archiveren

Geschiedenis

9044537911.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Elisabeth Leijnse heeft twaalf jaar geschreven aan haar dubbelbiografie Cécile en Elsa. Dat zijn de zussen De Jong van Beek en Donk en die krijgen de ondertitel strijdbare freules mee. Dat is niet voor niets, ze maakten meer dan genoeg mee om een biografie te rechtvaardigen.

De zussen groeiden op in een beschermd adelijk milieu. Op jonge leeftijd hadden ze dromen en ideeën te over en ze richtten zowaar een bond op, de ‘Bond ter bestrijding eener Gruwelmode’. Deze bond streed tegen het gebruik van vogelveren op dameshoeden en daaruit is de Vogelbescherming voortgekomen.

Zowel Cécile als Elsa trouwen. Cécile met de steenrijke Adriaan Goekoop, eeen Haagse bouwondernemer. Elsa zal trouwen met de componist Alphons Diepenbrock. Cécile zal zich onderscheiden door de organisatie van de eerste tentoonstelling over vrouwenarbeid en schrijft een zeer populaire feministische roman, Hilda van Suylenburg. Haar huwelijk met Goekoop is geen gelukkig huwelijk, ze zullen uiteindelijk scheiden.

Elsa is ook niet gelukkig met haar componist. Alphons is verliefd op een ander en Elsa gedoogt, tot ze het zelf aanlegt met de componist Matthijs Vermeulen. Dat duurt maar een jaar en ze blijft bij haar man.

Cécile zal na haar scheiding verhuizen naar Parijs waar ze de weduwnaar van haar nicht trouwt. Met hem krijgt ze haar enige zoon. Elsa en Alphons krijgen twee dochters. Alphons kan zijn buitenechtelijke relatie niet voortzetten en het echtpaar blijft bij elkaar tot Alphons overlijdt. Cécile zal in Parijs nog twee romans schrijven en zich uiteindelijk in de oorlog ontwikkelen tot een rabiate antisemiet.

Elsa waakt in Nederland over de nalatenschap van haar man, net als haar dochters dat na haar zullen doen. Odilia Vermeulen, dochter van componist Matthijs Vermeulen en Thea Diepenbrock zet hun werk voort.

Dat is in vogelvlucht de inhoud van het boek en daar doe ik het meteen ongelofelijk mee tekort. Het is heel veel meer dan dat. De auteur had de beschikking over een enorme hoeveelheid aan documentatie. Talloze brieven (alleen de correspondentie van Alphons Diepenbrock omvat al tien omvangrijke boeken), vuistdikke biografieën én veel informatie van nabestaanden én direct betrokkenen. In de epiloog geeft Leijnse ook aan dat ze heeft moeten schrappen; 400 pagina’s alleen voor de jeugdjaren zou wat teveel van het goede zijn.

Dan blijven er altijd nog 500 pagina’s over met een overvloed aan informatie, maar allemaal uiterst leesbaar opgeschreven. Het boek is daarmee meer dan een dubbelbiografie. Het geeft een tijdsbeeld weer. Van de aristocratie in de 19e eeuw, van het muziekleven in die tijd met mensen als Wagner, Mahler, Strauss en Mengelberg. Het gaat over de invloed van het geloof, met name op huwelijken tussen protestanten en katholieken, het gaat over het feminisme en vrouwenarbeid, we gaan van de Eerste naar de Tweede Wereldoorlog en hiermee worden de levens verweven van de zussen, hun mannen, ouders, minnaars en kinderen.

Daarmee zindert dit boek nog een beetje na. Op persoonlijke titel gaat mijn sympathie uit naar Elsa. Dat komt omdat zij de hoofdpersoon was in mijn vorige bespreking, getrouwd was met een componist wiens muziek ik hoog acht, maar ook door de ontberingen die zij heeft moeten doorstaan. Een volledige toewijding aan haar overspelige echtgenoot, waarvoor ze zo weinig terug kreeg en waar zij zich nog schuldig gaat voelen over haar verbittering dat ze bijna geen seksueel leven had bijvoorbeeld;

De meeste menschen vragen ook teveel van het leven, ik deed en doe dat in zulke oogenblikken ook. Een altijd zonnig land is onvruchtbaar, de woestijn, en ik weet ook dat er juist in die beperking van levensvreugde de grootste waarde ligt van het leven én van de vreugde. Il faut faire la part du feu. En mijn leven is naast en door hem toch al zoo heerlijk rijk en warm.

