Jac. P. Thijsse

9028220011.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Jac. P. Thijsse is bekend als één van onze eerste natuurbeschermers, als onderwijzer en als auteur van de bekende Verkade-albums waarin men plaatjes van flora en fauna kon plakken. Minder bekend is dat hij ook dagboeken bijhield van zijn wandelingen door de natuur. Die Wandeldagboeken uit 1884-1898, met de titel Nu ga ik er eens op uit, zijn bijeengebracht in dit boek door de biologe Marga Coesèl.

Het betreft overigens maar een klein deel van de in totaal zes wandeldagboeken die Thijsse heeft bijgehouden, namelijk de eerste twee. Dat heeft een paar redenen. De totale inhoud van alle zes de dagboeken zou te groot zijn voor één uitgave. Daar komt bij dat met name de eerste twee delen een verhalend karakter hebben. De overige delen zijn meer opsommingen van zijn waarnemingen en dat zou de leesbaarheid niet bevorderen.

Interessant is verder dat de twee uitgegeven delen stammen uit de tijd dat Thijsse nog geen bekende Nederlander was. Het valt op hoe groot zijn natuurkennis al was op jonge leeftijd en het is interessant om te lezen waar zijn belangstelling naar uitging. Verder zijn deze dagboeken voorzien van potlood- en pentekeningen van zijn hand waarvan er een aantal zijn opgenomen in het boek.

De liefde voor de natuur zat er al vroeg in bij Thijsse. Hij verzamelde als kind al van alles en legde een herbarium en insectenverzameling aan. Het hielp dat hij op de kweekschool in Amsterdam een bevlogen leraar plant- en dierkunde trof, de latere directeur van Artis. Deze Coenraad Kerbert nam Thijsse mee op excursies naar de Zuiderzee en het Nieuwe Diep. Thijsse abonneerde zich op het Engelse tijdschrift Science-Gossip en dat blad was mogelijk de aanleiding om een wandeldagboek te beginnen. Er stonden namelijk verslagen in van waarnemingen van andere natuurliefhebbers.

Zo begon hij ook aan zijn wandeldagboeken en ik pak er een zaterdag bij, te weten die van 29 maart 1884:

In Diemen per tram naar Muiden. Een tramwagen gevuld met slapende Huizer-visboeren. Bij Muiden ga ik aan de oostzijde een pad op dat aanvankelijk langs de vestinggracht, later door de weilanden naar de Zuiderzeedijk leidt. Aan weerskanten van ’t pad bloeit zeer veel Nasturtium officinale. In ’t weiland staat een groepje wilgen. Na de sloot overgesprongen te zijn, kom ik in een drassig landje, jaag een paar kievitten op en kom eindelijk bij de wilgen.

Als u even niet weet wat Nasturtium officinale is, Coesèl heeft achterin een uitgebreide lijst namen opgenomen waarin alles verklaard wordt. Bovenstaande leest goed door, maar Thijsse gaat ook wel eens de diepte in, als hij het bosviooltje tot in detail beschrijft.

Tussen de dagboeken door krijgen we een korte biografie van Thijsse, zodat we weten dat hij enige tijd op Texel woont waar hij zjin hart kan ophalen qua natuur, maar dat hij later met zijn vrouw ook weer naar Amsterdam terugkeert. Hij gaat er samenwerken met Eli Heimans, een jonge hoofdonderwijzer met dezelfde passie voor natuur als hijzelf. Samen zouden ze populaire boeken over de natuur schrijven én een tijdschrift uitgeven. Coesèl is overigens actief in de naar hen vernoemde Heimans en Thijsse Stichting, die een bibliotheek en een archief beheert met materiaal over de ontwikkeling in het denken over en het omgaan met de natuur.

In 1902 verhuisde het echtpaar Thijsse naar Bloemendaal. In die tijd vernam hij tot zijn schrik dat men het plan had om het Naardermeer om te vormen tot een vuilstortplaats. Dat was de reden tot de oprichting van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Het Naardermeer werd de eerste aankoop. Ook werd hij benaderd door Verkade om de teksten te schrijven voor de inmiddels beroemde albums. Thijsse zag de mogelijkheden om een groot publiek te bereiken en ging er graag op in.

Tussen al deze informatie moeten we ook de dagboeken niet vergeten natuurlijk. Van een aantal excursies maakte Thijsse langere verslagen en die zijn apart in het boek opgenomen. Daar zitten soms prachtige stukken tussen;

Ja, al die strandvogels hebben hun vaste uren. De tureluurs komen ’t eerst, dan de kemphaantjes en de grutto’s, vervolgens de kleine wulpen en eindelijk de grote. Nu is ’t nog grutto-tijd. Daar komt een hele troep aanvliegen, heel, heel hoog: drie gelederen elk wel van honderd stuks.

Het is soms pijnlijk duidelijk dat Thijsse zijn waarnemingen deed in een andere tijd dan de onze. Veel van de flora en fauna die hij beschrijft wordt bedreigd of is er zelfs niet meer. Dat onderschrijft meteen het belang van de door hem opgerichte stichting.

Aan feitelijk dagboekmateriaal is er dus niet heel veel te lezen, je bent er redelijk snel doorheen. Maar die dagboekfragmenten samen met de biografische informatie en de losse en uitgebreidere artikelen maken het boek toch zeer de moeite waard. Verder is het boek voorzien van talloze prachtige illustraties en dat maakt het wat mij betreft tot een aanrader.

Leuk voor mij is dat ik reden heb om aan te nemen dat een voorvader van mij nog een rol speelt in het boek, de visser Jan Hoetmer die Thijsse en Prins Hendrik op het Naardermeer heeft rondgevaren. Ik kan het niet helemaal hard maken geef ik toe, maar ik weet dat er in de lijn van mijn voorvaderen Jan Hoetmers, ook vissers, in die tijd rond die plassen actief waren. Ik neem het maar gewoon voor waar aan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: