archiveren

Privé-Domein

e31ffbfa7bc36325933726f5241444341587343
Ik ben een liefhebber van de serie Privé-Domein van De Arbeiderspers. Die blinken in de regel uit met prachtige portretten van schrijvers, schilders en/of andere kunstenaars. Koningin van de onderwereld van Zoe Progl is wat dat betreft een beetje een vreemde eend in de bijt.

Het is de autobiografie van een vrouw die furore maakte toen zij als enige vrouw in de Britse historie erin slaagde om in 1960 te ontsnappen uit de Britse Holloway-gevangenis. Heel het land was naar haar op zoek, ze werd ook weer opgepakt en keerde in 1964 de misdaad de rug toe.

Het is een rechttoe rechtaan verhaal over een leven dat in 1928 begon in een arme wijk in Limehouse, Londen, waar Zoe met vader, moeder en twee broers in een souterrain woonde. Niet de fijnste buurt om in op te groeien;

De miljoenen vochtdeeltjes van de rivier, die de nachtlucht zwaar maakten, trokken het vuil aan dat overdag van de drukke straten omhoog was gekomen en de ramen bedekten van huizen en winkels. ’s Nachts weerklonk er het schelle, harde lachen van de opgeschilderde hoeren, die zich aan de vreemde zeelui aanboden. Het gekrijs van vrouwen, die ineenkrompen onder de klappen van een dronken man, was zo gewoon dat het weinig of geen invloed uitoefende op de oren van de andere bewoners van Grenade Street.

Haar vader is vaste klant in de gevangenis en zelf zou ze ook niet veel anders opgroeien. Als ze opgroeit steelt ze meer en meer en zoekt haar heil in een beruchte plaatselijke kroeg, Maxie. Daar gaat ze deel uitmaken van de onderwereld. Eerst als animeermeisje, later als hulp bij overvallen om uiteindelijk zelf oplichtster en inbreekster te worden.

En passant trouwt ze met de eerlijke Joe Progl maar bedriegt hem met een junk. Daarvan raakt ze in verwachting. Ze zou uiteindelijk drie kinderen krijgen en zes abortussen ondergaan.

Ze wordt een aantal keren gepakt en moet aardig wat tijd opknappen in de Holloway-gevangenis. Als ze weet dat ze weer aan de beurt is, doet ze, als ze nog op vrije voeten is, uitgebreid onderzoek naar haar ontsnappingsmogelijkheden, iets dat haar ook zou lukken. Een uitgekookte dame dus.

Verder is het boek ook niet meer dan dat. Een opsomming van haar vergrijpen, ontmoetingen met figuren uit de onderwereld, de uitgebreide zuip- en snuiffestijnen en de mislukte relaties die ze aangaat. Dat neemt niet weg dat er een paar aardige verhalen in staan;

Om een uur of tien eiste ik op het bureau dat ik een advocaat wilde hebben. Ik wist er niet zo gauw een, dus belde ik een firma Piper & Piper op, wiens naam op een koperen bordje op het huis naast het onze stond.
Er kwam een meneer Piper aan de lijn en ik legde hem onze moeilijkheden uit en zei dat ik graag wilde dat hij ons zou verdedigen. Er volgde een korte stilte en toen zei hij: ‘Mijn beste jongedame, ik zou u dolgraag helpen maar ik ben bang dat als ik dat deed, dat ik dan iets zou doen dat in strijd is met de beroepseer, omdat ik hier persoonlijke belangen bij heb – het is namelijk mijn brandkast, die u gestolen hebt!’

Het is jammer dat op sommigen zaken niet dieper wordt ingegaan. Als de crimineel Tommy totaal in elkaar wordt geslagen, wordt hem door zijn belagers vervolgens vijfhonderd pond gestuurd om hem te helpen opnieuw te beginnen. Dat schrijft de mores blijkbaar voor maar er wordt niet op ingegaan verder. Zoe is de realiteit ook af en toe even kwijt als ze, tijdens haar ontsnapping, spreekt over het moederschap waarin ze even zorgeloos en gelukkig is, en wat haar lange tijd onthouden was. Wellicht had ze hier zelf in rol in? Maar goed, het is geen hogere literatuur, dat geeft niet want het is geen schrijfster, maar een aardig verhaal over een mij tot nu onbekende persoon uit de Britse geschiedenis.

Vertaling; Margreet Hirs

118ad671ca28e85593948795241444341587343
Waarom ik De dagboeken 1950-1962 van Sylvia Plath heb gelezen, leg ik uit in mijn blog over haar man, Ted Hughes. De dagboeken beschrijven wel een andere periode dan het brievenboek van Hughes. Het verhaal van Plath begint bij haar periode als beursstudente en eindigt een jaar voor haar zelfmoord in 1963, waar het brievenboek doorloopt tot 1998.

Ook de stijl is anders, een dagboek heeft nu eenmaal een andere toon dan een brief. Ik kan niet aangeven welk boek mij beter beviel, ik heb ze beiden (deze toch ook ruim 400 pagina’s) achter elkaar uitgelezen.

