weghamert van dorp tot dorp.’

Snap ik de gedichten beter nu ik wat over Lucebert heb gelezen? Welnee. Maar dat hoeft dus voor mij niet. Ik vind het ontzagwekkend wat iemand allemaal met taal kan doen, in al die gedichten valt hij heel weinig in herhaling en het blijkt dat hij heel goed nadacht over welk woord hij waar wilde plaatsen. Ook voor een gedicht als:

tellby toech tarra
inna nip
inna nip
tarra toech tellby

heeft Lucebert een (voor hem) eenvoudige verklaring (waarin hij in brieven aangeeft dat in het eerste typoscript een fout stond, namelijk ‘terra’ in plaats van ‘tarra’). Het gaat over boekhouden en rekenen. Lees zijn biografie, het wordt er helemaal uitgelegd.

Ik weet zeker dat ik zijn gedichten blijf lezen en herlezen, want ze spreken mij aan. Misschien moeten we de dichter zelf maar aan het woord laten. Lucebert droeg zelf af en toe zijn gedichten voor en had er succes mee. Luister hieronder maar eens naar zijn zangerige stem

Lucebert draagt zijn gedichten voor

Advertenties

9403104708.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In 2009 kocht ik het boek De lezende Lucebert, samengesteld door Lisa Kuitert. Dat is een boek over de uitgebreide bibliotheek van dichter/schilder Lucebert, overleden in 1994. Het ging over de mogelijke invloed van die boeken op zijn werk. Nu was ik toen niet bekend met dat werk en ik trachtte mij erin te verdiepen. Dat viel nog niet mee. Gedichten (daar was ik toen praktisch niet mee bezig) waar ik geen touw aan vast kon knopen en schilderijen en tekeningen die mij nog minder zeiden.

Toch ben ik Lucebert niet vergeten en heb in de loop der jaren echt wel gedichten van hem gelezen en leren waarderen, evenals zijn schilderijen en tekeningen. Toen Lucebert de biografie van Wim Hazeu verscheen, moest die dan ook zo snel mogelijk aangeschaft én gelezen worden. Zo geschiedde en ik weet nu al dat ik er de rest van mijn leven mee vooruit kan. Kom ik op terug.

Allereerst ging de publicatie met wat ophef gepaard, want die publicatie moest een jaar uitgesteld worden. De biograaf kreeg namelijk, toen het manuscript af was, brieven in handen die een nieuw licht wierpen op Lucebert in oorlogstijd. Waar hij altijd had gezegd dat hij in Duitsland tewerkgesteld was, lag dat toch iets anders. Hij had zichzelf aangemeld. Is hij daarmee een ‘foute Nederlander’? Ook dat ligt genuanceerd en dat geeft Hazeu prima weer. Lucebert was hevig geïnteresseerd in de Duitse cultuur en was ervan overtuigd dat het bolsjewisme bestreden moest worden. Hij viel voor het Duitse charme-offensief en die factoren leidden ertoe dat hij zich aanmeldde. Toen bleek met wat voor regime hij uiteindelijk in zee was gegaan schaamde hij zich ervoor en heeft hij er nooit meer over verteld.

Dan zijn kunst. Lucebert heeft de ulo afgemaakt maar is verder autodidact in dicht- en schilderkunst. Als je zijn immense poëzie-oeuvre bekijkt en leest (ik ben er nu in bezig) dan ga je beseffen wat een groot kunstenaar dit is. Het is waar, ogenschijnlijk is er soms niets te begrijpen van die gedichten, maar Lucebert wist precies wat hij opschreef. Gelukkig bevind ik mij in goed gezelschap, want Simon Vinkenoog zei over zijn poëzie;

‘Ontzettend indrukwekkend, soms beangstigend waren zijn mystieke gedichten, waar ik niks van begreep maar die ergens op een heel hoog niveau ontroering teweeg brachten’.

