FullSizeRender
Verhalen van liefde, waanzin & dood van de Uruguayaanse schrijver Horacio Quiroga (1878-1937) is een bundel van 10 verhalen, waar je in zo’n 120 pagina’s al doorheen bent. Ik was door Jeroen Brouwers op die bundel gewezen en het was een plezier om hem te lezen. Hoewel, plezier? De titel doet wellicht anders vermoeden, dus ik licht het toe.

Horacio Quiroga heeft het aardig voor de kiezen gekregen in zijn leven. Zijn vader doodde zichzelf per ongeluk op een familie-uitje. Twee van zijn broers overleden jong en zijn stiefvader pleegde zelfmoord. Hij schiet zijn vriend per ongeluk dood als hij het duelleerspistool van die vriend controleert. Uiteindelijk pleegt hij ook zelfmoord, net als na hem zijn oudste dochter en zoon.

Ziedaar de basis voor dit boek en de titel die ik dit stukje meegeef. In negen van de tien verhalen gaat er iemand dood en dat is het centrale thema in veel van Quiroga’s werken. Ze spelen zich af in de ruige natuur waarin hij zelf ook gewoond heeft. De dood kan er ieder ogenblik toeslaan, in wat voor vorm dan ook.

Quiroga schreef wat romans, kinderverhalen en poëzie, maar hij was de onbetwiste meester van het korte verhaal. Hij schreef er meer dan 200 en de vertaler heeft met deze 10 verhalen de, naar eigen zeggen, mooiste verhalen bijeengebracht.

Wat te denken van het gezin met vier idiote zonen en een gezonde dochter. Een prachtig verhaal waarin de zonen getuige zijn van het slachten van een kip. Dat is meteen slecht nieuws voor de dochter, dat voor hun ogen op een muur wil klimmen;

Maar er was leven gekomen in de blik van de idioten; in hun starende pupillen lag nu een identiek, hardnekkig licht…Traag liepen ze naar de muur…Beneden joegen de acht ogen die in de hare priemden haar angst aan…

Een sterk verhaal is ook De zonnesteek, waarin de honden van Mister Jones zijn dood voorvoelen en De Dood ook zien. Of de man die op een adder trapt en tegen beter weten in hulp probeert te zoeken met zijn kano. Of die man die iedere dag op zijn grond dezelfde routine doet, behalve die dag dat hij per ongeluk in zijn machete valt die in zijn buik dringt;

Wat is er dan aan de hand? Is dit niet gewoon, net als anders, het einde van de ochtend in Misiones, in zijn oerwoud, op zijn grasweide, op zijn dun beplante bananenplantage? Zonder twijfel!…Er is niets veranderd, niets. Alleen hij is anders. Sinds twee minuten heeft zijn wezen, niets meer te maken met de grasweide die hij zelf in vijf achtereenvolgende maanden met zijn hak heeft gemaakt; noch met de bananenplantage…Noch met zijn gezin. Op bruuske, natuurlijke wijze is hij weggerukt door een glimmend stuk schors en een machete in zijn buik.

Ook prachtig, of triest zo u wilt, de weduwnaar wiens enige zoon alleen gaat jagen in het oerwoud. U raadt het al, alleen hallucineert de man dat het goed afloopt. Prachtige verhalen die je in een avondje uitleest en waar ik dan toch plezier aan beleef.

Vertaling; Maarten Steenmeijer

 

Advertenties

9035131290.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Goud en koper in de boekenwereld van Frans A. Janssen brengt 19 opstellen bij elkaar in 233 pagina’s. Opstellen over de boekdrukkunst, typografie, drukkerijen, bibliotheken en wat meer specialistische verhandelingen over de Gutenbergbijbel, Copernicus, Vesalius en de verzamelaars Popper en Abrams.