De dagboeken van Plath beginnen met studenten- en campusbelevenissen, zoals vriendjes die maar op één ding uit zijn, maar wat opvalt is dat Plath zich ook direct met grotere vragen bezig houdt;

Waarom zijn mensen geobsedeerd door vernietiging en moord? Wat zouden we moeten beginnen met Rusland als we hen tot ruïne bombarderen?

Ze houdt van schrijven en dichten en is erg bezig met jongens en mannen. Ze denkt zelfs al vroeg na over haar partnerkeuze en dan al, in haar studentenjaren duiken de eerste donkere gedachten bij haar op;

God, als ik ooit na aan zelfmoord toe was, is het nu wel, met dat versufte, slapeloze bloed dat zich door mijn aderen sleept…Ik wil mezelf doden om aan alle verantwoordelijkheid te ontsnappen, miserabel terug te kruipen in de baarmoeder.

In 1953 doet ze daadwerkelijk een poging maar dat mislukt. Dan ontmoet ze Ted Hughes en daar kan ze niet omheen. Die ontmoeting is te lang om te citeren maar wordt o zo prachtig beschreven. Het stel pendelt in de komende jaren tussen Engeland en de Verenigde Staten. Thema’s blijven geldzorgen, het produceren van gedichten, verhalen en romans en steeds maar weer de teleurstelling verwerken van afwijzingen. Plath loopt inmiddels bij een psychiater en haar stemmingen wisselen voortdurend. Zo moet ze af zien te rekenen met haar moederhaat;

Maar ik heb, vanaf mijn achtste, de liefde van een vader niet meer gekend, de liefde van een altijd aanwezige man met wie ik bloedbanden had. Mijn moeder vermoordde de enige man die mijn leven lang van me gehouden zou hebben: kwam op een ochtend binnen met nobele tranen in haar ogen en zei dat hij voorgoed was heengegaan. Daarom haat ik haar. Ik haat haar omdat zij niet van hem hield. Hij was een monster. Maar ik mis hem. Hij was oud, maar zij trouwde met een oude man die mijn vader moest worden. Het was haar schuld. Verdomme nog aan toe. (Haar vader overleed in 1940 ten gevolge van diabetes).

Uiteindelijk krijgen Plath en Hughes twee kinderen. Plath was er lange tijd niet aan toe omdat kinderen geld en tijd kosten, hun vrijheid en mogelijkheid om te schrijven zou er onder lijden. Plath draaide bij en had het later zelfs over een huis vol kinderen. Toch heeft ze haar demon uiteindelijk niet overwonnen en pleegde in 1963 zelfmoord. Zelf verwoordde ze het zo;

Ik heb een goed ik, een ik dat houdt van luchten, heuvels, ideeën, lekker eten en vrolijke kleuren. Mijn demon zou dat graag om zeep helpen door te eisen dat het een feilloos toonbeeld is, en te zeggen dat het weg moet rennen zodra het ook maar iets minder is. Ik zal onverdroten mijn best blijven doen en weten dat ik dat doe, wat anderen ook mogen zeggen.

Vertaling; Nelleke van Maaren

 

 

902958615X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ted Hughes is een Engelse dichter en schrijver van kinderboeken. Erg bekend in zijn eigen land, maar hier toch vooral bekend als de man van Sylvia Plath, de Amerikaanse dichter en schrijfster die zo tragisch aan haar einde kwam. Ik heb nog nooit iets van Hughes gelezen, dus waarom lees ik nu wel het boek Ik wil nooit vergeven worden?

Dat komt door Connie Palmen. Die heeft de roman Jij zegt het over dit echtpaar geschreven, dat enthousiaste kritieken kreeg en daar was ik benieuwd naar. Ik zag echter dat de serie Privé-domein bovenstaand boek én de dagboeken van Sylvia Plath had uitgegeven en dat leek mij mooie bagage voor ik het boek van Palmen ga lezen.

Dit is een boek van zo’n 530 pagina’s en ik heb mij geen moment verveeld. Omdat het een bloemlezing is uit duizenden brieven die hij schreef ontkom je er niet aan dat je met zevenmijlslaarzen door zijn leven heen gaat, maar dat houdt tegelijkertijd de vaart erin.

Het begint met zijn studietijd in Cambridge in 1951, waar hij Engelse literatuur en antropologie studeert. Al snel zitten we in 1956, het jaar waarin hij Sylvia Plath ontmoet én trouwt. Vermeldenswaard is de prachtig realistische beschrijving van een stierengevecht in dat jaar. Niet te citeren want veel te lang, maar iets om terug te lezen.

In deze periode kreeg ik een beetje de indruk dat Plath vooral een productief schrijfster was en dat Hughes nog zoekende was. Veel wilde ideeën om aan geld te komen (nertsen fokken bijvoorbeeld) maar er komt niets van de grond;

Sylvia geeft les. Ik doe op het moment niets – ik zit urenlang als een standbeeld van een man die schrijft, het lijkt sprekend, behalve dat na het derde of vierde uur een zweetdruppel over mijn slaap druipt. Nog nooit heb ik het zo moeilijk gevonden om te schrijven.

