archiveren

Tagarchief: Nederlandse literatuur

cec844d9de00630592f62755251444341587343
Karakter van Ferdinand Bordewijk is een prima boek. Het verhaal is redelijk eenvoudig, dus even in het kort. Jacob Willem Katadreuffe wordt geboren uit een one-night-stand van deurwaarder Dreverhaven met zijn dienstbode, Joba. Joba gaat bij Dreverhaven weg en wenst geen hulp of huwelijk van hem.

Zij voedt haar zoon alleen op. Katadreuffe is een jongen van het volk, maar heeft, u raadt het al, karakter. Hij gaat een avontuur aan als winkelier, raakt failliet, maar vindt een baan bij een advocatenkantoor. Daar weet hij zich op te werken tot advocaat, met ijzeren vastberadenheid.

Het mooie van dit verhaal is zijn verhouding tot zijn vader. Die lijkt zijn zoon op alle mogelijke manieren tegen te werken. Hij zit achter zijn faillissement aan als deurwaarder, leent hem geld om het later direct op te eisen, net voor een belangrijk examen, kortom, hij gaat meedogenloos te werk. Ten opzichte van iedere schuldeiser en ook ten opzichte van zijn zoon. Dat gaat ongeveer zo, als Katadreuffe geld komt lenen van zijn vader voor zijn studie:

– Zo, meneer schijnt op andere gedachten gekomen. Wil hij nu geld lenen van de woekeraar?
– Ja, zei Katadreuffe. Hij dacht even na en vervolgde:
– Ja, ik wil u trotseren. Als u mij daartoe in de gelegenheid stelt dan wil ik het tegen u opnemen.
Dreverhaven sloot zijn ogen opnieuw. Dat was ras, die jongen toonde karakter. En hij vroeg toonloos, alsof hij sprak in zijn slaap:
– Hoeveel?

Katadreuffe had uitgerekend dat hij er met tweeduizend gulden zou kunnen uitkomen…
– Bedenk wel dat als ik je vandaag leen ik je morgen je nek kan breken.

Dreverhaven lijkt daar ook alles aan te doen maar Katadreuffe wijkt niet. Op het advocatenkantoor werkt hij zich op en vindt hij medestanders, met name bij zijn baas, Mr. Stroomkoning. Die heeft vertrouwen in hem, net als juffrouw Te George, de enige vrouw met wie hij een gesprek kan voeren. Met zijn moeder is dat veel moeilijker. Zij heeft ook karakter en dat staat hen ook wel eens in de weg. Ze begrijpt dat haar zoon een verhouding met Te George heeft laten schieten:

Haar berisping ergerde hem, zo deed ze altijd. Ze zweeg wanneer hij graag een antwoord hoorde, en, wilde hij eens zwijgen, dan viel ze er tussen met een hatelijkheid. Altijd, altijd irriteerde ze hem. Hij zei het. Ze antwoorde droog:
– Dan moest je ook niet zo dom wezen…Kom, we gaan, ik krijg het koud.

De stijl van Bordewijk is in het algemeen nuchter en to-the point. Daarom viel me het volgend stukje op, nadat Katadreuffe juffrouw Te George nog eens bij toeval tegenkwam. Bordewijk wordt zowaar een beetje lyrisch:

Maar de diamant van het onderhoud met Lorna te George borg hij weg, want wat de edelstenen van het zieleleven betreft is elk mens een vrek; hij bekijkt ze eenzaam in de bankkluis van zijn hart, bij het licht van zijn herinnering.

Voilà, als dat niet mooi is. Als Katadreuffe zijn vader voor het laatst opzoekt hebben we zo’n beetje een afgerond geheel waarvan ik niet zou weten waarom u het niet zou moeten lezen. O ja, net als in zijn verhaal Bint voert Bordewijk weer een aantal mooie namen op, zoals Rentenstein, De Gankelaar, Piaat, Kalvelage enzovoort. Dat verhoogt voor mij alleen de feestvreugde.

753bf9278150050592f31785541444341587343
De laatste deur van Jeroen Brouwers heeft als ondertitel Essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Dat klinkt weinig opwekkend en dat is het ook niet, toch is het een groots boek dat ik in één adem uitlas.

In goed vijfhonderd pagina’s geeft Brouwers een overzicht in kleine biografieën welke schrijvers in de Lage Landen zoal de hand aan zichzelf hebben geslagen en wat daar de achterliggende reden voor was. Daar zitten bekende schrijvers bij als Menno ter Braak en François Haverschmidt, maar kent u ook Willem van Haren, Cornélie Huygens, Gerlof van Vloten, Gust L. van Roosbroeck, Jan Emmens, Jan Emiel Daele enzovoort? Dat dacht ik al. Brouwers geeft ze allemaal hun rechtmatige plek in de literatuurgeschiedenis en doet dat met grote kennis van zaken.