Die opstellen vond ik lang niet allemaal de moeite waard. Ik ben niet zeer geïnteresseerd in typografie dus verhandelingen over de rechthoek van de zetspiegel en de vrije regelval konden mij maar matig boeien. Maar, er valt zeker ook veel te genieten. Toelichtingen op de boekdrukkunst zelf interesseren mij wel. Hoewel het een uitvinding van jewelste was waren er ook verklaarde tegenstanders van gedrukt werk, daar had ik nooit zo bij stilgestaan;

Een andere bestrijder van de boekdrukkunst was monnik en kopiist Filippo da Strada…, die er in 1473-1474 over klaagt dat de Venetiaanse drukkers (van Duitse afkomst) zich rijk drukken aan zondige lectuur als Ovidius, en daarmee vooral jongeren van het rechte pad brengen: de drukkunst, roept hij uit, is een prostituee, de schrijfkunst een maagd.

Ook boeiend is het verhaal over dat beroemde boek, de Gutenbergbijbel. Er zijn er ongeveer 180 van gedrukt en er zijn er nog 48 over. Janssen geeft aan hoe die exemplaren op hun huidige plaats terecht zijn gekomen. Er zijn er nog 2 in particuliere handen, de overige exemplaren bevinden zich bij instanties als bibliotheken.

Een apart verhaal gaat over alcohol in de drukkerij. Hij duikt hiervoor in de Plantijnse archieven van Antwerpen en haalt er allerlei gegevens uit over arbeidstijden, schafttijden en arbeidsverhoudingen. Zo ook over het gebruik van alcohol;

Niemant wie hy si, en sal hem moghen vervoorderen [proberen] Wijn oft Sterck Bier te halen, oft te doen halen, op eenighen werchdach, oft elders gaen drincken tot schade van den wercke, meer dan een pinte voor noen, voor elck hooft, ende na noen, also [even] vele, (sonder expres consent van den Meester).

Voor wie terugverlangt naar die goede oude tijd, men zat wel op stukloon, er werd niets verdiend onder het drinken…

Een boek dus wat lekker doorleest met over het algemeen interessante opstellen. De auteur ontkomt niet aan een kleine mate van zelfingenomenheid. Waar hij drukker Johannes Enschedé en lettersnijder Johann Fleischmann beticht van onbescheidenheid, vertelt hij op dezelfde pagina dat het handschrift, waarin Fleischmann zichzelf roemt, na omzwervingen zich thans in het bezit van de auteur zelf bevindt. Dat vind ik dan weer leuk.

9400402848.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Metronome van Lorànt Deutsch is een boek over Parijs door de eeuwen heen. Vanaf de eerste nederzetting tot aan de bouw van de moderne wij La Défense. Deutsch doet dat aan de hand van de namen van verschillende Parijse metrostations. Velen hebben ze wel gezien, maar wie of wat zit er achter namen als Invalides, Châtelet, Etienne Marcel? Een originele invalshoek, hoewel ik de titel er dan weer een beetje bijgesleept vind. De auteur;

Mijn boek wil in zekere zin een instrument zijn dat de maat tikt en de tijd ritme geeft.

Hij had het iedere andere titel mee kunnen geven maar hier stopt dan ook alle kritiek van mijn kant. Wat rest is een prachtig boek van bijna 400 pagina’s dat ik in één adem uit las. Wat een rijkdom aan feiten en wetenswaardigheden. Het begint al bij de eerste nederzetting, waarvan ik dacht dat het op het eilandje in de Seine was gebouwd, het Île de la Cité. Fout! De eerst nederzetting ontstond verderop, bij het huidige Nanterre, in de westelijke banlieue van Parijs. De Romeinen gingen op het eilandje bouwen, waaronder natuurlijk een arena. Deutsch geeft haarfijn aan waar deze heeft gelegen in het huidige Parijs. Gevochten werd er, tegen de Galliërs en de Romeinen waren onder de indruk van hun onverschrokkenheid. Ze doopten het strijdtoneel “Het terrein van Mars” en zo heet het nog steeds. Ik wist niet dat er onder de Eiffeltoren resten lagen van Gallische strijders.