Toch schrijft hij en als ze naar de USA verhuizen in 1957 wint hij er zijn eerste prijs. Hughes gaat les geven aan de universiteit in Engelse literatuur en creatief schrijven. In 1960 verhuizen ze terug naar Engeland en wordt dochter Frieda geboren. Zijn werk is daar uitgegeven en hij blijkt er ineens beroemd te zijn. Daar heeft hij wel zijn bedenkingen bij;

Toetreden tot het ‘literaire leven’ betekent in feite binnengaan in een kleine, lege cel zonder ramen waarop een verblindend spotlicht is gericht, en vervolgens aan je lot worden overgelaten in de wetenschap dat miljoenen onzichtbare ogen door de muren naar je kijken. Het is namelijk helemaal geen ‘leven’.

Als in 1962 zoon Nicholas geboren wordt zijn er al spanningen in het huwelijk. Dat staat in de inleidende informatie die aan het begin van veel hoofdstukken staat en die is onontbeerlijk, want uit de brieven maak je dat niet op. Hughes leert Assia Wevill kennen en hij zou met haar een verhouding beginnen.

In 1963 pleegt Sylvia Plath zelfmoord door zich met het gas uit haar oven te verstikken. Ook hier is de informatie vooraf gewenst want als je de brieven van Hughes leest is het al gebeurd en schrijft hij het van zich af. Hij blijft Assia zien en voert ook veel correspondentie met de moeder van Sylvia. Fascinerend om te lezen hoe de verstandhouding met haar meer en meer bekoelt.

Hughes en Assia krijgen een dochter en hij krijgt een enorme dreun als Assia zich met haar dochter in 1969 op soortgelijke wijze als Sylvia Plath van het leven berooft. Toch trouwt hij in 1970 met een boerendochter, Carola, en dat huwelijk houdt stand tot zijn dood.

Hoewel hij relatief kort samen is geweest met Sylvia Plath zal dit hem zijn leven lang blijven achtervolgen. Hij wordt geconfronteerd met biografen en mensen die artikelen schrijven over haar dood. Waar hij altijd gematigd van toon is in zijn brieven, gaat hij los tegen A. Alvarez, die precies meende te weten hoe het zat met haar zelfmoord;

…ik begrijp niet hoe je op het idee bent gekomen dat dit relaas nodig was. Ik zou willen weten wat voor doel je ermee denkt te dienen…Voor jou is het iets dat je hebt geschreven…voor je lezers zijn het vijf interessante minuten, maar voor ons is het eeuwigdurend dynamiet…Je koos details uit om je academische publiek te fascineren & besefte niet dat je elektroden in de hersenen van haar kinderen stak. Hoe kun jij ooit iets zeggen over pijn?

Dat zijn passages die er uitspringen. Uiteraard gaat het veel over Plath en haar nalatenschap. De samensteller Nelleke van Maaren heeft echter een mooie selectie gemaakt van brieven, waardoor er meer kanten van zijn karakter naar voren komen. Zo was het een hartstochtelijke buitenman. Hij was graag in de natuur en bracht die liefde ook over op zijn zoon, die later bioloog zou worden in Alaska. Zijn ontmoetingen met de koningin zijn boeiend om te lezen evenals zijn brieven naar zijn kinderen, vrienden en collega’s.

Een dik boek dus maar zeer de moeite waard en ik voel mij inmiddels verplicht ooit wat van Ted Hughes te gaan lezen (ik doe nooit beloftes over de termijn). Eerst ga ik door met de dagboeken van Sylvia Plath. Overigens triest om te lezen dat de zoon van Ted Hughes in 2009 in Alaska zelfmoord pleegde als gevolg van een depressie. Zijn dochter is een succesvol dichter en schilder.

Vertaling; Nelleke van Maaren

359ab805510e795593059315741437641414141
Ik had in een ver verleden Een boekenkast op reis van Boudewijn Büch al eens gelezen, maar ik kon deze mooie eerste druk bemachtigen voor een vriendenprijs, dus dat was een mooie reden om het boek te herlezen. Met veel plezier, want de 270 pagina’s waren in ‘no time’ verslonden.

