archiveren

Tagarchief: gedichten

b12ca5368b99d2559356b4b5967444341587343
Als poëzieliefhebber mag de klassieker Snikken en grimlachjes van François Haverschmidt ofwel Piet Paaltjens niet ontbreken in de boekenkast. Het is meteen zijn bekendste werk en ook het enige dat ik ken tot nu toe. Ik heb er van genoten. Het zijn gedichten die op eigen wijze een beeld geven van vooral de studententijd van de dichter (Nostrorum Sanitas en Iö vivat komen veelvuldig voor). Haverschmidt heeft theologie gestudeerd in Leiden, dus de verhalen lijken uit het leven gegrepen. Daarbij komt dat ik een zwak heb voor de 19-eeuwse opgezwollen taal der poezië en het kan allemaal niet meer stuk. Een proeve over een ontmoeting met een vrouw in voorbijgaande trein.

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein
Waar ik mee reed passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder helsch geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Heerlijk, zo moet het. Onverbloemde sentimentaliteit, gegoten in een gedicht. Haverschmidt verloochent zijn studentenleven allerminst, evenals zijn Friese afkomst, getuige het gedicht De Friesche Poeet. Maar het zijn toch vooral de ironisch wrange stukjes die het meest bijblijven en waardoor deze bundel zo aantrekkelijk is. Zo woonde Haverschmidt in Leiden boven een doodbidder, die hij doodleuk in één van zijn gedichten opnam

Als ik een bidder zie loopen,
Dan slaat mij ’t hart zoo blij.
Dan denk ik hoe hij ook weldra
Uit bidden zal gaan voor mij.

Dat is het mooie van deze gedichten. Haverschmidt bestreed zijn neiging tot depressiviteit met cynische romantiek. Ik word er blij van.

cd0e0c7ed1afc14593735675967444341587343

Ik kocht De gedichten van nu en vroeger van J.W. Oerlemans na het lezen van het Aan mijn voormalig vaderland van Michaël Zeeman. Daar heb ik geen spijt van. Zeeman beschreef Oerlemans als een monumentale minor poet en een in zichzelf gekeerde tuinman die achter een hoge haag naar zijn eigen inzicht een particuliere lusthof aanlegde.

Dat van die lusthof onderschrijf ik. Ik lees wel vaker poëzie, heb er verder geen verstand van dus ga erg af op mijn gevoel. De gedichten van Oerlemans, en dan met name die uit zijn latere bundels in dit boek (en dan heb ik het toch al weer over 1992) passen mij als een jas. Ik vertoef graag in die wereld. Alleen de titels van zijn laatste bundels vind ik al een feest, De maan passeren in gewichtloze kano’s en Een zeer lichte regen uit de eeuw van Duparc.

De natuur is alom aanwezig in zijn gedichten, maar ook de dood, het verval en herinneringen aan plaatsen of personen worden vaak gebruikt. Zeeman noemt het ‘een dauw van melancholie’ die over de gedichten ligt. Misschien dat ik er daarom enthousiast over ben. Datzelfde vind ik ook in de gedichten van Slauerhoff, waar ik ook een fan van ben. Een mooi voorbeeld is het gedicht Oud Huis:

Zo scherp sleep de wind
langs het huis
dat je het slijten
kon horen
het huilen van de muren
en hoog daarboven uit
de zinken dakgoot
halfzingend van bederf

Natuur, verval, maar ook saudade. Het zit er allemaal in. In zijn gedichten vind ik ook elementen terug uit de Japanse haiku. Die hebben een vast rijmschema dat hier ontbreekt, maar haiku worden vaak gekenmerkt door thema’s uit de natuur, met een verrassende ‘twist’ op het eind van het gedicht. Dat hebben de gedichten van Oerlemans ook, zoals Avond op het land:

De bossen mompelen
krakend in hun wortels
de koeien brullen om boeren
schurken aan de hekken

zo vergaan de ogenblikken
ik stoot de lucht uit van vorige
sekonden en verzet mij niet meer.

Het eerste deel is mooi te refereren aan de titel van het gedicht, het tweede niet. Verzet waartegen? Alleen de dichter weet het, wij mogen interpreteren en zo hoort het. De dood mag zich ook verheugen op Oerlemans’ onverdeelde aandacht en dat levert ook mooi werk op, zoals Mijn vader:

Zijn handen bewogen zich
als kreeften –
gekromd
trokken zijn nagels
diepe sporen in het laken
laatste achterwaartse verzet
tegen dokters en dood.

Het zijn 234 pagina’s poëzie die ik veel te snel heb gelezen. Bundels als deze pak ik echter regelmatig uit de kast om nog eens te proeven van het werk. Dat zal met deze niet anders zijn.

9057592142.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_

Ik leerde van de dichtbundel Kleur komt nooit alleen van Antjie Krog door Michael Zeeman. Hij was er enthousiast over en ik deel dat. Het is een overdonderend werk, niets meer dan dat.