En zo gaan we door de eeuwen heen. Na de Romeinen kwamen de Franken en er ontstaat een constante strijd over het groeiende Parijs en de overige rijksdelen. Deutsch vertelt met vaart en humor over de politieke situatie, maar ook over het ontstaan van monumenten als de kerk Saint-Germain-des-Prés. De Vikingen proberen Parijs in te nemen maar dat valt ze vies tegen. Het wordt zelfs zo gek dat ze wel Frankrijk verder in trekken, maar op de terugweg hun boten aan wal trekken en ermee om Parijs heen lopen!

Onder Filips II bloeit Parijs op, maar deze neemt al wel op zeventienjarige leeftijd keiharde maatregelen tegen de Joden. De Hallen worden aangelegd en Deutsch vertelt en passant ook meteen hoe ze weer verdwenen. Van nog veel meer zaken vertelt hij wat er nog van te zien is en dat is meteen de grote kracht van dit boek, Je wordt mee de geschiedenis in genomen, je leest bijvoorbeeld over de moord op Lodewijk van Orléans;

Hij heeft geen tijd om verder nog iets te zeggen. Hij wordt uit het zadel getrokken, valt op zijn knieën, probeert weer op te staan, maar wordt met bijlen, zwaarden en knuppels doodgeslagen.

Spannend, maar Deutsch gaat vervolgens verder in een omkaderde tekst;

Waar werd hertog Lodewijk van Orléans vermoord?

Al is er niets over van hôtel Barbette, zoals ik al zei, het steegje dat naar de zij-ingang leidde is er nog altijd. In deze impasse des Arbalétriers, ter hoogte van de rue des Francs-Bourgeois 38, is de misdaad gepleegd.

Ik ren dan meteen naar de computer om het op te zoeken, het was dus hier. Zo trekt hij voortdurend zijn geschiedenisverhaal het heden in. Je moet met dit boek eigenlijk door de stad zelf heen lopen.

Hij doet het ook met de beruchte gevangenis de Bastille. Ik citeer;

Iedereen is het erover eens en zal het u bevestigen: met uitzondering van de paar funderingsstenen die in de metro te zien zijn, is er niets van de Bastille over…Maar dat is niet waar! Er bestaat nog een cel, een van die smerige hokken die zich in de kelders van de vesting bevonden, daar waar het koninklijke gezag de eigenzinnige types en weerspannige geesten opsloot.

En vervolgens legt hij haarfijn uit waar die cel zit, onder een Koreaans restaurant…Zo gaat het maar door, ik kan mij voorstellen dat zelfs een notoire Parijsbezoeker hier nog wat van kan opsteken. Nog eentje dan. Wellicht heeft u in Parijs op Place de la Bastille de grote gedenkzuil wel eens gezien, de Colonne de Juillet. Opgericht tussen 1835 en 1840 als gedenkteken voor de Parijse opstanden van juli 1830. Maar Deutsch geeft hier weer een mooi weetje, want hij stelt de vraag wat wij onder die zuil vinden?

De geschiedenis maakt soms vreemde kronkels. Tussen de vijfhonderdvier martelaars van de julirevolutie uit 1830 die onder de zuil zijn begraven, liggen een paar Egyptische mummies, die ouder zijn dan twee- of drieduizend jaar! Ze waren door Bonaparte van de veldtocht in Egypte mee teruggebracht en onder de grond verstopt in een park vlak bij de nationale bibliotheek…precies op de plaats waar na de julidagen de lijken van de revolutionairen werden begraven. Toen men de helden van de revolutie onder de zuil wilde leggen, dacht niemand eraan om ze uit te zoeken, en ze namen alle lichamen mee zonder er al te veel naar te kijken. En zo komt het dat er vandaag de dag misschien een of andere farao onder de place de la Bastille ligt…

Ik smul van dit soort verhalen, zeker als ze met zoveel vaart en humor als hier gebracht worden. Aanrader!