Er staan veel brief- en dagboekfragmenten in dit boek, naast veel foto’s. Dat verlevendigt het boek. Dat geldt ook voor de talloze details, zoals wanneer de componist Schönberg op bezoek komt bij Diepenbrock;

Hij vertelde dat hij twee leerlingen had meegebracht die nog grotere kakafonikers waren dan hijzelf. Het drong tot Fons door dat de schüler waarover Schönberg sprak, beneden in de stromende regen stonden te wachten tot hun onderhoud zou zijn afgelopen. Hij liet ze druipnat naar boven komen.

Niemand minder dan de componisten Alban Berg en Anton Webern stonden lijdzaam in de regen te wachten voor Diepenbrock’s huis. Ik kan daar dagen van nagenieten.

Het is een rijk boek dus en het wordt keurig afgesloten hoe het met de hoofdpersonen afloopt. Wie wanneer overlijdt, dat zie je vaker in biografieën en dat hoort zo. Wat niet per se hoort, is dat deze biografie wordt afgesloten met de  beschrijvingen en het overlijden van de dienstboden van Elsa en Cécile; Koosje en Miss Cappelle. Personen die zij in hun leven en wij in de biografie vaak tegen zijn gekomen, maar die weinig aandacht kregen. Tot nu. Beiden hun leven lang ongetrouwd en in dienst van de familie. Dat verraste en ontroerde tegelijk.

Lees ook vooral de bespreking van Bettina hier.

download
De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten van Marieke van Delft en Reinder Storm is een groot boek van 34 x 29 cm en zo’n 387 pagina’s dik. Het moet ook een groot boek zijn, want die 100 kaarten worden soms paginagroot, maar ook vaak over twee pagina’s afgedrukt. Niet iets voor je e-reader, het is een feest voor het oog.

In de inleiding geven de auteurs een inkijkje in de doelstelling van en de werkwijze bij het samenstellen van dit boek;

Bij de keuze van kaarten en onderwerpen is een tweesporenbeleid gevolgd. In overleg met kaarthistorici Peter van der Krogt en Bram Vannieuwenhuyze hebben we een lijst opgesteld van belangrijke kaarten van de Nederlanden. Vervolgens is een overzicht gemaakt van belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van Nederland en zijn daar, voor zover mogelijk, de kaarten aan verbonden…Wie alle stukken uit dit boek na elkaar leest, verwerft op soepele wijze inzicht in de grote lijnen en belangrijkste ontwikkelingen van de geschiedenis van ons land.

Dat heb ik gedaan en het klopt. Nu was die kennis niet eens het hoofddoel, ik was gewoon steeds weer benieuwd welke kaart ik nu weer voor me zou krijgen. Het procedé is steeds hetzelfde. Er wordt een kaart getoond, bijvoorbeeld die van Adriaen Coenen uit de 16e eeuw van de Noordzee, en er volgt in twee pagina’s een toelichting over (in dit geval) de haringvisserij in de zestiende eeuw. Zo wandel je door de geschiedenis vanaf de eerste tot en met de twintigste eeuw. De onderwerpen zijn enorm divers. Het gaat over de eerste Batavieren, de Sint-Elisabethsvloed, de drooglegging van de Beemster, de eerste harde verbindingsweg in Nederland, Nieuw-Amsterdam (New York) ten tijde van het Nederlands bestuur, het slavernijverleden, Nederlands-Indië, de handel met Japan via het eilandje Deshima, de wereldtentoonstelling in Amsterdam, de Jodenvervolging, de Elfstedentocht, Schokland, de eerste autokaarten en treinverbindingen enzovoort. Ik bleef lezen.

De Atlas Maior van de beroemde cartograaf Joan Blaeu ontbreekt niet, evenmin als de Bosatlas. Ook de vloerkaart in het Koninklijk Paleis op de Dam staat erin. Indrukwekkend is ook de kaart op een wandtapijt over het Leidens ontzet uit de 16e eeuw.