Het is een dagboek van het jaar 1998, het jaar waarin hij reist naar De Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. Hij verdiept zich dat jaar weer bovenmatig in Goethe vanwege een televisieproject, verdiept zich altijd in Napoleon, de coelacant (de wat?, dit dus), de Boerenoorlog, Amerikaanse presidenten en ga zo maar door. Dat vind ik meteen het fascinerende aan de man. Hij wist en weet mij te enthousiasmeren (ik heb al zijn programma’s op dvd) voor zaken die anders aan mij voorbij gaan. Ik weet niet hoeveel mensen zich specifiek interesseren voor The Jameson Raid (de prelude tot de Tweede Boerenoorlog), maar Büch is er één van. Zulke dingen vind ik dus leuk en dat is waar dit boek over gaat. Een boek dat hij helemaal niet wilde beginnen. Hij schrijft op 1 januari 1998;

Ik hoor het vuurwerk – het is nu een halfuur in het nieuwe jaar – en ik haat het oude jaar en heb direct al een hekel aan het nieuwe…Hoewel ik al meer dan veertig jaar een dagboek schrijf, weet ik dat ik dit jaar voor een boekpublicatie zal pennen. Waarom ik uiteindelijk ja heb gezegd tegen het publiceren van een heel dagboek weet ik niet, maar ik heb er nu in elk geval al spijt van.

De auteur is natuurlijk een bibliomaan en verzamelt en koopt honderden boeken per reis voor astronomische bedragen. Het is een feest om te lezen welke titels hij zoal binnensleept. Een kleine proeve;

  • Bericht über die in höchsten Auftrage Seiner Königlichen Hoheit des Prinzen Carl von Preussen […] bewirkte Untersuchung einiger Theile des Mosquitolandes
  • Leaves from the battle-field of Gettysburg
  • Beyond the lines; or a Yankee prisoner loose in Dixie
  • Die berühmteste Radfahr-patrouille des Weltkrieges
  • Evita Perón e l’oro dei nazisti

Wellicht zijn de drie catalogi van Bubb Kuyper nog ergens te koop, daar staat Büch’s nalatenschap in en daarin zijn al die titels na te lezen. Veel van wat er in het boek staat is te zien in zijn programma’s. Wat daar niet in te zien is, zijn de meer persoonlijke gevoelens van Büch. Zo is hij niet tevreden over zijn team (cameravrouw, geluidsman en producer) in Zuid-Afrika. Hij moppert er vrijuit over en dat doet hij ook over de hotelkamers, het eten en de Nederlanders die hem overal aanspreken. Hij lijdt nogal eens aan zwaarmoedigheid en allerlei lichamelijke kwaaltjes en zo zucht en puft hij zich wel een beetje door het boek heen. Dat vind ik meteen de mindere kant van hem. Hij neemt zichzelf nooit eens bij de lurven om dat zelfopgelegde lijden wat te verlichten. Zo vind ik zijn verliefdheid voor de zesentwintigjarige producer Panda ook wat pathetisch overkomen. Dat gezegd hebbend voert zijn enthousiasme voor wat hem wel boeit gelukkig de boventoon en daarom mag ik zijn boeken graag lezen en blijf ik nog steeds naar zijn programma’s kijken.

2b720d6a95a4fe7592f32725777437641414141
De omgevallen boekenkast van Hans van Straten is het gevolg van een ingeving. De journalist en schrijver trok bij ingeving zijn boekenkast omver. zodat de boeken overal in zijn kamer verspreid lagen (zo’n ingeving heb ik overigens nooit, ik blijf het wat merkwaardig vinden). Uit die boeken kwamen allerhande papiertjes zetten met aantekeningen die hij in de loop der jaren had gemaakt. Anekdoten, herinneringen, droomverslagen, dagboekfragmenten en aforismen. Een bonte verzameling die hun weg vonden naar zes cahiers, die uiteindelijk in bovenstaand boek zijn uitgegeven. Ze vormen een soort zelfportret van de man en zijn tijd.

Het is een idee, maar werkt het? Voor mij wel. Het is af en toe van de hak op de tak, verbrokkeld ook maar het leest als een trein. De auteur staat midden in het literaire leven van de vorige eeuw en dat geeft mooie fragmenten:

Begrafenis van Nescio. Met ons drieën lopen we in de kleine stoet mee, Gerrit Borgers, Remco Campert en ik. ‘Heren,’ zeg ik, snuivend in de zomerwind, ‘ik geloof dat ik de begrafenisborrel al ruik.’ ‘Nee, dat ben ik,’ zegt Remco. ‘In de tram zeggen ze ook altijd dat ik zo stink.’

Als biograaf van Willem Frederik Hermans was hij niet bang om hem ook literair de oren te wassen. Hij geeft fijntjes aan dat WFH, die anderen genadeloos op onvolkomenheden in hun werk kon wijzen, zelf ook niet altijd even zorgvuldig was. Hetzelfde met de uitgeverij De Arbeiderspers, die ook dit boek heeft uitgegeven. Die uitgeverij heeft ook de dagboeken van Paul Léauteaud uitgegeven, maar Van Straten fileert de vertaler ervan;

Na zo iets zou ik erg rot willen doen tegen Matth. Kockelkoren, iemand die denkt dat hij Léautaud moet vertalen in het idioom van een dertienjarige mavoscholier. Een van de karakteristieke kanten van Léautaud was juist, dat de natuurlijkheid van zijn schrijftrant volledig samenviel met de traditie van Diderot en Chamfort. Wie dat niet doorheeft, heeft niets van hem begrepen.