Hij lardeert de schrijversportretten met essays over zelfmoord, het taboe, taal en terminologie rondom zelfmoord, de Bijbel en zelfmoord, dieren en zelfmoord (denk aan de lemmingen die van een klif af rennen), het is allemaal even lezenswaard. Een paar praktijkgevalletjes dan, voor de sjeu.

Jan Emiel Daele (1942-1978) lijkt zo’n tragisch geval. Voor de tweede maal getrouwd, een vrouw die hem bedroog en hij liep al even rond met zelfmoordplannen. Hij schoot zijn vrouw vijf maal in de borst en pleegde erna zelfmoord. Het was de dag waarop volgens Brouwers “de grote verhuiskou over Daele kwam”.

Zo ook de dichter Ido Keekstra (1909-1965). In 1963 noteerde hij in zijn dagboek al een droom over een auto-ongeluk. Twee jaar later reed hij met zijn vrouw frontaal in op een tegenligger. Ongeluk of zelfmoord? Het was de dood die hij voorspeld had en ook wilde. Wrange verhalen af en toe.

Brouwers maakt aannemelijk dat achter al die zelfdodingen wel een reden zit. Die reden is soms op schrift gesteld, soms is het gissen naar de werkelijke oorzaak. In dat verband citeert hij de dichter Heinrich Heine uit Das Buch Le Grand:

‘Wenn ein Mensch sich totschiessen will, so hat er dazu immer hinlängliche Gründe – Aber ob er sellbst die Gründe kennt, das ist die Frage.’

Wellicht is het bekend dat zelfmoordenaars niet snel op een plekje geweide grond konden rekenen, geloofstechnisch gezien. Zelfmoord was immers een doodzonde. In Friesland was het gebruik om zelfmoordernaars te begraven ‘onder de drup van de dakgoot’, aan de noordzijde van de kerk, die gold als de verachtelijkste plek om als graf te bestemmen. Ik weet niet waarom, ik wil het weten.

Tenslotte Halbo C. Kool (1907-1968). Ik had nog nooit van de goede man gehoord. Begonnen als wonderkind met zijn verzenbundel “De tooverformule” heeft hij die belofte nooit waar kunnen maken. Hij dacht grote schrijvers en dichters onder zijn vrienden te tellen, Brouwers ontzenuwd dit. Du Perron schrijft over hem zelfs in  een brief ‘ook een domme jongen toch’. Uiteindelijk mocht Kool zich helemaal niet in de sympathie van de groten verheugen. Wat Brouwers echter niet vermeldt is dat Kool uiteindelijk toch in de “Avonden” van Gerard Reve opduikt in een bijrol, als Arend Wortel, die honderd gulden van Frits tracht te lenen. Voorwaar geen klein wapenfeit (bron:www.nadertotreve.nl). Het mocht niet baten, Kool werd begin 1968 dood aangetroffen op een doodlopend weggetje in het weidegebied bij Kortenhoef. Hij had zelfmoord begaan door een overdosis slaapmiddelen. Een indrukwekkend boek in indrukwekkende stijl.

314cbc63d065eb2596d6e486667444341587343
Het enfant terrible van het Nederlandse journaille, Arthur van Amerongen, heeft een nieuw boek gewrocht en het heet Mambo Jambo. De subtitel is Een krankzinnige liefde in Zuid-Amerika en dat is precies waar dit ego-document over gaat.

De schrijver is klaar met Europa na de felle kritieken op zijn laatste boek over moslims in Brussel en vertrekt met zijn twintig jaar jongere vriendin naar Paraguay. Hij gaat er zijn culinaire reisgids over Zuid-Amerika schrijven, zij wil een bed- and breakfast beginnen. Gelukkig komt daar geen snars van terecht, anders hadden we geen boek. Wat volgt is een verhaal van passie, ruzie, drank en drugs, een verhaal over aantrekken en afstoten, steeds maar weer.

Het stel vindt een verlopen appartement in Asunción. dat zo mogelijk nog verder afgebroken wordt door de hond en de kat die ze in huis halen. Arthur staat rood en Carmen heeft ook geen inkomen, die leeft van leningen van haar rijke, Spaanse zus. De voorschotten van de uitgeverij komen niet op gang, het is behelpen. Feitelijk heeft Arthur zijn vlam weinig te bieden. Geen werk, geen geld en hij is extreem verslavingsgevoelig voor drank en drugs. Hij weet het zelf ook:

Soms vraag ik haar voor we gaan slapen waarom ze bij mij blijft, waarom ze van mij houdt. Ze reageert dan niet, ze weet het zelf niet. Ik heb haar niets te bieden, enkel mijn cynische grapjes en mijn spontane uitbarstingen van gekte en waanzin, de onzinnige vreugde van de kranzinnige die in een warm bad wordt gestopt.