Soms gaan de verhalen ook over hoe de kaarten tot stand zijn gekomen. Niet zozeer het maken van de kaart zelf, maar wel de meetmethoden die gebruikt werden. De belangrijkste daarvan was de zogenaamde driehoeksmeting;

Driehoeksmeting gaat uit van het meetkundig beginsel dat, als er van een driehoek twee hoeken en de lengte van de tussenliggende zijde bekend zijn, de derde hoek en de lengte van de twee overige zijden uitgerekend kunnen worden…Eerst wordt in het land een netwerk van driehoeken uitgezet. Voor de hoekpunten worden hoge plaatsen uitgezocht, waarbij een vereiste is dat vanuit elk hoekpunt de twee anderen zichtbaar zijn. Voor deze punten werden in ons land meestal kerktorens gebruikt.

Er werden de meest fantastische kaarten mee gemaakt, zoals de onderstaande, zeer gedetailleerde kaart uit 1712 van ’t Hooge heemraedschap van Delfland van Nicolaas en Jacob Kruikius. Minder fantastisch, maar wel heel leuk is de fietskaart van Amsterdam, compleet met pijlen voor de juiste fietsrichting. Gemaakt voor (en ik houd van dit soort weetjes) Johan Koopmans & Co, importeur voor Crescent Cycles. Koopmans was agent voor veel Amerikaanse fabrikanten van onder meer metaalwaren, rijtuigen, meubelen, klokken én…zelfrijzend bakmeel. En dat staat nog steeds hier in de supermarkt.

Grimmiger is de kaart met de positie van de zogenaamde ‘Dodendraad’, het hek dat Duitsland langs de gehele Belgische grens bouwde om een vlucht naar Nederland te voorkomen in de Eerste Wereldoorlog. Omdat elektriciteit relatief nieuw was, vielen er veel doden te betreuren door onbekendheid met dit fenomeen.

Op een paar schoonheidsfoutjes in wat woordafbrekingen en een Franse Zonnekoning Lodewijk XIC (?) is de uitgave verder prachtig verzorgd. Dit zijn boeken om vaak in te kijken.

atlas_0718_005

9048827345.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Als je alle afleveringen van Tour of Duty hebt bekeken geeft je dat niet noodzakelijkerwijs een goed beeld van wat er zich rondom de Vietnam-oorlog heeft afgespeeld. Dan geeft het boek Vietnam van Max Hastings een heel wat completer beeld.

Hastings is een direct betrokkene, want hij behoorde tot degenen die in 1975 tijdens de afsluitende evacuatie met een helikopter uit de Amerikaanse ambassade in Saigon vertrokken. Toch is het niet zijn verhaal dat we horen. Wel het verhaal van de politici en generaals, maar zeker ook de verhalen van de soldaten (van beide zijden), de boeren en burgers. Dat is voor mij de grote meerwaarde van dit dikke boek van 785 pagina’s. Er staan wat foto’s in en een paar kaartjes, de rest is tekst en dus veel informatie.

In grote lijnen is het wellicht bekend. De revolutionair Hồ Chí Minh verklaarde de onafhankelijkheid maar de Fransen zaten nog in de regio. Zij leden een grote nederlaag in Điện Biên Phủ. Ik wist dat, maar ik had er geen idee van hoe dat er aan toe ging daar; al die heuvels die verdedigd moesten worden door de Fransen en daartegenover de vrij briljante strategie van de Vietnamese generaal Giàp.

Om het communisme geen voet aan de grond te laten krijgen raken de Amerikanen betrokken en later Australië en Nieuw-Zeeland ook. Dan volgt het verhaal dat we denken te kennen uit de series en films, maar dat af en toe alle verbeelding tart.

Dat gaat over verschillende dingen. De inzet van Vietnam voor eigen gewin op politiek niveau. Denk aan de rol van de drijvende kracht achter de oorlog, Minister van Defensie Robert McNamara en zijn president Lyndon Johnson. Het gaat over ongetrainde soldaten die gedropt werden in Vietnam die, als ze al overleefden, hun parachutisteninsigne niet kregen omdat ze de vereiste opleiding niet hadden gevolgd. Het gaat over ‘fragging’, de mogelijkheid dat je als commandant een fragmentatiebom onder je bed vindt van soldaten die je niet meer pruimen. Het gaat over beweegredenen om wel of niet in dienst te gaan, de keuzes die men wel of niet heeft. Het gaat over de doodsangst van soldaten, hun blik fixerend op dat ene steentje of grassprietje, omdat dit misschien het laatste is dat je ziet in dit leven. Het is wel een boek waar je in blijft lezen.