Zo, dat is duidelijk. Er staan talloze anekdotes in het boek, over Slauerhoff die een hoed over zeven meter op een Jezusbeeld gooit, over schietoefeningen in het Rijksmuseum, over Mulisch die Bomans van impotentie beticht, over de Zangeres zonder Naam die Jan Wolkers haar benen laat zien, over de homoseksuele verwijzingen in Reinaert de Vos en ga zo maar door. Jammer dat het notenapparaat niet zo zorgvuldig is samengesteld, daar staan wat fouten in wat betreft de paginanummering.  Verder is het gewoon een leuk boek. Voor een mooi overzicht van de aforismen in het boek, lees het verslag van Erik.

b84105a5c543a945933487a5241444341587343
Ik begin rustig aan de Dierbare Herinneringen van Françoise Sagan zonder haar beroemde boek Bonjour Tristesse te hebben gelezen. Ik heb wel Houdt u van Brahms.. tot mij genomen en dat, samen met wat Wikipedia-kennis maakte mij voldoende nieuwsgierig naar dit luchtige Prive-domeindeel.

Toen ik het uit had vroeg ik mij af of dit een goed boek was, maar ik moest mij even herpakken. Ik nam wat aantekeningen erbij en wat mij toch het meest bijblijft aan dit boek zijn de portretten van de mensen die Sagan heeft ontmoet. Billie Holiday, Tennessee Wiliams, Rudolf Noerejev, Orson Welles, Jean-Paul Sartre, het zijn stuk voor stuk mooie beschrijvingen van karakters die Sagan ergens in haar hedonistische levensstijl heeft ontmoet.

En wild was het. Snelle auto’s (in 1957 sloeg ze met haar auto over de kop en bleef 36 uur bewusteloos), drank en drugs en gokken. Uren bracht ze door in casino’s en ze vertelt erover:

Ik moet eerlijk bekennen dat het heel aangenaam was. Engelsen zijn, zoals men weet, de beste spelers van de wereld, en ze lijken er werkelijk opgewekt van te worden…intussen verdween mijn ene stapeltje fiches na het andere onder algemene onverschilligheid, inclusief de mijne.

Sagan presteerde het om 80.000 pond te verliezen op een avond, grof in te zetten en de tent met 50 pond schuld te verlaten. Op het randje dus. Het komt verder ook allemaal op haar pad. In de Verenigde Staten wordt zij uitgenodigd door de schrijver en dramaturg Tennessee Williams. In zijn kielzog de schrijfster Carson McCullers. Nu zowat vergeten, maar haar “Ballade van het trieste café” staat inmiddels op mijn wensenlijst.

Dan is het Tennessee Williams, later is het Orson Welles. Ook zo’n markant figuur die zij niet kan weerstaan:

Ik ken geloof ik niemand die even sterk als hij een geniale indruk wekt, zozeer straalt hij iets mateloos uit, iets levends, iets fataals, iets onherroepelijks, iets van cynisme en gepassioneerdheid. Ik raakte alleen even in paniek toen hij ons plotseling voorstelde een uur later te vertrekken…naar Valparaiso. Dus liep ik naar de deur om mijn paspoort te halen (en voor de tweede maal een echtelijke woning in de steek te laten, met een kind, een hond en een kat…eenvoudigweg omdat Welles onweerstaanbaar was en het volkomen vanzelf sprak dat al zijn wensen dienden te worden vervuld).

Ontroerend is het portret van Jean-Paul Sartre en de ontmoetingen die zij met hem heeft. Hij is dan al blind en goeddeels verlamd. Sartre, die volgens zeggen al vijftig jaar lang tien uur per dag schreef, kon dat niet meer en dacht zelfs om er een einde aan te maken.

‘Maar uiteindelijk heb ik het niet eens geprobeerd. Ik was mijn leven lang zo gelukkig geweest…dus ben ik maar uit gewoonte gelukkig gebleven’

Wat fijn dat ik zijn biografie nog moet lezen. Sagan heeft mij een mooie opmaat gegeven.

Vertaling: Greetje van den Bergh

1100d5b2b3213a4597877585651444341587343
Ik ben door Willem Frederik Hermans gewezen op het boek Waarom zou ik liegen van Marie Bashkirtseff. Marie is een dame uit de Oekraine. Afkomstig uit de lage adel, maar met genoeg geld op zak, zwerft zij langs de mondaine oorden van Europa.

Marie is getalenteerd. Zij kan zingen, dansen, tekenen en schilderen. Daar wil zij iets mee, maar er is haar weinig tijd vergund. Zij zal op 25-jarige leeftijd aan de tering sterven. Het lijkt of zij dat voorvoelt, want zij gaat een dagboek bijhouden. Als zij niet slaagt in de disciplines waarzij goed in is, dan kan altijd haar dagboek worden uitgegeven, zodat zij herinnerd wordt. Dit boek bestaat uit een bloemlezing van haar dagboeken over de periode 1873-1884.