Als een rode draad loopt het dreigende vertrek van Carmen door het boek. Ze gaat verschillende keren naar Madrid en Arthur is bang dat ze blijft. Schoonmoeder Louise is niet mals, hoewel Arthur haar aardig om zijn vinger weet te winden als zij een keer in hun negorij op bezoek komt. 

Verder lezen we vooral halfslachtige pogingen om wat geld te verdienen met wat reportages, als leraar Engels en met de opzet van zijn culinaire gids. Alles doorspekt met veel drank, soms drugs en af en toe periodes van geheelonthouding. Toch valt hij steeds terug in dit soort gedrag:

‘Eerst viel je in slaap, met je hoofd in een bord soep. Toen je wakker werd, sloeg je een arm om de abuela. Je hebt daarna een slagveld gemaakt van de tafel, stukken vlees schoten alle kanten op, je praatte voortdurend met volle mond, zwaaide met je mes, de mensen waren bang voor je. Je bleef maar doordrinken, whisky, wijn, cognac bij het toetje…Ik heb je toen naar de slaapkamer gebracht en ben weer naar beneden gegaan om de boel te redden. Een kwartier later stond je in je blote reet naast de televisie, de abuela kreeg bijna een hartaanval.’

Carmen zelf is trouwens niet veel beter. Zij is zelf ook vaak nachten lang op stap en laat zich makkelijk versieren als het zo uitkomt. Uiteindelijk weten ze beiden dat Carmen terug gaat, naar Spanje.

Verwacht geen verhaal met een diepere laag. Dat hoeft verder voor mij ook niet. Het boek leest als een trein en ik houd van de ontwapenende eerlijkheid van Don Arturo. Hij spaart niemand, zichzelf het allerminst. Hij was gek op zijn moeder, is gek op zijn dieren, kan niet autorijden, heeft geen geld of huis en is er open over. Op het boek wordt het verhaal aangeprezen als een kruising tussen Cremer, Lowry en Bukowski. Dat is het niet. Het is vooral vintage-Van Amerongen.

207638c83bf54485977496b5167444341587343
De kip die over de soep vloog van Frans Pointl is eigenlijk een autobiografisch relaas. Geschreven vanuit David, maar het heeft akelig veel raakvlakken met het leven van Pointl zelf.

Het is het verhaal van een Joodse jongen die na de oorlog alleen achterblijft met zijn moeder. Er leeft nog een oom die hij af en toe ziet, maar dat is het. Moeder was een begaafd pianiste en had het ver kunnen schoppen, maar de oorlog heeft haar gebroken. Ze kijkt alleen nog in familiealbums en wacht tot David groot genoeg is. Dan kan ze er uit stappen, net als haar vriendin Fré:

Op een dag deelde ze me, bijna achteloos, mee: ‘Fré is dood.’
‘Zo ineens? Is ze onder een auto gekomen?’ vroeg ik geschrokken…
‘Ze is uitgestapt,’ verklaarde moeder en ik begreep.
‘Ze is te werk gegaan alsof ze ratten moest verdelgen. Je kunt het toch op een min of meer behoorlijke manier doen,’ zei ze alsof tante Fré haar postuum had beledigd. Ze sprak, zoals vaak, tegen zichzelf. Deze woorden waren niet voor mij bestemd. In mijn zestienjarig bestaan was meer dood dan leven geweest.

David maakt zijn school af. Geen succes bij de dames, af en toe heibel met klasgenoten. Hij vindt werk, maar hij verprutst veel. Zijn enig overgebleven oom, Solomon, steekt zijn eigen huis in brand en wordt als psychiatrisch patiënt opgenomen. Als zijn moeder sterft moet hij het zelf doen. Hij gaat op kamers bij verschillende hospita’s en ontmoet een oude schoolvriendin. Het is allemaal geen succes. Even woont hij samen met Carla, maar zij gaat vreemd.

Wat een deprimerende ellende. Het moet een vreselijk boek zijn. Dat vond ik dus niet. Pointl schrijft het allemaal op met een soort van gelatenheid en ironie. Zo merkt hij op dat Carla het erg goed met ene Fred kan vinden:

Ik bespeur dat ze tot het uiterste is verzadigd. Ik heb een brevet van onvermogen gekregen. Ik slaap al maanden niet meer in ons brede bed maar op een stretcher bij het raam.
Steeds prettiger ga ik me voelen, heb veel meer tijd om te lezen en muziek te beluisteren. Mijn dagboek wordt weer uitgebreider, zoals toen ik alleen was. Fred krijgt er een belangrijke plaats in. Tevergeefs wacht ik op het verdriet; waar blijft het?