Ik kom bij het volgende boek terug op zijn gedichten, even terug naar de mens Lucebert zelf. Hij werd woordvoerder van de Vijftigers, een literaire beweging die zich afzette tegen de kunst van hun voorgangers. Hij werd bevriend met de Duitse toneelschrijver Bertold Brecht en volgde hem met zijn gezin naar Oost-Berlijn. Later ging hij in het Noord-Hollandse Bergen wonen én in het Spaanse Jávea. Hij was geen ‘socializer’. Premières en feestjes meed hij het liefst, hij werkte. Onvermoeibaar en altijd. Hij was altijd in zijn atelier te vinden, bezig met een nieuw schilderij, een tekening, een ets of gouache. Hij krijgt uiteindelijk succes en sluit een contract af met een Engelse kunstgalerij. Later volgen er meer exposities over de hele wereld, die hij overigens niet bijwoont vanwege zijn vliegangst.

Over zijn schilder- en tekenkunst is ook genoeg te zeggen. Allereerst was Lucebert kleurenblind, opmerkelijk voor een schilder natuurlijk. Ten tweede zijn de voorstellingen niet altijd even duidelijk, wat stelt het eigenlijk voor? Lucebert zelf zegt daarover;

‘Alles wat me maar invalt schilder ik, ik schilder en teken van alles op alles, alle opvattingen waardeer ik gelijkelijk, tussen motieven maak ik geen keuze en ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet, blijf ik buiten schot en beleef de vrijheid die alleen zij mij aanreiken, mijn schilderijen, mijn gedichten…Niet zweer ik dus bij magere en niet bij vette schilderijen, geen voorkeur heb ik voor bepaalde paletten, vandaag vlucht ik in boombruin, morgen verdrink ik lachend in dauwblauw.’

Als een schilderij af was dan werd de titel erbij verzonnen. Vaak wist hij die al tijdens het schilderen, maar hij gebruikte ook zijn boekenkast daarvoor als inspiratie.

Een andere constante is de muziek. Lucebert was gek van jazzmuziek en dat luisterde hij vaak met vrienden. Toch waren ook zijn gedichten een bron van inspiratie voor componisten. Zo heeft hij meegewerkt aan het surrealistische schouwspel Poppetgom. Componist Bruno Maderna componeerde de muziek hiervoor en Lucebert verzorgde de teksten, waarvan het Vietnamlied ‘Soldatenmoeder’ gezongen werd door de Zangeres zonder Naam. Ik heb dat singeltje voor een paar euro op de kop getikt, dat vind ik leuk om erbij te hebben, al is het een wat vreemde eend in mijn collectiebijt…. Zijn gedicht ‘het laatste avondmaal’ inspireerde Louis Andriessen tot zijn compositie ‘Trilogie van de laatste dag’ en Xander Hunfeld schreef zijn compositie ‘oktober’ ook op basis van zijn gedichten.

Als rechtgeaard hypochonder kwam Lucebert niet bij artsen over de vloer, tot bleek dat hij de ziekte van non-hodgkin had. Hij werkte tot het einde door, zoveel hij kon en liet een indrukwekkend oeuvre na. Waarom blijf ik daar dan de rest van mijn leven mee bezig? Omdat ik inmiddels liefhebber van zijn werk ben. Ik zal al zijn gedichten lezen en erover blijven lezen, net als ik zijn schilderijen zal blijven opzoeken. Niet de makkelijkste werken, maar des te interessanter. Het mooie is dat Lucebert zijn werk prima kan duiden. Hij kan je zeggen waarom er wat op een schilderij staat en wat hij met een gedicht bedoelt. Over dat laatste meer in de volgende bespreking, maar het is fascinerend om te lezen. Hij deed niet zomaar wat, was autodidact (zeer belezen in verschillende talen) en hij gebruikte niet alleen taal, hij vond het ook uit. Hazeu legt het allemaal helder uit in een vlot leesbare biografie van zo’n kleine 800 pagina’s die ik zeer de moeite waard vond.

FullSizeRender (002)
En dan ligt er een boek voor je van meer dan 5 kilo, een prachtcadeau van mijn lief. Dutch Mountains van Peter Voskuil. Volgens eigen zeggen Het ultieme standaardwerk over de Nederlandse platenindustrie. Ik houd niet zo van die zelfverheerlijkende titels maar…in dit geval ga ik hier in mee, want wat een schitterend boek is dit.