Marie en ik, wij begonnen niet goed. Ik vond haar een vooringenomen dame. Hoor maar:

Gelukkig of helaas vind ik mezelf een kostbaar kleinood waarvoor niemand goed genoeg is…Ik beschouw mezelf als een goddelijk wezen en kan me niet voorstellen dat een man als G…het mischien in zijn hoofd zou kunnen halen bij mij in de smaak te vallen…Ik hoop toegang te krijgen tot de mondaine wereld, tot die wereld waarom ik luidkeels en op mijn knieën roep, want daar ligt mijn leven, mijn geluk.

Daar hoef je bij mij niet mee aan te komen. Maar, Marie heeft ambitie en ze is niet dom. De eerste tekenen van de tering maken haar het zingen onmogelijk. Toch zet zij door en gaat tekenen en schilderen. Wat mij voor haar heeft gewonnen, is dat zij een self-made woman is. Van haar familie moest ze het niet hebben. Vader en moeder waren gescheiden en er was geen interesse voor cultuur. Marie kreeg zelfs geen formele opleiding. Zij is zelf achter haar dromen aangegaan en is gaan studeren aan de Académie Julien. Ook daar heeft een vrouwelijke schilder het niet makkelijk. Je hebt geluk als je schilderij “naar beneden” wordt gebracht om het aan de mannelijke schilders te tonen. Toch leert zij veel en levert een aantal puike werken af.

De dagboeken? De schrijfstijl is mij niet bijzonder opgevallen. Niet positief, niet negatief. Het geeft wel een mooi tijdsbeeld van Europa in de negentiende eeuw. Maar het mooiste is toch de gevoelswereld van een gedreven meisje, dat weet dat zij niet alles uit haar schilderkunst halen wat er in zit, omdat haar de pas af zal worden gesneden door een ziekte:

Het heeft geen zin verstoppertje te spelen, ik heb tering. De rechterlong is zwaar aangetast en de linker begint het laatste jaar enigzins aangetast te raken…Ik zal mijn leven rekken, kortom, maar ik ben verloren. Ik heb dan ook teveel kwellingen te verduren gehad. Dat wordt mijn dood, dat is logisch, maar het is vreselijk. Er zijn zoveel interessante dingen in het leven!

Zij leeft voort. Door haar dagboeken, door haar schilderijen en door haar grafmonument. Zij ligt begraven op het Cimetière de Passy, in Parijs, in een enorme Byzantijnse kapel, dat inmiddels een staatsmonument is geworden. De schilderijen zijn mooi, het dagboek leest prettig. Het is goed, tussen Marie en mij.

Vertaling: Marianne Kaas

Bashkirtseff_-_The_Meeting

Een ontmoeting – Marie Bashkirtseff

7aba545053f39a1593156705967444341587343

Dienstreizen van een thuisblijver van Maarten ’t Hart is pas onlangs verschenen maar diende onverwijld aangeschaft te worden. Ik ben toch zo’n beetje Privé-Domeinen aan het verzamelen en dit is een mooie aanvulling.

’t Hart is een hartstochtelijk thuisblijver. Hij schrijft en leest graag, luistert klassieke muziek en tuiniert af en toe, meer heeft hij niet nodig. Vervelende bijkomstigheid van al dat geschrijf is de roem die hem ten deel valt en de daarmee gepaarde uitnodigingen voor lezingen en optredens in binnen- en buitenland. Daarover gaat het grotendeels in dit boek.

Hij berijdt zijn bekende stokpaardjes ook hier. Maassluis, klassieke muziek en het betwisten van de bijbel. Dat levert hilarische stukjes op, zoals over de ark van Noach:

…dat het mij ook enorm verbaasde dat Noach toen niet met de malariamuskiet had  afgerekend…twee gerichte klappen en de mensheid zou ongelofelijk veel leed bespaard zijn gebleven. Alleen al het inladen van vijf miljoen diersoorten duurt, als je per soort een minuut bezig bent en zestien uur per dag laadt en de sabbatdagen vrij houdt, zestien jaar. Aangezien veruit de meeste dieren (veel) korter leven dan zestien jaar, zijn de eerst ingeladene reeds morsdood op het moment dat de laatste aan boord gaan.

Verder gaat het dus over lezingen, gedwongen bezoeken aan beurzen in het buitenland en signeersessies. Met mild vileine pen beschrijft hij een mokkende Mulisch en peuterje Palmen in Götenborg. Hij hoopt samen met Anna Enquist door Götenborg te zwerven op zoek naar sporen van de componist Smetana die er gewoond en gewerkt heeft maar krijgt nul op het rekest. Hij moet het alleen doen. In Duitsland wordt hij achtervolgd door Frau Raabe, zijn Duitse uitgeefster, die hem miljoenen boeken laat verkopen maar waar hij vervolgens geen cent voor terugkrijgt.