Zo beschrijft Pointl al die autobiografische elementen waar een mens toch niet echt vrolijk van wordt op bijna laconieke wijze. Die schrijfstijl bevalt mij. De recensies waren na het verschijnen ook erg positief en het boek werd een hit na een optreden van Pointl in het programma van Adriaan van Dis. Hij heeft dit succes niet meer geëvenaard, maar dit is hem gegund.

28f5cbb30532bba597865635677444341587343
Terug naar Oegstgeest van Jan Wolkers is een Nederlandse klassieker. Weer een die ik nooit had gelezen dus snel de schade maar eens ingehaald. Het was überhaupt mijn eerste Wolkers-boek, dus ik was zeer benieuwd. Eigenlijk was ik meteen enthousiast. Op pagina 10 kom ik al een “strumakeeltje” tegen en op pagina 11 een “pilopak” en dan ben ik verkocht. Ik ging er eens goed voor zitten.

Het boek is eigenlijk een verslag van een terugkeer van de schrijver naar zijn geboorteplaats. De hoofdstukken worden afgewisseld met een bezoek in het heden (let wel, het heden uit 1965) en met beelden uit het verleden. We zien de volwassen Jan, we beleven de jonge Jan. Jan had een streng gelovige vader en bijbelteksten waren alom aanwezig:

Mijn vader en moeder vertegenwoordigen elk een deel van de uitspraak van Paulus: ‘Wees oprecht als de duiven en listig als de slangen’. Niet dat ik mijn moeder nooit oprecht als een duif heb gezien, maar mijn vader listig als een slang, nee, dat is nooit voorgekomen. En misschien komt die vergelijking van de duif en de slang ook wel door het draaiende nekje. Want als mijn vader wel eens schertsend zei dat hij de baas in huis was, zei mijn moeder altijd met een sluw en verlegen lachje: ‘De man is het hoofd en de vrouw het nekje. Als ’t nekje draait, draait ’t hoofdje mee’.

Ik moest bij het lezen van dit boek sterk denken aan de verhalen van Maarten ’t Hart over Maassluis en het verhaal van Geert Mak over Jorwerd. Uitspraken, gebruiken en een scherp oog voor detail geven het verhaal sfeer. De natuur is alom aanwezig (zelfs het spuugbeestje wordt hier al genoemd), hoewel Jan de natuur ook danig op vrij sadistische wijze om zeep helpt als hij in het laboratorium werkt. Het is maar dat u het weet. Overigens, schrijver en laboratorium, zorgde weer voor een Maarten ’t Hart déjà vu.

Als Jan terugkeert naar Oegstgeest gaat hij op zoek naar de oude delicatessenwinkel van zijn ouders. Er zit nu een middenstandsbank in. Die ‘sentimental journey’ levert mooie doorkijkjes naar het verleden op:

Ik keek…naar ons huis. Het zag er zo netjes uit. Geen verveloze plekken meer op het houtwerk waarop zomers door de hitte van de zon grote blaren kwamen…Ik kon er niet afblijven als kind….Op de waranda zaten geen pollen huislook meer en de buitenkast was verdwenen met zijn plank vol blauwe cirkeltjes waar de natte zakjes Recitts blauw hadden gestaan.

Het schiet mij aangenaam terug naar een tijd die ik niet eens heb gekend. Op persoonlijk vlak geeft hij nog een mooi beeld van zijn jonggestorven broer. Niet de beste vrienden, Jan heeft alle foto’s van zijn broer verbrand, maar Jan is wel bij zijn sterfbed. Het is mooi geschreven.

Het is een nostalgieboek en dat dubbelop. Voor de lezer, omdat het teruggaat tot 1965 en voor de hoofdpersoon, omdat het teruggaat naar zijn jeugd. Het is ook een beetje blij zijn met je eigen jeugd, maar dat mag. Ik heb er best van genoten.

NB: Overigens heeft dit boek tijdenlang onder de non-fictie gestaan als autobiografie, maar tijdens het lezen van de biografie van Wolkers werd duidelijk dat het niet als autobiografie was bedoeld, maar als autobiografische roman. Daarom is hij nu onder de fictie terug te vinden.

d324eba74bfed36592b65365a67444341587343
Ischa Meijer behoort voor mij tot een klein gezelschap oorspronkelijke televisiemakers met een eigen signatuur. Je houdt er van of niet, maar voor mij maakten ze televisie die het waard was om naar te kijken. Boudewijn Buch en Theo van Gogh behoren er ook toe. Ik vond lang niet alles goed, maar er gebeurde altijd wat. Eigenlijk heeft het nog lang geduurd voordat ik I.M. van zijn partner Connie Palmen las.