Eigenlijk las ik de bundel twee maal. Eerst het gedicht in het Nederlands, daarna hetzelfde gedicht in het Afrikaans. Dat moet, want het voegt iets toe. Het is een zangerige taal met een eigen idioom. Het geeft de woorden een eigen lading mee:

Ze gooien stenen door de ruit
niet huilen Nontuthuzelo, zeg je
een mens sterft maar één keer
kom doe de bonen in de pan

hulle gooi klippe deur die venster
moenie huil nie Nontuthuzelo, sê jy
’n mens sterf net eenmaal
kom sit die boontjies in die pot

Bovenstaande geeft voor mij aan dat alleen een Nederlandse vertaling niet voldoet, dat doet afbreuk aan het werk, maar het is wel erg handig om de strekking goed te begrijpen. Hulde voor de uitgave daarom. Waarom vind ik deze bundel zo mooi?

Het zijn gedichten die onverbloemd weergeven waar het om gaat. Krog is geen mooipraatster, alles komt recht uit het hart, onverbloemd. Ze is betrokken bij haar land en continent. Was als studente al een voorvechtster voor gelijke rechten voor zwart en blank. Volgens Wikipedia stond de pers al bij haar ouders op de deurmat toen ze in de schoolkrant schreef:

Gee vir my ’n land waar swart en wit hand aan hand
vrede en liefde kan bring in my mooi land

In die geest is deze bundel ook geschreven. Soms dondert en davert het zoals in het wrange Klaaglied:

geruisloos draf die dood deur die donker
draf die kappende, dolwende, snuiwende dood
(daar’s gister en môre, maar nóú is ondraaglik)
in die gouddonker hart van Rwanda
– (die skitterswart hart van almal)
kap ’n panga die tande dwars in sy gesig
kloof ’n panga haar vagina tot ravyn
skil ’n panga die kleintjie se kop soos ’n ui
die heuwels word wakker in ’n droesem van bloed
en die onwelvoeglike spektakel van been

Nooit eerder heb ik de gruwelen van Rwanda zo horen verwoorden; het gaat door merg en been. Maar Krog kan ook heel klein schrijven, intiem. Dat is misschien nog wel mooier dan de uithalen van hierboven:

sj-sj
stil maar
soet
slaap sag
slaap heel
en swart gekantel

kindertjie myne

kindertjie natgebore nou

Het gaat over mensen, over liefde, over oorlog en over het land zelf. Geen lofzang op de Afrikaanse verten, wel over het soms angstaanjagende landschap:

’n landskap soos dié maak my bang
reeds tussen Brandkaros en Bloedrif steek dit jou onder de klip

Tot mijn verrassing was ik toch niet helemaal onbekend met het werk van Krog. Toen ik aan het prachtwerk Skryfode (Schrijfode) toekwam las ik een frase die ik kende, al heb ik mijn hersens gepijnigd waarvan. Ik weet het niet, maar het was blijven hangen en zal blijven hangen, omdat het zo verschrikkelijk mooi is:

ek wil weet waar slaap hy vannag?

hier of daar
bogronds of onder
ek wil terug na die plekke waar ek onstwee gemaak het
iets in my het opgegroei om jou te vind
en op daardie moment het pyn klank geword
wat van toe af duur
tot nou toe
moenie weggaan nie
ooit van mij nie

9e179d94cb7acec5932307a5251444341587343

Onlangs kreeg ik van iemand de dichtbundel Vrijwel alle gedichten van Jules Deelder. Dat was attent want ik had mij maanden terug pas één maal laten ontvallen dat ik de man hoog acht om zijn tomeloze spraakwatervallen en ingevingen. Nu mag ik graag zo nu en dan een dichtbundel ter hand nemen om met mate enige gedichten tot mij te nemen.

Die savoureer ik dan, laat mijn gedachten erover gaan en ga weer over tot de orde van de dag.

Dat ligt bij Deelder toch wat anders. Hier valt niets te savoureren. Hier stap je in en je dendert meteen vooruit. Ik ben natuurlijk bekend met zijn optredens, zijn accent en zijn voorkomen. Als je zijn gedichten leest neem je dat mee en eerlijk gezegd is dat een voordeel. Kom ik zo op terug.

De gedichten variëren van eenregelige zinnetjes tot onafgebroken, paginalange spraakwatervallen. Soms zijn de gedichten als een compositie neergezet, schuin onder elkaar, soms staat er een zinnetje onderaan een witte pagina. Veel gedichten hebben de Deelder-schwung; sfeerscheppend, maar met twist op het eind, als een verlengde haiku. Een voorbeeld is De Tiende Mei:

Het was een stralende dag
Toen de oorlog uitbrak
Velen volgden vanaf het dak
De luchtgevechten om de stad
Waarbij men aanvankelijk
Slechts aan manoeuvres van
De eigen luchtmacht dacht
Die vanwege de bij leven
Reeds legendarische dubbel
Gestaarte Fokker G1 jager
Door menigeen onverslaan-
Baar werd geacht tot men
De eerste Messerschmitt’s
In actie zag die als valken
Door het luchtruim jaagden
Op alles dat zich boven
De aarde waagde – maar toch
Het mocht oorlog zijn zoveel
Het wilde – dat mooie weer

Pakte niemand ons meer af.