Een mooi verhaal is de vergelijking van het land der letteren met de wereld der primaten. Hij verhaalt over het feit dat, na het eclatante succes van Een vlucht regenwulpen, het afgelopen was met de literaire prijzen in Nederland:

Mij deert dat weinig, want boven mijn bed hangt de leus ‘Liever lezers dan prijzen’. Bovendien worden die prijzen altijd ’s avonds laat uitgereikt, vaak bij ellenlang gerekte etentjes (Ook dit ritueel ligt verankerd in onze primatengenen: na krachtmetingen tussen de mannetjesapen die de rangorde opnieuw hebben vastgesteld, volgen altijd vredige vlooi- en eetrituelen).

’t Hart moet er niets van hebben. Als bioloog werkte hij alleen, als schrijver hoopte hij dat ook te doen (Als ik contact wil met een medemens zet ik wel een cantate van Bach op). Het lukt hem uiteraard niet, de ontmoetingen zijn niet van de lucht en het levert een aantal luchtige verhalen op. Hij wordt verward met Maarten Biesheuvel, hij vertelt over zijn beenbreuk, over zijn bemoeienis met de zaak Lucia de B., over het wonderlijke contact met zijn Hongaarse vertaler, over een SM-kelder onder een kerk enzovoort. Het levert een paar lekkere leesuren op.

159fe99d7c9dedb593937685951444341587343

Geheim dagboek van een puritein van Samuel Pepys staat al een tijdje op mijn wensenlijst omdat ik erg nieuwsgierig ben naar dit dagboek. Het complete dagboek wel te verstaan. Die heb ik mij nog niet aangeschaft. Omdat ik her en der ook Privé-Domeinen verzamel mag deze echter niet ontbreken en ik zie het maar als een inleiding op het complete dagboek, wat vast en zeker nog wel een keer gekocht wordt…

Pepys (spreek uit als Pieps) was secretaris van de Admiraliteit en leefde van 1633 tot 1703. Gedurende tien jaar hield hij een dagboek bij, wat resulteerde in een werk van zo’n 3800 pagina’s. In dit boek is hiervan een selectie gemaakt uit de jaren 1660-1669.

We worden geconfronteerd met eerst en vooral de dagelijkse beslommeringen in huize Pepys. Het gaat over bedienden die worden aangenomen en/of ontslagen, over schilderijen waarvoor hij en zijn vrouw poseren, over kleren die worden besteld en over verbouwingen in en om het huis. Het gaat over bezoekjes die worden afgelegd, reisjes die worden gemaakt en voorstellingen die worden bezocht.

Dat klinkt niet enerverend en dat is het ook niet. Voor een groot deel kabbelt het verhaal voort. Ik sla het boek open, het is 5 september 1662:

5 september Vandaag heb ik bij mijnheer Bland, de koopman, gedineerd met de heren van de douane-commissie; een bijzonder voornaam gezelschap…
9 september Sir John Minnes heeft geklaagd over de verbouwing van mijn huis. Hij zegt dat hij nu geen licht meer heeft op zijn trap en zijn deur naar het dak niet meer kan gebruiken en hij dreigde dat hij maatregelen zou nemen…
12 september Bijtijds op en meteen naar mijn huis om met de werklui te spreken; er zit niet veel schot in…
14 september (Dag des Heren) Naar Whitehall; heb de dienst bijgewoond in de kapel van de Koning…

Dat kabbelt allemaal aardig voort. Toch staan er ook zaken in waarvoor ik dergelijke boeken graag lees. Als het gaat over de pestepidemie die er heerst, dan lees je wat voor een impact dat heeft op het straatbeeld. Van de grote brand in Londen wist ik wel, maar Pepys was erbij en heeft het beschreven:

Naarmate het donker werd, zagen we het vuur steeds duidelijker in hoeken en op torens, tussen kerken en huizen zo ver ons oog reikte over de hele heuvel van de City, met afschuwelijke, boosaardige, bloedrode vlammen, helemaal niet zoals de fijne vlammen van een gewoon vuur. Toen het donker werd, zagen we de brand als één grote boog van vuur, die van de ene kant van London Bridge naar de andere kant liep en nog een boog van meer dan een mijl lang de heuvel op; ik heb gehuild toen ik het zag.

Ook de voortdurende twisten met de Hollanders worden beschreven. Het is de tijd van De Ruyter dus in de meeste gevallen loopt het slecht af voor de Engelsen, helemaal als de Hollanders de beroemde ketting bij Chatham hebben gebroken.