Lees ook het verhaal van Bettina

Vertaling; Martine Woudt

 

9046819612.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Om het zwarte gat na de Tour de France enigszins op te vullen, is Uit Koers van Frank Heinen een prima middel. Het is een bundeling van 108 stukken over al die wielrenners die op enig moment excelleerden of veelbelovend waren, maar die weg zijn gezonken in de geschiedenis.

Levert dat een leuk boek op? Ik vind van wel, hoewel er best iets op af te dingen valt. Allereerst is de keuze voor de verhalen arbitrair. Er zijn er nog onnoemelijk veel meer, maar wellicht zijn ze niet allemaal terug te vinden of leefden ze ‘happily ever after’. Dat levert natuurlijk geen smakelijk boek op. Er worden veel aannames gedaan, zoals wat renners dachten of voelden. Maar…dat vind ik weer niet zo’n probleem. Wielrennen staat voor mij gelijk aan heroïek. Hierin ligt alles besloten, van grootse overwinningen tot diepe teleurstellingen. Dat mag best wat aangezet worden voor mij. Meer storend zijn kleine foutjes als de implicatie van een zelfmoord, waar een hartstilstand overal als eerste doodsoorzaak wordt gegeven met ‘geruchten over zelfmoord’ als optie.

Maar goed, we lopen door de wielergeschiedenis en lezen tal van kleurrijke verhalen die ik niet had willen missen. Om u even lekker te maken;

  • Lucien Storme (1916-1945), de Flandrien en Parijs-Roubaix winnaar die werd doodgeschoten tijdens de bevrijding van het Duitse strafkamp waarin hij zat
  • Andrea Carrea (1924-2013), de meesterknecht van Fausto Coppi die in tranen uitbarstte nadat hij de gele trui veroverde die zijn kopman had moeten winnen
  • Thierry Claveyrolat (1959-1999), de Franse renner die zelfmoord pleegde uit schuldgevoel over een door hem veroorzaakte aanrijding
  • Beat Breu (1957), de Zwitserse klimmer die later een (weinig succesvolle) komiek werd én een erotische wildwest bar aan de Bodensee dreef
  • Jure Robič (1965-2010), de extreme duursporter die kort achter elkaar de RAAM (dwars door Amerika) én Le Tour Direct (de complete Tour de France achter elkaar) reed
  • Pascal Lino (1966), de Franse gele truidrager die later Michael Schumacher- imitaties ging doen
  • Pavel Tonkov (1969), de Russische renner in wiens hotel in Córdoba je nog steeds kan boeken
  • Carlos Texeira (1971), de Portugese renner die bankovervaller werd (Zoals wel vaker in zijn leven waren al zijn aanvallen uiteindelijk vergeefs gebleken)
  • Roberto Heras (1974), de Spaanse renner met triomfen in de Ronde van Spanje. Afscheid nam in 2007 en in 2009 wereldkampioen werd. Op de vouwfiets
  • David Clinger (1977), de verslavingsgevoelige Amerikaan die uiteindelijk rond rijdt met een grote Maori-tatoeage in het gezicht

Ik volg het wielrennen al een tijdje en dan is het mooi om bekende namen voorbij te zien komen, waarvan je geen idee had wat er van terecht is gekomen. Daarom doen programma’s als De Reünie het waarschijnlijk ook goed op de televisie.

Maar het boek is meer dan dat. Het geeft wat mee, over de doping-cultuur bijvoorbeeld. Wilde je wat bereiken als renner in Europa in de jaren negentig, dan moest je gebruiken. Anders had het geen zin, dan moet je alleen obscure koersen gaan rijden in het Verre Oosten. Het komt in talloze verhalen terug.