Ruim 700 pagina’s geschiedenis, heden en een vooruitblik over alles wat met muziek en de platenindustrie te maken heeft. In Nederland, maar ook daarbuiten, want die fonograaf hebben we nu eenmaal niet zelf uitgevonden. Chronologisch gezien hoef ik het niet helemaal na te vertellen, maar het begint in 1878 met het kermiswonder van dat wonderlijke apparaat waarmee goochelaar en illusionist Maju het land doortrekt. Het boek eindigt in 2015, waarin streamingdiensten van muziek gemeengoed zijn en het hele verdienmodel opnieuw uitgevonden moest worden.

Het is een schat aan informatie met talloze eye-openers (althans, voor mij). Dat varieert van het krijgen van inzicht in opnametechnieken tot het belang van bepaalde opnames uit heden en verleden. “Ouwe Taaie” van Eddy Christiani was tot voor kort een wat belegen liedje uit een ver verleden, maar ik wist niet dat het in feite een regelrechte protestsong was in een tijd van oorlog. Je kijkt er meteen anders tegenaan.

Je leest over de opkomst en ondergang van labels en maatschappijen en wat er voor nodig is om een hit te maken. Zo was het personeel van het later zo grote Decca-label ooit afhankelijk van de stoom van de wasserij op de begane grond om hun platen te persen.

De Nederpop ontstaat ironisch genoeg bij indo-bands als de Tielman Brothers, maar ook het levenslied gooit hoge ogen. Willy Alberti komt voort uit de Jordaan-gekte en zorgt met zijn hitsingle Marina voor de allereerste Nederlandse notering ooit in de Amerikaanse Billboard Top 100 (plaats 42). Den Haag als beatstad wordt uitgebreid beschreven en met name de capriolen in de studio’s, met alsmaar meer mogelijkheden, zijn prachtig om te lezen. Zo gaat het er aan toe, als Peter Koelewijn een single produceert van Q65;

Technicus van dienst die middag is de jonge Jan Audier. “De eerste keer dat ze gingen spelen, schrok ik me de pleuris”, herinnert hij zich. “Die meters lagen stijf in de rechterhoek in het rood, zo’n herrie was het. Toen heb ik een black out gehad. Ik dacht: hoe krijg ik die meters in godsnaam uit de hoek? Ik wilde niet afgaan.”
“Waar gaat die tekst eigenlijk over?” vraagt technicus Jan Audier als hij zijn black out weer enigszins te boven is. Audier spreekt redelijk goed Engels, maar verstaat er geen snars van. “Ik zal ’s gaan luisteren”, antwoordt Koelewijn. Hij gaat naast Bieler staan tijdens het inzingen, maar krijgt er ook geen hoogte van. Ze laten het maar zo.

Het is pionieren en je krijgt een goed inzicht in wie welke rol heeft gespeeld. Peter Koelwijn en Pierre Kartner blijken producers van formaat. Willem van Kooten is in de gehele geschiedenis alom aanwezig en Willem Duys had veel invloed.

De rol van het uitzendschip Veronica en later Radio Noordzee was ook van groot belang. Het waren elkaars concurrenten en dat ging zo ver dat de eigenaar van Veronica een bomaanslag pleegde op Radio Noordzee. Belangrijker was de uitvinding van de Top 40 en de invloed op de industrie. Er was sprake van manipulatie van de Top 40 en van payola, zeg maar omkoperij van disc-jockeys en andere belanghebbenden. Ik had er wel eens van gehoord, maar dat er voor Nederlandse concerns ook rechtstreeks zaken werd gedaan met de Amerikaanse maffia, was nieuw voor me. Inkoper Juan da Silva dobbelt zelfs over partijen van 20.000 lp’s, die bij de Free Record Shop in de bak ‘drie voor een tientje’ terecht komen.

De Free Record Shop wordt groot met parallelimport en kan zo goedkoop platen leveren. Dat brengt een hoop beroering in de industrie en één van degenen die er goed op weet in te spelen is de latere LPF-minister Herman Heinsbroek. Hij ziet het belang van een goede back-cataloque en het maken van compilatie-platen. Mensen betalen graag voor alle hits achter elkaar in plaats van een album met maar één of twee hits.