Wat opvalt in het dagboek is de eerlijkheid waarmee alles wordt opgetekend (Ze lijkt me een vriendelijke vrouw, maar mooi is ze niet). Hij ontziet hierin ook zichzelf niet. Al zijn zwakheden vertrouwt hij toe aan het papier. Zo is hij niet de aardigste wederhelft en maakt regelmatig ruzie met zijn vrouw (Vanmiddag liet mijn vrouw mij op kantoor een briefje brengen; heb besloten het niet te lezen en het thuis voor haar ogen te verbranden. Ze moet goed weten dat ik van dergelijke onzin niet gediend ben). Daarbij is hij een onverbeterlijke rokkenjager, geen dienstertje is veilig voor hem. Hij wordt een keer betrapt door zijn vrouw en hij weet het goed te praten maar verleren doet hij het niet. Dat maakt hem niet altijd even sympathiek, maar hij houdt niets achter voor zijn dagboek. Verder worden we keurig op de hoogte gehouden van zijn vermogen. Met regelmaat doet hij de boekhouding en tekent hij op hoeveel hij bezit. Dat geld is belangrijk voor hem en als de situatie erom gaat spannen verdeelt hij zijn bezittingen. Zijn vrouw en vader begraven zijn goudstukken voor hem en doen dat volgens hem op knullige wijze. Ook hier krijgt vrouwlief weer de wind van voren.

Ik ben het met Boeklog eens dat dit deel slechts een kleine proeve biedt van het origineel en dat het geenszins volstaat om een oordeel te vellen over “Het dagboek van Pepys” in zijn geheel. Daarvoor is toch echt de aanschaf vereist van de volledige, ongecensureerde versie. Die blijft op de wensenlijst.

The-Dutch-burn-English-ships-during-the-expedition-to-Chatham-Raid-on-Medway-1667Jan-van-Leyden-1669

Engelse schepen in brand tijdens de tocht naar Chatham
Schilderij van Jan van Leyden, Rijksmuseum Amsterdam

b59655079ea00f2597745415251444341587343
Even een paar dagen er tussenuit geweest op zomerreces. Dan wil ik een makkelijk leesbaar boek mee en daar voldoet Een deerne in lokkend postuur van Maarten ’t Hart uit de serie Privé-Domein helemaal aan.

Het is een dagboek over het jaar 1999 met alle bekende thema’s van ’t Hart; literatuur, natuur, klassieke muziek en “de grote gekte”, zijn behoefte om zich in vrouwenkledij te hullen. Nu heb ik met dat laatste aspect van ’t Hart nooit zo veel opgehad, dus die passages bladerde ik fluks door. Wat mij als muziekliefhebber wel interesseert zijn de uitwijdingen over muziek. ’t Hart koketteert graag met zijn kennis hierover:

Vanmiddag hadden we bij de platenclub tien raadwerken. Het derde strijkkwartet van Ernst von Dohnanyi, de fraaie cantate Johannes van Damscus van Sergey Taneyev…, het onbenullige vioolconcert, opus 56 van Niels Gade, de zevende symfonie van Petterson (een verschrikkelijk werk, net als alle andere composities van Petterson), het waardeloze ballet Slaraffenland van Riisager, de cantate Faust et Hélène van Lili Boulanger (dit werd snel door mij geraden, de anderen hadden er veel moeite mee – overigens een fantastisch mooi werk, het was veruit het beste wat we op deze middag te horen kregen…)

Hij koketteert maar een eind weg, ik houd er vaak mooie tips aan over. Verder gaat het over een keur aan onderwerpen, zijn vergeefse pogingen een rijbewijs te halen, zijn boezemfibrillaties, de brieven en verzoeken die hij uit den lande ontvangt en de beslommeringen in en om zijn huis als daar zijn de stal van Bertus, zijn hondje Roef, ooievaars in de buurt, een omgekomen sperwer enzovoort. Met stijgende verbazing las ik het deel waarin ’t Hart uiteenzet wat hij doet voor zijn gezondheid:

’s Morgens vroeg neem ik op mijn nuchtere maag een gedroogde, ontzwavelde abrikoos. Dat zou bloeddrukverlagend werken. Vervolgens eet ik vier donkerbruine boterhammen. De ene dag prokornbrood. Minder zout dan gewoon brood…De volgende dag vikornbrood. Veel vitamine B. Om half negen neem ik altijd een capsule Q 10 super. Het co-enzym Q 10…verstevigt het tandvlees, verlaagt de bloeddruk, versterkt de hartspier…Om een uur of half tien neem ik een hapje gepelde pompoenpitten.

Enzovoort. Geen koffie maar groene thee, ieder dag drie tomaten, tussen de middag weer brood en zelfgemaakte yoghurt, daarna norvasc slikken ter verlaging van de bloeddruk, elke dag twee sinaasappels, een kiwi, een mango en een schijf ananas. Voor het avondeten een glas rode wijn, altijd rauwkost bij het avondeten, nooit vlees, twee maal vette vis per week. Na het eten een zink-seleniumpil en om acht uur een pil Phosetamin. Bij elke warme maaltijd een dozijn teentjes knoflook. Hij noemt het gezondheidswaanzin en dat snap ik; het is wel mooi leesvoer.

Uiteindelijk is het lichte, maar zeer vermakelijke kost. Toelichtingen op muziek en literatuur helpen mij het meest verder en daarom mag ik zijn boeken graag lezen. Ongewenste Zeereis van zijn hand staat nog te lezen in mijn kast.