Die soldaten hadden vaak geen idee waarin ze terecht kwamen en Hastings verwoordt dat mooi;

Op de officiersopleiding had John Vanns plan voor de ochtend van 2 januari 1963 wellicht een goede beoordeling gekregen, als tenminste alle menselijke deelnemers hadden gedaan wat was voorgeschreven. Maar in plaats van als balletdansers een tangbeweging uit te voeren, belandden ze even lukraak op het slagveld als speelgoed uit een doos die werd omgekeerd.

Uiteindelijk blijken de Verenigde Staten de oorlog volledig verkeerd ingeschat te hebben. De Vietcong is bereid enorme verliezen te lijden en heeft een eindeloos geduld, waar de sympathie aan het Amerikaanse thuisfront langzaam verdwijnt. Het is schokkend om te lezen hoe het juiste moment wordt afgewacht voor terugtrekking van de troepen, het moet wel goed in de verkiezingscampagne passen. Wat dat voor gevolgen had voor de bevolking van Vietnam was niet eens een issue.

Er staat dus veel informatie in het boek. Het politieke spel wordt uitgebreid beschreven, het Tet-offensief en de gruwelijkheden in Mỹ Lai, maar ook de gebruikte wapens en effectiviteit ervan;

Over het geheel genomen werd geschat dat er in Noord-Vietnam door de bombardementen voor 300 miljoen dollar aan schade was aangericht, maar tegen de prijs van 922 vernietigde vliegtuigen, die driemaal zoveel waard waren.

Ik wist van de beroemde helikopter de Huey (hier komt Tour of Duty toch van pas, want ik kan hem dromen) maar ik wist niet van het nucleaire alarm dat door Nixon werd afgegeven in 1969. Hồ Chí Minh én de Russische ambassadeur werden op de hoogte gesteld dat er eventuele nucleaire wapens gebruikt zouden worden. De reactie van de Russen was duidelijk;

Toch schonken de Russen nauwelijks aandacht aan het alarm, en ook van de andere aanstellerij van de president leek de vijand niet onder de indruk. Ze beschouwden Nixon niet als een gevaarlijke gek, maar als een rationele politicus die wanhopig bezig was om een manier te vinden, niet om aan een Amerikaanse nederlaag te ontkomen, maar om hem niet expliciet te hoeven toegeven.

De afloop is duidelijk. De Verenigde Staten hadden uiteindelijk geen keuze. Het kostte een kleine 60.000 Amerikanen het leven, aan Vietnamese zijde was het aantal 2,5 miljoen. Het hele verhaal is degelijk opgeschreven in dit boek. Neem er even de tijd voor, het is de moeite waard.

Vertaling; Edzard Krol en Wilma Paalman

6d68b89e5948f0259674d477367444341587343
Martinus Nijhoff n.v. 1853-2002 vertelt het verhaal van de bekende boekhandel, uitgeverij en antiquariaat, verteld door een oud-medewerker van het bedrijf, Bob Jongschaap.

Zo’n 260 pagina’s leesvoer met een schat aan fotomateriaal en als ik al mijn aantekeningen zou verwerken zou het een heel lange bespreking worden. Want wat leest dit fijn weg. Het begon allemaal met Martinus Nijhoff (1826-1894) die zich als wetenschappelijk boekhandelaar, uitgever en antiquaar vestigde in Den Haag. Als uitgever vestigde hij zijn naam met het Woordenboek der Nederlandse Taal. De meest lucratieve inkomstenbron was de export van wetenschappelijke boeken en tijdschriften.