Zij ontmoeten elkaar voor het eerst als Ischa Connie interviewt. Enige tijd later komen ze elkaar toevallig tegen en met deze regels begint het boek:

Hij sluit de voordeur van de Reestraat af als ik vanaf de Prinsengracht de hoek om kom. We blijven allebei verstard staan, kijken elkaar aan en zeggen niks. Hij wou naar mij toe en ik naar hem, dat weten we. Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd uit dat hij in zijn broek heeft gepoept.

Dan zit je er wel meteen lekker in, zeg maar. Ze ontmoeten elkaar en laten niet meer los. Het is een heftige verhouding, waarin Ischa genadeloos maar ook zeer liefdevol wordt neergezet door Connie. We kennen allemaal de verhalen over zijn hoerenlopen, de ontrouw, zijn vileine kanten, maar ook zijn onzekerheden, zorgzaamheid, angsten en verdriet worden niet verdonkermaand. Het valt me op dat Connie zich met huid en haar overlevert aan Ischa en meestal accepteert wat hij doet. Af en toe geeft ze even stevig tegengas, maar eigenlijk kan ze geen minuut meer zonder hem.

Het boek gaat over hun vele reizen naar de Verenigde Staten, het gaat over zijn alomtegenwoordige ouders, het gaat over hun werk. Connie wordt woest als Ischa persoonlijke ontboezemingen schaamteloos in zijn column De Dikke Man opneemt. Het is fascinerend om te lezen hoe hij het voor elkaar krijgt om het toch te mogen publiceren.

Het zijn twee mensen die ongelofelijk gek op elkaar zijn en elkaars kuren verdragen, omdat ze niet anders kunnen. Hoe het afloopt is duidelijk, en daardoor des te schrijnender als je het boek leest. Daarom als citaat de laatste regels van het boek (niet lezen als je er nog aan wilt beginnen), voor het prachtige In Memoriam dat daarna nog volgt;

“Jij vindt toch ook dat we goed bij elkaar passen?”
“Ja.”

“Ik ook”, zegt hij. “Weet je waaruit ik dat onder meer kan opmaken?”
Al zou ik het weten dan zou ik het nog niet zeggen, want ik hoor hem veel te graag praten en zoiets beweren als wat hij nu zegt, dat hij houdt van Amsterdam, maar dat hij iedere keer weer een beetje treurt om het einde van onze reis.

Later zal ik juist dit moment aangrijpen in mijn herinnering om mijzelf de kwelling aan te doen van het onvoorstelbare, om de pijn te hebben van de onwetendheid van het getal van de tijd waarin ik verkeer, omdat het me dan nog ontbreekt aan de gruwelijke kennis dat hij vanaf dat moment nog maar driemiljoenzeshonderddrieënveertigduizendtweehonderd seconden, nog maar zestigduizendzevenhonderdtwintig minuten, nog maar duizendtwaalf uren, nog maar tweeënveertig dagen zal leven.

Interview van Ischa Meijer, de eerste liefde van Connie Palmen, met Hans van Mierlo, de tweede liefde van Connie Palmen. Beiden inmiddels overleden.

a730a9c156a3dac593750345477444341587343

Ik weet al niet eens meer hoe ik aan Mijn Getijdenboek van Harry Mulisch ben gekomen, maar het zal zo’n niet te missen kans op Marktplaats zijn geweest. Het stond al een tijd geduldig op zijn beurt te wachten totdat ik toe was aan een snel boek voor tussendoor. Nu dus.

Het is een soort autobiogafie met veel fotowerk, tot aan het jaar 1951. Dan heeft hij nog een heel leven voor zich, maar ik vond het toch het lezen waard. Het is ook niet als twintiger geschreven maar pas in 1975 uitgebracht. Nu mocht ik Mulisch bij leven altijd graag horen praten, met die licht hautaine manier. Die klinkt hier ook al in door en dat levert mooie kost op, zoals een bijschrift bij een foto waar zijn vader op staat:

Eén van de officieren op de afgebeelde theevisite is naderhand generaal onder Hitler geworden. Wie van hen dat is weet ik niet meer, maar ik wed dat het die man daar linksboven is: die bevalt mij in het geheel niet.