De schrijfstijl is ongedwongen, vaak met een punchline op het eind. Zoals bij het verhaal van Giuseppe Guerini (1970). Die was op weg een Tour-etappe in 1999 te winnen toen hij in botsing kwam met een fotograferende fan. Hij kwam ten val, won alsnog (daar is de heroïek) en zo ga je samen de geschiedenis in;

Ze zijn voor altijd aan elkaar verbonden, de fotograaf en hij. De jongen met het fototoestel heeft hem daadwerkelijk vereeuwigd.

Ik ga toch maar eens naar wat meer wielerboeken op zoek. Tips zijn welkom.

940040753X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De eerste wandelaar van Flip van Doorn sprak mij, voordat ik een letter in het boek had gelezen, om een aantal zaken aan. De heldere kaft met uitnodigende duinweg om te beginnen. Ik zou er willen lopen. De titel. Ik houd van wandelen dus ik ben benieuwd naar wie die eerste wandelaar was. Tenslotte de tekst op de achterkant. Wandelen door een veranderend Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw. Als liefhebber van geschiedenis kon ik het niet laten liggen.

Wie was die eerste wandelaar? Dat was de doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk (1834-1912). Deze heer had behoorlijk wat vrije tijd omhanden en begon deze te vullen met wandeltochten. Hij was ook een verteller en hij begon zijn observaties te noteren. Dat leidde uiteindelijk tot acht delen met de titel Wandelingen door Nederland met pen en potlood. Ook met potlood, want hoewel hij zelf verdienstelijk tekende, worden de delen opgesierd met prachtige illustraties van Piet Schipperus.

De auteur is nauw bij de hoofdpersoon betrokken want het is een achterneef van de dominee. Omdat Van Doorn ook een fervent wandelaar is, probeert hij Craandijk zo dicht mogelijk te benaderen door zijn tochten deels na te lopen, maar ook door te gaan zwerven. Dat levert een erg fijn boek op.

Het boek is verdeeld in verschillende regio’s, zoals Gooi- en Eemland, Het Groene Hart, Kennemerland, Utrecht en Zuid-Holland, Friesland, Achterhoek-Twente, Drenthe en Groningen en Limburg – Noord-Brabant-Zeeland. Die regio’s waren niet allemaal even makkelijk te bereiken vroeger;

Nog een flink stuk lopen voorbij het eind der aarde komt hij ten slotte bij twee boerderijen. Alleen dwars door de weilanden zijn ze bereikbaar. Gewend als hij is zich over land te verplaatsen, beschouwt de dominee de nederzetting met het oog van de wandelaar. ‘Hoe afgezonderd van de wereld liggen deze beide plaatsen, door twee broeders met hun gezinnen bewoond. Wat krijgen zij hier te zien, wat te hooren van wat daar omgaat in die woelige wereld daarbuiten! Nooit komt hier iemand voorbij; het naaste dorp is minstens een uur veraf, en dat dorp is het zelfs reeds zo afgelegen Oudega…’

Toch beweegt Craandijk zich in een snel veranderende wereld. Industrialisatie, spoorlijnen, de auto en fotografie. Hij is zeker geen tegenstander van die vooruitgang, hoewel hij ook de geschiedenis van zijn land koestert. De auteur maakt daar gebruik van door zinvolle uitstapjes te maken naar het ontstaan van verenigingen als Natuurmonumenten of door stil te staan bij de beroemde familie Zocher, die zo belangrijk was voor de vormgeving van een deel van ons land.

Het boek nodigt uit tot wandelen. Het is prettig leesbaar en voor de geïnteresseerden is er een mooie site in het leven geroepen, via welke de volledige teksten van Craandijk’s boeken te raadplegen zijn. Die teksten komen samen in dit boek, maar eigenlijk in één zin op de achterkant die mij zo aansprak, dat ik het boek niet kon laten liggen;

Laverend tussen vooruitgangsoptimisme en nostalgie, beschreef hij in meanderend proza een snel veranderende samenleving.

Ik meanderde zo’n 450 pagina’s mee en dat beviel mij heel best.