In 1891 trad zijn zoon Wouter in dienst van de firma. Een klein maar eigenzinnig man en zeer belangrijk voor het bedrijf. Hij zal ook een machtig man in het boekenvak worden. De antiquaar Hertzberger herinnerde zich Wouter Nijhoff maar al te goed;

‘In 1917 kwam ik er als volontair…In die tijd kwam in Amsterdam de bibliotheek van Vincent van Gogh, de oom van de schilder in veiling. De kijkdag was op zondag en ik ging er heen. De volgende dag werd ik door Wouter op het matje geroepen: ‘Wat ik in Amsterdam deed.” “Ik heb vrienden opgezocht.” “Dat lieg je. Je bent op de kijkdag geweest.” Dat moest ik dus wel toegeven, maar ik verontschuldigde me: “Zo leer ik boeken kennen.” Dat antwoord beviel Nijhoff blijkbaar, want hij gooide wat later een tientje voor me op tafel. “Dat is voor de onkosten,” grauwde hij.’

Later komt zijn neef, ook een Wouter in dienst maar na diens pensioen viel het concern uiteen. De aandelen waren versnipperd en verdeeld onder de erfgenamen die het uiteindelijk aan Kluwer verkochten waar het bedrijf ontmanteld werd. Een triest einde van een beroemd bedrijf.

De grote aantrekkingskracht van dit boek zijn de vele anekdotes en foto’s. De katholieke geestelijke Schaepman die nogal eens een boek in zijn jaszakken liet glijden, Wouter Nijhoff die een sjofele man de winkel uit liet zetten (de man kocht een peperdure atlas en vertrok per limousine) en de ceremonie van de postbehandeling. De auteur komt tijdens zijn onderzoek voor dit boek bijvoorbeeld te weten waarom er bij Nijhoff nooit werd geïnventariseerd. Dat was omdat de gewoonte was ontstaan niet-verkochte boeken over te hevelen naar het antiquariaat. Een ‘boekhoudkundige frivoliteit.’

Sommige gebeurtenissen worden in aparte stukjes door de auteur verteld, zoals het stukje “Afdalen”;

Het antiquariaat van Nijhoff was niet zomaar toegankelijk. Belangstellenden moesten altijd een afspraak maken, maar sowieso liepen particuliere klanten ook het sortiment nauwelijks binnen. Mocht er toch iemand de stoute schoenen aantrekken, dan werd er vanuit het sortiment naar boven gebeld. Na geruime tijd kwam mejuffrouw Sobels in een harnas van terughoudendheid naar beneden en vroeg dan met overduidelijke tegenzin minzaam aan de klant wat hij wenste.

De auteur is natuurlijk bekend in het pand van Nijhoff en leidt ons daadwerkelijk van verdieping naar verdieping. Zo werd er in kamer 10 niet alleen gewerkt, maar ook geknipt. Medewerker Krijgsman was namelijk kapper geweest voordat hij bij Nijhoff kwam werken. Hij overleed toen hij de laatste directeur, Wouter Nijhoff Pzn., aan het knippen was.

Zo heb ik nog veel meer aantekeningen. Prachtige verhalen, maar ook de minder mooie kanten komen aan bod. Er waren managers die niet voldeden en de auteur schroomt niet om man en paard te noemen. Dat geldt ook voor de teloorgang van het bedrijf zelf. Jongschaap noemt onverbloemd de personen die in zijn ogen hiervoor verantwoordelijk zijn.

Een goed verteld verhaal van een betrokken oud-medewerker van een overbekend bedrijf.

9460017444.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Het boek Wijvenwereld van de auteurs Jelle Haemers, Andrea Bardyn en Chanelle Delameillieure gaat over vrouwen in de middeleeuwse stad. Er zijn boeken volgeschreven over de grote namen uit die periode als Jeanne d’Arc, hertogin Maria van Bourgondië enzovoort, maar het is minstens zo interessant om te bekijken hoe het hun minder bekende tijdgenotes verging. Dat kan ook, omdat er talloze archieven bewaard zijn gebleven waarin besluiten, decreten en vonnissen zijn opgenomen waaruit een beeld kan worden gedestilleerd.

Het niet zo positief klinkende woord “Wijvenwereld” komt voort uit de andere betekenis die aan het woord “wijf” werd gegeven in de middeleeuwen. In middeleeuwse teksten noemt een vrouw zichzelf namelijk een “wijf” (wyf of wive). Dat woord had een positievere connotatie dan vandaag. Zo was een “coopwijf” een zakenvrouw en stond het adjectief “wivelijc” voor edel of eerbaar.