De ontwikkelingen gaan razendsnel en het wordt allemaal helder uitgelegd, compleet met grafieken en cijfers. De Palingsound, de opkomst van de cd en dvd en later de streamingdiensten, het staat er allemaal in. Door het hele boek staan aparte katernen waarin de totstandkoming van belangrijke Nederlandse platen wordt toegelicht. Maar het mooiste vind ik de talloze weetjes uit de praktijk, waardoor je muziek opnieuw gaat beleven of met andere ogen zien, of die ik gewoon wil weten als muziekliefhebber. Een paar dan;

– Hennie Huisman drumt helemaal niet op de opname van de hitsingel “House for Sale”  van de band Lucifer
– Frank Sinatra had bijna “In ’t kleine café aan de haven” gecovered, althans als het aan zijn producer had gelegen
– de moeder van Herman Heinsbroek heeft mijn “guilty pleasure” lp van Frankie Laine samengesteld (die kende ik als jongeling al van buiten en zijn moeder bleek groot fan, het was de enige compilatie die Heinsbroek niet zelf samenstelde)
– de hit “This is the moment” van René Froger lag klaar op de planken voor Whitney
Houston, maar die had net iets vergelijkbaars uitgebracht dus wilde hem niet.

Dat was nog in de tijd van lp’s en cd’s, maar het boek sluit af in de periode van streamingdienst en iTunes. Maarten Steinkamp, head of continental Europe van Sony/BMG;

“Ineens kon je muziek per track kopen. Dat is een game-changer van jewelste geweest. Als voor die tijd een single een succes werd, persten we die single bijvoorbeeld niet meer bij. Die trokken we dan van de markt af met het verhaal dat de single uitverkocht was. Dan moesten de mensen het album kopen om dat nummer toch te krijgen.”

Een verhelderend boek dus, groot en zwaar, maar daardoor ook met prachtige foto’s. Wat mij betreft een absolute aanrader voor iedere muziekliefhebber.

7aab7300f92fbe359344a685251437641414141
Na het overlijden van uitgever Geert van Oorschot, schreef Jeroen Brouwers een ‘in memoriam’. Dat is Het tuurtouw, een boekje van 67 pagina’s. Van Oorschot overleed in 1987 en Het tuurtouw kwam twee jaar later uit.

Nu heb ik net de biografie over Van Oorschot gelezen, dus dit boekje bevatte weinig nieuws, anders dan wat gedachten van de schrijver over de uitgever. Zo is er aardig wat gecorrespondeerd tussen de twee. Van Oorschot was überhaupt iemand die vaak en veel brieven schreef. Brouwers;

Zijn brieven waren de bliksemafleiders van zijn momentane stemmingen, – hij moet er, zegt men, in de loop van zijn leven ongeveer dertigduizend of meer hebben geschreven: zouden die ooit worden gepubliceerd, dan vullen ze een plank vol dundrukdelen…Mochten al die brieven even schitterend zijn als het merendeel van de brieven die ik van hem heb ontvangen, moet het nageslacht niet nalaten subsidies bij elkaar te harken ter bekostiging van de integrale publikatie ervan.

Inmiddels zijn we wat jaren verder en is niet alles integraal gepubliceerd, maar is Brieven van een uitgever inmiddels nog her en der te koop.

Van Oorschot ‘bevaderde’ graag de schrijvers met wie hij omging, maar Brouwers liet dat niet toe. Toch was hij niet ongevoelig voor zijn kritiek en adviezen. Zo vertelde hij Brouwers dat hij zich op zijn schrijverschap moest concentreren;

Jij moet hier weg, zei hij.
Om hem exact te citeren, hij zei; ‘Je moet van je tuurtouw los’. Die uitdrukking hoorde ik toen voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen. Ik moest weg uit ‘het verdomde Vlaanderen’, ik moest een andere, een Nederlandse uitgever zoeken…

Hoewel Van Oorschot niet zijn uitgever zou worden bleven de twee contact houden. Soms was er ruzie, maar dat contact bleef, hoewel Van Oorschot daar ook wel eens onrustig over was;

Toen ik met de samenstelling van mijn brievenboeken bezig was, vond Geert het niet goed dat mijn brieven aan hem daar ook in terecht zouden komen: ‘laten wij de wonden die we elkaar hebben toegebracht barmhartig afgedekt houden’, zei hij.