Mulisch schetst aan de hand van foto’s en documenten het milieu waar hij vandaan komt. Het gaat over zijn Oostenrijs-Hongaarse vader, die collaboreerde met de Duitsers en de Tweede Wereldoorlog die zo belangrijk voor hem was. Het gaat over zijn jeugdzonden, zoals de diefstal van een boek met tekeningen van Van Meegeren uit de bibliotheek. Hij is gesnapt, niet bij de diefstal, maar omdat hij er zijn mond niet over kon houden. Het rechtbankstuk wordt ook paginagroot afgedrukt. Het zegt wat over Mulisch.

Het gaat over zijn jeugdliefdes, zoals Ada. In typische Mulisch-stijl gaat dat zo:

Ik ontmoette mijn vierde, of misschien moet ik nu zeggen mijn eerste grote liefde: Ada. Zij was vier jaar ouder dan ik en barstte in tranen uit toen zij hoorde, dat ik pas achttien was. Drie jaar zijn wij samen opgetrokken, dat wil zeggen niet eeuwig, zoals ik mij toen had voorgenomen, en sinds lang is zij getrouwd met een pakistaanse prins in Karachi – of men het gelooft of niet. Dat is toch wel het minste, dat ik na mij verwacht.

Wat leuk is aan het boek is dat Mulisch zijn leven en ervaringen koppelt aan de boeken die hij heeft geschreven. Hij geeft aan wat als inspiratie diende en waar je het in zijn werk terug kan vinden. Maar hij had ook een ander doel:

Ik beschouw mijn levensloop als een bron van inzicht, een fons vitae, en zo zou iedereen tegenover zijn verleden moeten staan…men moet zijn verleden verzorgen, zoals men ook zijn lichaam verzorgt…Bovendien wil ik, dat mijn leven buiten zijn oevers treedt en een eigen leven gaat leiden…Ik wil dat mijn leven ieders eigendom wordt, zodat ik zelf stilletjes door de achterdeur kan verdwijnen.

9044610236.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Een Dorsvloer Vol Confetti van Franca Treur was mij al in de media opgevallen door de lovende recensies die het boek ontving. Het is een sfeervol verhaal over een Zeeuwse, orthodoxe boerengemeenschap waar de hoofdpersoon, de boerendochter Katelijne van 12 jaar zich doorheen beweegt.

Katelijne woont in een groot gezin met zes broers. Die broers zijn belangrijk voor het boerenbedrijf, voor Katelijne geldt dat niet. Zij helpt in huis, of ze het nu leuk vindt of niet:

‘Je bent nu eenmaal het enige meisje.’ En ze moet goed begrijpen dat ze net als iedereen de verantwoordelijkheid heeft ‘om het hier allemaal draaiende te houden’. De vader pakt haar arm en neemt haar mee naar de keuken, waar het aanrecht vol ligt met kaaskorsten, gebruikte sponsjes en pannen die aangekoekt zijn…’Het aanrecht en de wc,’ zegt hij. “Daaraan kun je zien of je een goede huisvrouw bent.’

Voilà, behoudend Zeeland in de jaren ’80 en ’90. Wat het boek zijn charme geeft zijn de kleine details die overal genoemd worden. De kartonnen die buurman Sekker meeneemt en waar vader op bijhoudt welke vaarzen er koeien zijn geworden, welke koeien een kalf rijker zijn en welke koeien weg kunnen omdat ze te weinig melk hebben gegeven. De aanstaande zilveren koe op de schouw voor bijna 30 jaar levering van eersteklas melk, de bouillon en het sudderlapje van oma. Platter kan het land niet worden…

En dan is er de kerk. De verwijzingen naar het geloof zijn talloos. Meerdere diensten op de zondag die bezocht kunnen worden en het geloof zit altijd in het achterhoofd. Jannemieke, de vriendin van broer Rogier komt logeren. Natuurlijk slaapt zij niet bij Rogier, maar bij Katelijne in de twijfelaar:

 Wat gebeurt er als zij bij Jannemieke in bed ligt op het moment dat Jezus terugkomt op de wolken? Jezus zegt in een van de evangeliën ‘In dien nacht zullen twee op één bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.’ Ze zal Jannemieke nooit kunnen inhalen.

 Dat is een beetje de sfeer die het hele boek ademt. Traditioneel, behoudend, godvruchtig. Af en toe merk je dat je in nog in de twintigste eeuw zit als de Beatles en Led Zeppelin worden afgezet tegen de Bijbel, maar ik betrapte mij er menigmaal op dat ik verder terug in de tijd zat te denken. Misschien was dat ook de bedoeling. Leuk om een keer een kijkje in zo’n gemeenschap te hebben, des te tevredener ben ik met mijn gemeenschap hier.