0880014962.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
In de boeken die ik de laatste tijd heb gelezen over het Parijs tussen de twee wereldoorlogen in, was er één figuur die steevast opdook. Dat was Kiki de Montparnasse. Ik was geïntrigeerd genoeg om haar boek Kiki’s Memoirs aan te schaffen en ik heb er geen spijt van. Natuurlijk wil je de eerste uitgave graag hebben uit 1929, of de eerst vertaalde uit 1930 maar die zijn niet te betalen, dus ik ging voor de meer betaalbare Engelse heruitgave uit 1996.

Er zijn voorwoorden van de Japanse kunstenaar Tsuguharu Foujita, waarvoor zij model stond en door Ernest Hemingway, die nooit meer voor iemand anders een voorwoord zou schrijven. Dan de memoires van Kiki zelf. Ze baarden nogal wat opzien in hun tijd. Zo werden ze door hun expliciet seksuele inhoud tot in de jaren zeventig verboden in de Verenigde Staten. Nu kijken we er niet meer van op, maar Kiki was haar tijd in Parijs ook aardig ver vooruit.

Ze heette Alice Prin (1901-1953) en kwam uit een dorp in de Bourgogne. Ze werd door grootmoeder opgevoed omdat haar moeder in Parijs zat. Daar kwam ze uiteindelijk toch terecht en kreeg een behoorlijk vrije opvoeding. Hoewel ze een baantje kreeg in een schoenenfabriek poseerde ze al op veertienjarige leeftijd naakt voor diverse kunstenaars. Kiki vertelt;

The next day, I went out to look for work, and I met an old sculptor who, seeing that I was up against it, had me come and pose for him. That was something new for me, to strip like taht, but what else was there to do!…My mother forced her way into the sculptor’s and proceeded to throw a scene. I was posing, and she began to scream that I wasn’t her daughter any more, that I was nothing but a dirty wh-.
That didn’t mean anything to me!
It even cheered me up a little, because I understood now that the game was up.

Het spel was inderdaad op de wagen. Kiki krijgt vriendjes en wordt een steeds bekendere verschijning in het uitgaansleven van Montparnasse. Daar neemt ze ook al snel haar nieuwe naam aan. Talloze kunstenaars ontmoet ze en ze wordt door geschilderd door Foujita en Kees van Dongen, gefotografeerd door Man Ray, weergegeven door Alexander Calder, in brons gegoten door Pablo Gargallo enzovoort. Ze ziet er geen been in om gevraagd of ongevraagd haar boezem te ontbloten of haar rokken op te tillen terwijl ze wat chansons laat horen. Hoewel ze geen fantastische stem had volgens de overlevering was haar populariteit onverminderd groot. Zelfs haar fysieke ongemak, het ontbreken van schaamhaar wist ze tot een unique selling point te maken;

Posing is something I’m not very crazy about, for I’ve got a pilose system that’s not as well developed as it might be in a certain spot, and so, I have to dab myself up with black chalk. But I can give a swell imitation of hair!

Ik heb de memoires niet in het Frans gelezen en hoewel Hemingway in zijn voorwoord aangeeft dat deze eigenlijk niet te vertalen zijn, is de taal ongekunsteld en vrijuit. Het leest makkelijk weg. De meerwaarde van dit boek zijn de vele foto’s die er in staan van Kiki, van haar vrienden, haar minnaars, de artiesten die haar vereeuwigden, van de kunst die van haar is gemaakt én van de kunst die zij zelf maakte. Ook zij tekende en schilderde zelf. Hoewel ze midden in de kringen van dadaïsten en surrealisten verkeerde, had ze er wel een mening over;

We hang out with a crowd called Dadaists ans some Surréalists – for my part, I don’t see much difference between them!

Ongekunsteld en vrijuit…Oud werd ze niet. Ze zakte op 51-jarige leeftijd ineen aan de Côte d’Azur, waarschijnlijk aan de gevolgen van drugs- en alcoholgebruik. Maar ze leeft voort in haar memoires en vooral in de prachtige werken waartoe zij velen inspireerde.