Hoe gaan de auteurs dan te werk? Zeven hoofdstukken over 230 pagina’s, verdeeld naar onderwerpen als vrouwenrechten, trouwende vrouwen, zakenvrouwen, vrome vrouwen, werkende vrouwen binnen en buiten de ambachten, vrouwen en criminaliteit en vrouwen en seksualiteit.

Daar valt toch binnen relatief kort bestek veel over te zeggen. Alles wordt gelardeerd met verhalen uit de praktijk, met naam en toenaam en dat maakt het een levendig boek. Zo staat er in het hoofdstuk over trouwende vrouwen een boeiend stuk over ontvoering en schaking;

In 1451 werd Margareta Brisons met haar instemming weggeleid door Herman Ruedinx nadat die geen toestemming kreeg van haar ouders en verwanten om met haar te trouwen. Na de schaking ging het koppel een clandestiene verloving aan voor de Sint-Martinuskerk in Lennik. Schaken was dus een middel dat individuen konden aanwenden om te ontsnappen aan de controle van hun families.

Apart om te lezen dat wethouders het hulpgeroep van de vrouw als criterium hanteerden om te bepalen of de schaking met of zonder instemming plaatsvond.

De middeleeuwen waren geen makkelijke tijd, dat blijkt uit dit en vele andere boeken. Aan de andere kant is het ook niet de donkere en wetteloze tijd zoals hij ook bekend stond. Het had iets van beide kanten. Ongetrouwde vrouwen genoten volledige zelfstandigheid, maar hadden bijvoorbeeld een voogd nodig bij financiële transacties. Aan de andere kant had een getrouwde vrouw binnen het huwelijk weer een relatief goede onderhandelingspositie. Ze kon haar rechten, indien nodig, afdwingen voor de rechtbank.

De minder fijne kanten uit die periode, zoals straffen en veroordelingen waren uiteraard ook op de vrouwen van toepassing. Marteling en doodstraf kwamen voor, zij het veel minder dan bij mannen. Bedevaart was een meer gangbare straf voor de vrouw;

Twee vrouwen kregen zelfs een dubbele bedevaart opgelegd: Noykene Basteels moest zowel naar Ferrara (tussen Venetië en Bologna) als naar Rome reizen, terwijl de schepenen Katelijne van Bekkevoort verplichtten naar Keulen en de abdij van Nizelles (tussen Brussel en Nijvel) te trekken. Noykene, allicht een prostituee, was dat enerzijds wegens ‘onzedeleicheden’ die ze bij het begijnhof beging, anderzijds vanwege de verwondingen die ze een man toebracht.

De conclusie is dat er best veel raakvlakken zijn met onze samenleving nu. Weliswaar bekleden mannen alle machtsposities, maar dat betekende niet dat vrouwen onmondige huismoeders waren. In de voorbeelden in het boek verschijnen ze namelijk als ondernemende personen, die hun rechten goed kennen, kansen benutten en creëerden en deelnamen aan het politieke, religieuze en economische leven in hun stad. Dat neemt niet weg dat geweld, bruutheid en ongelijkheid ook een rol speelden in hun leven, maar dat vrouwen wel mogelijkheden hadden om hier iets aan te doen. Met wisselend succes, in die zin ook niet anders dan nu.

9400403585.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
De roman Goldberg van Bert Natter is een intrigerend boek. Het is een dikke pil van 628 pagina’s en gaat over Johann Gottlieb Goldberg (1727-1756), de klavecinist, organist en componist die, helaas voor hem, niet beroemd is geworden door zijn eigen werk. Des te beroemder is hij door het werk van Johann Sebastian Bach, namelijk door de Goldberg-variaties. Het verhaal gaat dat de veertienjarige Goldberg die variaties speelde voor de aan slapeloosheid leidende graaf Von Keyserlingk, om hem wat op te vrolijken.

Er is niet veel bekend over het leven van Goldberg en des te opmerkelijker is het dat je dan zo’n dikke roman over hem kan schrijven. Is dat de moeite waard dan? Jazeker.