904141651X.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Ik loop weer eens jaren achter de hype aan, want iedereen heeft Het Diner van Herman Koch al gelezen. Nu kan ik het op mijn gemak tot me nemen en eens kijken wat ik er van vind.

Misschien nog een piepkleine uiteenzetting van waar het over gaat. Paul Lohman en zijn vrouw Claire gaan uit eten met Serge Lohman en zijn vrouw Babette. Paul en Serge zijn broers. Paul is een geschiedenisleraar op non-actief en Serge staat op het punt de verkiezingen te winnen en landelijk een politieke prominent te worden.

Zij eten niet voor de lol maar moeten het nodig over de kinderen hebben. Via de mobiele telefoon van zijn zoon Michel is Paul achter een geheim gekomen. Zijn zoon en Serge’s zoon Rick hebben iets gedaan. Iets ernstigs. Dat wil je als ouder niet. Voor die paar mensen die het boek toch niet kennen zal ik de plot maar verzwijgen.

Het schept echter een interessant gegeven. Hoe ga je als ouder om met een kind dat iets ontoelaatbaars heeft gedaan, waar schande van gesproken wordt. Je komt in een vreemde spagaat terecht:

Sinds een paar uur…wist ik dat het waar was. Michel was de leider van de twee, Michel deelde de lakens uit, Rick was het volgzame watje. En diep in mijn hart was ik blij met deze rolverdeling. Liever zo dan dat het andersom was, dacht ik bij mezelf.

Serge moet als landelijke beroemdheid hier ook mee overweg kunnen en hij trekt een conclusie. Hij wil niet dat hij dagelijks onverwacht geconfronteerd kan worden met het geheim van zijn zoon en hij gaat een landelijke persconferentie geven. Paul en zijn vrouw Claire hebben ook een keuze gemaakt en dat leidt tot een confrontatie met Serge. De afloop houd ik maar voor mijzelf.

Het Diner is een boek met een aantal thema’s. Bijvoorbeeld morele dilemma’s. De keuze tussen rechtvaardigheid en de liefde voor je kind. Bijvoorbeeld medische wetenschap. Paul heeft zelf nare trekjes, hij is niet voor niets op non-actief gesteld. Als hij daaraan herinnerd wordt door Michel’s rector in een discussie draait hij door:

Ik greep hem bij zijn haar en trok zijn hoofd naar achteren, met grote kracht beukte ik het vervolgens tegen het raamkozijn…Er waren veel mensen op het schoolplein…Ze keken allemaal naar boven – naar ons. Ik zag de jongen met het zwarte mutsje meteen tussen de rest, het had iets vertrouwds, iets geruststellends, om tussen al die gezichten een gezicht te zien dat ik kende…Ik zwaaide. Dat weet ik nog goed. Ik zwaaide naar Michel, en ik probeerde te lachen.

Papa spoort soms niet en vervolgens laat zijn zoon ook heel nare dingen zien. Dat werpt de vraag op of hier een medisch aspect aan zit en dat is ook een interessant gegeven in dit boek. Verder heeft Serge nog een geadopteerde zoon uit Burkina Faso en die speelt ook een rol in het geheel. Geadopteerd uit liefde of komt het ook goed uit voor het imago? Is de liefde voor hem even groot als voor je eigen kinderen? Last but not least de daad van Michel en Rick. Ongeoorloofd, ontoelaatbaar, maar is het te begrijpen? Kunnen we ons verplaatsen in de daders? Ook die vragen worden in het boek gesteld en bieden stof tot nadenken.

Is de hype daarmee terecht? Ten dele wel. Het boek is uitgeroepen tot Winnaar van de NS Publieksprijs 2009 en wie ben ik om dat te betwisten. Maar…Ik vond het verhaal traag op gang komen. De eerste honderd pagina’s werd ik niet gegrepen. Daarna wel. Als eenmaal bekend is wat het delict is wordt ik nieuwsgierig naar hoe de ouders er mee om gaan. Het heeft mij aan het denken gezet over hoe ik zou handelen als het mijn kind zou zijn. Dat is een verdienste. Jan Anton (scrollennaar5augustus2010) toont aan dat er wel wat rammelt aan de inhoud en ik ben het daar grotendeels mee eens (niet met de Dame Blanche-kritiek, in het boek staat dat het vreemd is dat dit dessert überhaupt op de kaart staat). Het zijn maar een paar kanttekeningen. Het boek is snel uitgelezen en daarmee misschien wel erg van deze tijd.

6d5d5dc4bbc9b03592b426d5877444341587343

Met Bonita Avenue heeft Peter Buwalda een behoorlijke page-turner afgeleverd van 543 pagina’s.