Werkelijk subliem is het Portret van Olivia de Haviland. Een gedicht van mitrailleur-achtige proporties: 892 korte zinnen die op je afgevuurd worden over 27 pagina’s. Hier heb ik Deelder’s beeld niet bij nodig, dit verhaal doet zelf zijn werk. Waar het wel een voordeel is om hem te horen spreken zijn de ultrakorte gedichten:

Hoort! Zegt het voort!

Atlas Ruimt Op!

Daar kan ik niet zo veel mee, maar met zijn tongval in mijn achterhoofd gedoog ik ze. Gelukkig is het merendeel een mooie maalstroom van woorden en vondsten. Naast bekende thema’s als de oorlog en de jazz zitten er verrassende, haast lyrische, gedichten tussen.

’s Nachts hoor ik
In het donker soms
Het huilen van
Een laatste wolf
De laatste wolf die
Hier nog rondloopt
De allerlaatste
In z’n soort
Onrustig doolt hij
Door de tuinen
Z’n jachtgebied om-
ringd van huizen
Hij is een jager
En zichzelf ten prooi
Hij is de laatste

En gezien nog nooit

 

Vooruit, hier sta ik dan af en toe even bij stil, om vervolgens door te denderen met het volgende gedicht, het bekende

Jazz is, Jazz leeft, Gebeurt, Beweegt, Jazz neemt, Jazz geeft, Jazz weet, Jazz spreekt

enz. enz. enz. Het is een bundel om regelmatig uit de kast te pakken.

18-02-2019; Nabrander…Ik zie het nu pas, maar voorin staat, zoals gebruikelijk, de uitgeverij genoemd. Hier ook; 2010 De Bezige Bij Rotterdam. De uitgeverij zit alleen in Amsterdam… Prachtig detail 🙂

748eb35be4d78f25936346e5251444341587343

In mijn vorige bericht gaf ik aan dat ik geen herlezer ben. Enige nuancering is hier op zijn plaats. Gedichten herlees ik wel. Soms één, soms een paar, nooit een hele bundel in één keer. Ik behandel ze als wijn. Ik drink voorzichtig, savoureer ze, spuug ze soms weer uit maar geniet er meestal van. Gedichten van Slauerhoff zijn voor mij Grand Cru.

Dat komt door Cristina Branco. Vanaf het moment dat zij Os solitáros inzette heb ik een onbestemd verlangen naar de fado aan de oevers van de Taag. Slauerhoff’s gedichten, maar zeker ook zijn korte verhalen ademen die saudade, dat verlangen. Niet alleen naar Portugal, maar ook naar het Verre Oosten, naar Afrika of naar welke zee dan ook. Vaak broeierig, soms dromerig, maar altijd sfeerscheppend. Een machtig gedicht is Oceaannacht. Het beschrijft de wereld van verzonken schepen. Wat lang om integraal weer te geven, maar een kleine proeve kan altijd:

Een afgedreevne wankelde op de nok
Van een basalten doodskist, door de baren
Half blootgewoeld, waar groenlicht wier langs trok:
Na de dood lang diep doorgegroeide haren.

Schepen, in vroegre zeeslagen gezonken,
Dwaalden nog immer groene diepten door, en
Het water stroomde in en uit de poren
Van de gebarsten en doorschoten rompen.

En zo gaat de man veertien versen lang door. Je zou zo duiklessen nemen. Slauerhoff is niet oud geworden, 38 jaar. Onlangs kocht ik zijn rouwadvertentie voor luttele euri en af en toe kijk ik er naar, ontroerd, en pak ik het gedicht wat mij het meest na aan het hart ligt:

Aan de fontein

Zij spant haar boezem, achteroverhellend.
Een dubble straal ontspringt de borstkoralen
En valt, uiteengespreide bogen welvend,
Doeltreffend in de ontvangende bokalen,

Over wier randen witte kransen wellen.
Er onder zit een nimf bij het ovale
Bassin de droppen – één moment opalen! –
Aandachtig door haar holle hand te tellen.

Over haar beeld, in donker water deinend,
Tintlen goudvisschen, roode gloed rondschijnend,
Als diepgezonken vonken van de zon.

Stil onder ’t looverruischen, droppelklaatren,
’t Hoofd hoog als overzag ze verre waatren,

Zit de godin bij haar beperkte bron.

Waarom keer ik hier steeds weer naar terug? Geen idee, het is een gevoel. Ik heb alle gedichten meermaals gelezen en zal dat blijven doen. Weemoed is een mooie emotie. Terugdenken aan de mooie dingen, verdriet over wat voorbij is. Onbestemd verlangen. Ik denk dat ik maar nooit naar Portugal ga.

IMG_2491