Wat mij toch nieuwsgierig maakt naar zijn brievenboek, ik vermoed dat ik nog niet uitgelezen ben over de man. Het einde van dit in memoriam is des Brouwers en toch weer mooi;

In ieder mensenbestaan keert bij tijden éénzelfde feit terug, uit welke constante zich geleidelijkaan een levensthema ontwikkelt, steeds in varianten herhaald, zoals in een symfonisch werk. (‘Een witte ijsmuts met zo’n bolletje had hij op zijn kop. Ga nou maar slapen Geert zei hij, godverdomme.’)

9044634674.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Frits van Oostrom heeft met Nobel Streven het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode verteld. Dat is meteen de ondertitel van het boek, die ik een tikje hysterisch vond en nog steeds vind, maar ik werd er wel door aangespoord om de achterkant te lezen én het boek aan te schaffen…

Jan van Brederode maakte deel uit van een roemrucht geslacht wat verweven is met de Nederlandse geschiedenis. Omdat zijn oudste broer het klooster in ging werd Jan de heer Van Brederode in het graafschap Holland. Hij vocht tegen de Friezen en werd commandant in Staveren. Door zijn huwelijk met Johanna van Abcoude werden de bezittingen uitgebreid en het vermogen vergroot. Het huwelijk bleef kinderloos, wat een reden zou kunnen zijn voor zijn pelgrimstocht naar Ierland. Omdat het land werd verscheurd door Hoekse en Kabeljauwse twisten én de Arkelse oorlogen, werd het slot van Van Brederode verwoest en raakte hij in financiële problemen.

Hij en zijn vrouw Johanna besloten om in te treden in het klooster. Die keuze was nogal radicaal. Van krijgsheer tot kartuizer, Van Oostrom beschrijft het treffend;

Dit werd nu Jan van Brederodes leven…Geen kasteel meer maar één kamertje. Geen personeel om te bevelen; hij werd nu zelf bediende. In plaats van lange adellijke lokken, helemaal kaal en met een baard…Geen handschoenen maar blote handen, geen laarzen maar sandalen, en van luxe kledij naar alle dagen in hetzelfde habijt.

Van Brederode werd er schrijver en zou de tekst van een Frans biechtboek, La Somme le Roi, (Des coninx summegrotendeels in het Nederlands vertalen. Hij liet het klooster en de vertaling voor wat het was toen er een mooie erfenis in de familie daagde en zijn opvolger, broer Walraven in het gevang zat. Overigens had die uittreding erg veel voeten in de aarde, iets dat prachtig wordt beschreven in dit boek. Hij trachtte vervolgens zijn vrouw uit haar klooster bij Wijk bij Duurstede te ontvoeren, maar dat mislukte. Jan van Brederode werd gevangen gezet. Na zijn vrijlating was hij heer af en trok hij als huurling naar Frankrijk, waar hij uiteindelijk sneuvelde in de slag bij Azincourt. Aan welke zijde, de Franse of de Engelse, dat is onbekend maar de auteur bespreekt dit uitgebreid en maakt aannemelijk dat dit aan de verliezende Franse zijde is geweest.

Wat maakt dit boek zo bijzonder? Meerdere zaken. Allereerst het taalgebruik. De ondertitel geeft het al aan, het mag allemaal wetenschappelijk onderbouwd zijn, het wordt allemaal zeer toegankelijk opgeschreven. Over Engelse boogschutters;

…zullen deze Engelsen ternauwernood hebben geweten waar ze waren en waarom het ging. Laat staan dat ze Woudrichem konden uitspreken.

Vervolgens de wetenschappelijke onderbouwing; de auteur gaat na de dood van Jan van Brederode nog een paar hoofdstukken door, waarin wordt ingegaan op het boek zelf en hoe dit tot stand kwam. Uitermate boeiend en verhelderend. De auteur;

Hetgeen bijvoorbeeld impliceert: durven veronderstellen dat Jans gang naar de kartuis Zelem (mede) bedoeld was om ruimte te maken voor Walraven als nieuwe heer van Brederode…Of (re)construeren dat Jans tweede Engelse koningsoorkonde kan zijn voortgevloeid uit deelname aan zijn priors visitatie van de kartuis in Londen…Maar een kaartenhuis blijft het. Of met een ander beeld: dit boek is als een gobelin dat aan de voorzijde een rijk geweven panorama biedt, maar aan de achterzijde tal van stopgaatjes vertoont.