  

Het verhaal draait om Siem Sigerius, de eminente rector-magnificus van de Tubantia universiteit. Hij heeft twee stiefdochters, Joni en Janis en een zoon, Wilbert. Joni is bloedmooi en verdient samen met haar vriend Aaron bakken met geld door de exploitatie van een sexsite. Aaron is fotograaf en Joni het model waarvoor mannen graag betalen om haar te zien. Janis speelt een kleinere rol in het geheel maar Wilbert niet. Hij is veroordeeld voor doodslag, zit vast en komt gedurende het verhaal op vrije voeten.

 

Maar het draait om Siem. Hij is een wiskundig genie en ex-topjudoka die net de Olympische spelen heeft misgelopen. Siem heeft een avontuurtje met een eerstejaars en in zijn wellust belandt hij ook op verschillende sexsites. Daar ziet hij een dame die verdacht veel op zijn stiefdochter lijkt, maar hij is er niet zeker van. In een Chinese hotelkamer peinst hij:

 

Die ogen, ziet hij met vertraging, zijn blauw. De ogen zijn staalblauw. Een golf van geluk stroomt door zijn lijf, Joni’s ogen zijn; donkerbruin!…Nog steeds opgelucht gooit hij zijn badjas uit en loopt naakt naar de minibar…Hij zet de televisie aan en neemt grote slokken bier. Hij zapt langs een Chinese opera, een film met Kevin Kostner en Whitney Houston, een kickbokswedstrijd…Dan gaat het over een ongeluk in een of ander buitenland. Hij ziet een Europees aandoende woonwijk op klaarlichte dag, vuurwerk boven huizen. God in de hemel, wat een opluchting. Het geknetter en geplof op de televisie neemt toe, het beeld wordt schokkerig…

 

Zo introduceert Buwalda bijna terloops de grote ramp in Enschede, de ontploffing van de vuurwerkfabriek. Het huis van Aaron is getroffen en hij kan tijdelijk zijn huis niet in. Die ramp is meteen het daverende startschot voor een maalstroom aan gebeurtenissen die uiteindelijk leiden tot de dood van de rector, die inmiddels Minister van Onderwijs is.

 

Geef ik hiermee het plot weg? Niet echt. Het wordt al vrij snel in het boek duidelijk dat Siem het niet overleeft en dat heeft te maken met de verteltrant. Het heden en verleden lopen door elkaar heen. Voor in het verhaal komt Aaron in de trein Tineke tegen, de vrouw van Siem. Zij vertelt hem dat Siem dood is. Aaron woont dan in een Belgisch dorpje en is schoolfotograaf zonder ambities. Hij lijdt aan depressies, verwaarloost zichzelf en probeert in contact te komen met Joni. Zij woont inmiddels  in de Verenigde Staten en verdient veel geld in de sexindustrie.

 

Het feit dat heden en verleden door elkaar lopen stoort niet, het is een kunstig in elkaar vervlochten geheel. Buwalda laat via kleine uitstapjes zien hoe het gezin bij elkaar is gekomen. Toch vertonen de familiebanden grote rafelranden en ook Siem vraagt zich af: waarom is Wilbert zo ontspoort? Waarom moet Joni, een vrouw die alles mee heeft, haar geld verdienen in de porno-industrie? Er zijn een hoop geheimen in de familie. Luister mee met Siem en Aaron tijdens een partij judo:

 

‘Aaron,’ opende hij uiteindelijk zelf, ‘wat denk je, komt het nog goed met Joni?’…’Heb jij haar nog gesproken?’ ‘ Nee, ik mag haar niet bellen. En je kent Joni.’

Ken ik Joni? Laat me niet lachen. ‘Ik vind het verschrikkelijk, Siem.’
Ze zwegen even Aaron leek ergens over te twijfelen, waarna hij vertelde dat ze Wilbert ging ontmoeten. Dat had hij haar nog tijdens de laatste ruzie ontfutseld. ‘Maar Siem, alsjeblieft,’ zei hij met zijn stem als een vod, ‘je hebt het niet van mij.’

 

Die geheimen moeten wel leiden tot een zinderend slot. Dat komt er. De publiekelijk zelfverzekerde Siem is privé onzeker en belandt uiteindelijk in situaties waarin een minister zich niet wenst te bevinden. Het verhaal wordt verteld tegen de achtergrond van de vuurwerkramp, het opkomend internet, judo en jazzmuziek, wiskunde en porno én de EK-wedstrijd tussen Frankrijk en Nederland. Het gaat over verraad, geheimen, woede, afpersing, vaderliefde en generatiekloven. Geen idee waarom je het niet zou lezen.

 

Vers van de pers: Bonita Avenue staat op de shortlist van de Libris Literatuurprijs.