Beelden van Kiki de Montparnasse in een film van Man Ray en Fernand Leger

Vertaling; Samuel Putnam

7f4c882e973c77f593664465251444341587343
De eerste aflevering van het éénmanstijdschrift verscheen in 1996, maar de schrijver Jeroen Brouwers was dat jaar nog niet klaar. Er verscheen dus een Feuilletons Extra Edietzie in de herfst van datzelfde jaar. Het was een schotschrift over de toenmalig aangestelde directeur van uitgeverij De Arbeiderpers, Ronald Dietz.

Die ligt op zijn zachtst gezegd niet goed bij Brouwers, net als de man die Dietz binnenhaalde, Pieter de Jong.

Ze gingen meteen over lijken, de De Jong en Dietz. De nog zittende directeur van De Arbeiderspers, Theo Sontrop, aan wie eerst was voorgespiegeld dat hij nog enige jaren in zijn functie zou worden gehandhaafd met Dietz (‘winstdirecteur’) als rechterhand, werd zeer spoedig de deur uitgeschoven. Bij Dietz’ benoeming werd de al vele jaren aan het bedrijf verbonden redacteur Emile Brugman, bemind en gerespecteerd door het merendeel der Arbeiderspers auteurs, plompverloren gepasseerd.

Een winstdirecteur dus, alleen uit op geld en met nul gevoel voor literatuur, aldus Brouwers. Brugman richtte zijn eigen uitgeverij Atlas op (waar dit boek uiteindelijk ook verscheen) en nam een aantal auteurs mee. Brouwers fulmineert er 160 pagina’s op los tegen Dietz. Enerzijds door zijn functioneren als directeur te bekritiseren (het aanbrengen van niet succesvolle auteurs, zijn afwezigheid bij de uitreiking van een Franse literatuurprijs aan Brouwers, de onrendabele reisjes naar de Buchmesse in Frankfurt), anderzijds door persoonlijke anekdotes;

Eind 1995 bedacht Dietz een ‘Vlaanderen-actie’:…een leuke avond in Amsterdam waarop alle A.P.-Vlaampjes aanwezig zouden zijn, omringd door pers, radio, televisie, leuke Vlaamse hoempamuziek en heel veel bier.
Hij sprak mij erover in mijn bosvilla te Zutendaal en ik wist meteen te melden dat hij het allemaal zò niet moest aanpakken: Vlaamse schrijvers zijn geen bosapen die je op die manier samendrijft in die enge grachtengordel. Natuurlijk vond de circusdirecteur dat weer ‘dwars’ van mij, want luisteren, zoals reeds vermeld, dat kan hij niet.

En dit zijn nog de vriendelijke passages. Zijn uitspraak “Hier ligt Dietz. Hij rijmt op niets” is misschien nog wel de meest bekende uit het hele boek.

Natuurlijk kan Brouwers in zo’n uitgave zijn liederlijke gang gaan. Het is éénrichtingsverkeer en er zitten altijd twee kanten aan een verhaal. In een interview in Trouw uit 1996 werd Dietz om een reactie gevraagd maar hij gaat er niet teveel op in;

“Vrienden zeggen, Ronald, doe wat. Maar ik doe het niet. Wie geschoren wordt, moet stil blijven zitten.”

Dat neemt niet weg dat Brouwers zijn uitspraken wel altijd onderbouwt. Feit is ook dat Dietz na behoorlijk wat onrust bij De Arbeiderspers, per 1 juni 2001 is afgetreden als directeur, na blijvende onenigheid met auteurs en personeel. Brouwers heeft dus zijn oeuvre ondergebracht bij uitgeverij Atlas, waar hij in 2009 als Feuilletons 8 een nieuw vloekschrift publiceerde, Sisyphus’ bakens, over het lage prijzengeld van de Prijs der Nederlandse Letteren. Ook dat boek is de moeite waard.