Tenslotte; het bredere perspectief. Het geslacht Van Brederode wordt uitgebreid in kaart gebracht (uiteraard met stamboom in het boek) en de verwevenheid met de Nederlandse geschiedenis daarmee ook. Ik vond het mooi om te lezen wat zich in het gebied waar ik zelf woon heeft afgespeeld in de middeleeuwen en ik moet dat praalgraf van de familie in Vianen maar eens gaan bezichtigen. Voetnoten staan er niet in het boek, er wordt verwezen naar een website die bol staat van de informatie en waar de liefhebber nog even voort kan met zich te verdiepen in de wereld van Van Brederode.

d2960be853099d759384b335877437641414141
Het eerste deel van de complete werken van Lev Tolstoj was mij destijds prima bevallen. Deel 2: Verhalen en novellen zou vast niet anders wezen bedacht ik mij, maar dat liep toch even anders. Het boek van zo’n 670 pagina’s bevat 16 verhalen, waarvan De kozakken het langste verhaal is met 176 pagina’s.

Dan de verhalen. Ik heb best veel aantekeningen gemaakt om de inhoud even terug te halen en je kan het eigenlijk wel een beetje uittekenen. Verloren liefdes, eenzame oude mannen, koude tochten door de sneeuw, het soldatenleven in de Kaukasus en een paar mooie fabels met een moraal erin. Eerlijk gezegd lezen de verhalen best snel weg, maar om nu te zeggen dat ik er veel plezier aan beleefde, ten dele.

Hoewel…des te meer ik naar het einde van het boek kwam, des te sterker ik de verhalen vond. Vaak probeer ik een ter zake doend citaat te vinden om iets te illustreren maar ik wist lange niet tijd wat ik er uit moest halen. Iets met een koude sledetocht leek mij teveel voor de hand liggen. Tot ik bij het verhaal Cholstomjer kwam. Het verhaal van een paard, gezien door de ogen van datzelfde dier. Dat doet de schrijver dan toch weer erg mooi;

De ruin keek even naar hen en wreef toen met zijn wang tegen de hand die hem beet hield. “Ze willen me zeker beter maken”, dacht hij. “Vooruit dan maar!” En inderdaad hij voelde dat ze iets deden met zijn hals. Het deed pijn. Hij huiverde, sloeg met een been, maar vermande zich en wachtte af, wat er verder zou gebeuren. Toen voelde hoe iets nats in grote stromen over zijn hals en borst liep. Een siddering trok door zijn flanken. En hij voelde zich veel lichter worden. Heel de zwaarte van zijn leven viel van hem af.

Er wordt in dit boek aardig wat afgestorven, maar daar vind ik dan blijkbaar wel de mooiste passages in. Dat geldt ook voor het laatste verhaal, waarin Iwan Iljitsj weet dat hij gaat sterven. Hij wil dat niet en heeft daar zijn gedachten over. Het toeval wil dat ik gisteravond een interview zag van Wim Brands met Rene Gudde. Die laatste was toen al ziek en wist ook dat hij niet lang meer te leven had en daarna las ik dit verhaal van Tolstoj over Iljitsj. Die zat er wat minder rationeel in dan Gudde;

– Wanneer ik er niet meer ben, wat zal er dan zijn? Niets zal er zijn. Waar ben ik dan, als ik er niet meer zal zijn? Is dat de dood? Neen, ik wil niet. Hij sprong op, wilde de kaars aansteken, tastte met bevende handen om zich heen, liet de kaars en de kandelaar op de grond vallen en wierp zich op zijn kussen terug. “Waarom? Wat doet het er toe?”zei hij…Hij hoorde ver weg…gegons van stemmen en de piano. Het kan hun niet schelen, maar zij zullen toch ook eens sterven. Dwazen! Ik eerder, zij later; voor hen komt het ook. En zij maken plezier. Dat vee! Zijn woede verstikte hem.

Ook dat vond ik een sterk verhaal, maar verder dus een beetje een dubbel gevoel. De meest rare zin trof ik overigens aan in het verhaal De kozakken. Wat te denken van;

Marjanka zat als een wilde geit, met haar benen opgetrokken onder haar lichaam, op de ovenkachel of in een donkere hoek.

Ben toch ineens benieuwd hoe de geiten in de Kaukasus zitten…

Vertaling: Dunya Breur, P. Charles, Wils Huisman, D. Peet, Bessie Schadee, Kees Verheul en A. van de Zande

 

9028208119.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Door Geert van Oorschot ben ik de Verzamelde gedichten van Chr. J. van Geel gaan lezen. Hoewel ik er een aantal opgezocht had op internet, blijft zoiets een beetje een gok, maar die pakte goed uit. Ik had al gelezen dat Van Geel een natuurdichter was en ik had er een paar voorbeelden van gezien, maar dat heeft hij meer dan waar gemaakt. Op meer dan 760 pagina’s maak je kennis met zijn scherpe blik op de natuur. Ik weet niet hoe vaak er bomen, zee, zwanen, sprinkhanen, padden en eenden in voor komen, maar in het merendeel van zijn werk.

In zijn eerste bundel Spinroc (een omkering van de achternaam van zijn toenmalige vrouw, de vertaalster Thérèse Cornips) zijn nog invloeden te zien van Van Geel’s surrealistische verleden (hij was van oorsprong beeldend kunstenaar) maar geleidelijk aan begint hij zijn eigen taal te vinden in zijn gedichten. Die gedichten heb ik bijna altijd twee keer gelezen, om ze goed tot mij door te laten dringen. Ze staan meestal niet mooi op rijm, zinnen worden vaak afgebroken dus je moet er even je hoofd bijhouden, maar Van Geel heeft een heel eigen manier van observeren en beschrijven. Zo ook met het gedicht Bij;

De bij, een engel die gesard zich wreekt, volstrekt, tot in de dood, het fronsen van de aarde over het met aarde bedolven graf, het fronsen van wolken over de aarde, de doodval van een op een aambeeld in duizenden vonken vervaardigd angelversierd juweel, één noot op zijn zang, één toon van blijvende toorn die zingt wat hij dacht toen hij door mokers en schroeiende lucht gemaakt wist, dit begeleidt tot het eind een gonzende, brommende bij.

Dit lees ik met aandacht. Beginnen en eindigen met de “bij”, een “angelversierd juweel”, “één noot op zijn zang”, het is zonde om dit gedachteloos tot je te nemen. Ik heb er te veel aangekruist om te citeren, maar deze twee wil ik u niet onthouden, gewoon, omdat ik ze mooi vind;

Gotisch

De bomen schragen mist,
vertakte zuilen.
Het regent in het schip,
nevel hangt aan het hout
en regen tikt.
Je hoort de koster sluipen,
op zandmanvoeten graaft
hij kuilen voor de mist.

Dood van een wielrenner

Het najaar viel augustus binnen,
In de verlichte oven van de maan
zit hij rechtop, buigt hij voorover, trekken
sprinters met licht op ronden, komt hij drijfnat
van zweet en welkom op de eindstreep aan.

Uiteraard is alles subjectief en moet het je aanspreken maar voor mij werkt het. Ik wil zinsneden onthouden als “in lange strepen woeien de ogen van de plassen dicht“. Met zoveel gedichten frons ik natuurlijk ook af en toe mijn wenkbrauwen, ik kan niet overal mee uit de voeten. Waar in hetzelfde gedicht eerst merels zich dood staan te talmen op een dak, bouwen ze doodleuk twee regels verder fel aan hun voortbestaan, maar goed.

Waar ik ook minder goed mee uit de voeten kan, zijn de stukken van het laatste deel, teksten die bestemd zijn voor het tijdschrift Barbarber. Dit periodiek was bedoeld voor lichter dichtwerk, gevonden teksten en grapjes en dat is soms aardig, maar niet meer dan dat. Ik ben echter zo enthousiast over zijn gedichten, dat ik inmiddels ook de bundel Onverzamelde gedichten van Van Geel heb aangeschaft, met gedichten die buiten de samenstellingseis van deze bundel vielen. Wordt ergens vervolgd dus.