De auteur wordt in een interview gevraagd of hij nieuwe informatie over Goldberg wilde opdiepen of hem als historische figuur tot romanpersonage wilde maken;

‘Dat laatste. Heb je Amadeus ooit gezien, die film over Mozart? Historisch gezien klopte er echt niks in dat verhaal, maar toen ik veel later de brieven van Mozart las, dacht ik: verdomme, die figuur in de film is precies de man die oprijst uit de brieven. Zoiets wilde ik ook met Goldberg doen. Ik heb zijn levensfeiten gebruikt als piketpaaltjes, en ik klets van het ene paaltje naar het andere.’

Hij gebruikt daarbij zowel de tegenwoordige als de verleden tijd. In het heden schrijft Sebastian Savage een boek over Johann Sebastian Bach, probeert daarmee af te studeren maar dat mislukt. De aldus gesjeesde musicoloog laat zijn scriptie toch afdrukken en krijgt enige bekendheid. Tijdens een lezing in Dresden wordt hij aangesproken door ene heer Weiss. Die doet hem allerlei interessant materiaal aan de hand over Goldberg en Savage raakt geïnteresseerd. Hij reist naar Dresden af om onderzoek te gaan doen.

Ondertussen leren we hem beter kennen, zijn ouders én zijn verslaafde zus. Maar we reizen ook af naar het verleden, waar we Goldberg ontmoeten, de oude Bach en zijn zonen, de viool-virtuoos Pisendel, Frederik II van Pruisen, Giovanni Casanova en de beroemde castraat Giuseppe Belli.

De auteur beoogde met zijn roman een verhaal te vertellen hoe de geschiedenis zou hebben kunnen verlopen en verdraaid als ik niet af en toe eens gegoogeld heb om wat zaken na te lopen. Zo is het verhaal over de zieke Pisendel die uiteindelijk uit de dood herrezen lijkt en alsnog in de orkestbak kukelt natuurlijk te mooi om waar te zijn.

Savage zoekt verwoed naar allerlei aanwijzingen over Goldberg en de later naar hem vernoemde variaties. Zo leest hij in een pamflet van de zangeres Signora Mingotti;

Ik wilde naar huis gaan, maar hij vroeg me te blijven en terwijl ik mij langzaam overgaf aan zoete dromen, speelde Signore G*ldb*rg de meest miraculeuze

Nu komt het! Het kan niet anders of hij speelde de beroemde, naar hem vernoemde variaties voor haar! Als ik omsla, zal ik het weten. Ik aarzel. Onderaan deze rechterpagina staat al het eerste woord van de volgende pagina en dat luidt ‘muziek’. En wat speelde Goldberg voor Mingotti, daar in Venetië?

muziek die ik nooit hoorde, met zijn vingers op zijn huid. Nooit eerder had iemand mij zo aangeraakt. Geschrokken kwam ik overeind en ging ik alsnog huiswaarts.

In de roman moeten wij uiteraard ook de pagina omslaan, net als Savage, voordat we verder kunnen. Ik houd daarvan. Het boek is ook met de nodige humor geschreven, getuige dit fragment;

Bach als goddelijk geïnspireerd genie dat de noten hoogstpersoonlijk ingefluisterd krijgt. Wie zich in de ontstaansgeschiedenis van de Matthäus verdiept…weet dat het niet klopt. Bach maakte tussen 1727 en 1742 zeker vier verschillende versies – vijftien jaar had hij nodig om een muziekstuk van tweeënhalf uur in elkaar te zetten tot het goed was. Als God hem daarbij heeft bijgestaan, zat Hij zeker niet lekker in Zijn vel, wanneer je bedenkt dat Hij eigenhandig in zes dagen de ganse schepping voltooide.

Ook een achteloos zinnetje als “Ik verzin het niet” in een roman, als de tonic van het merk Goldberg & Sons blijkt, bevalt me.

Muziek, geschiedenis, een vertelling in het heden en met de nodige humor geschreven, ik heb mij prima vermaakt met dit boek.

9035139399.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Wereld in woorden van Frits van Oostrom is deel 2 van de reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het sluit aan op deel 1 en gaat verder met de periode 1300-1400.

Het boek trapt af met de stelling dat er in de veertiende eeuw in het Nederlandse taalgebied een prille republiek der letteren op gang kwam. Er zijn meer schrijvers, er is meer publiek en een betere bemiddeling tussen beiden. Bovendien wordt er meer opgetekend in de volkstaal in plaats van in het toen gangbare Latijn. De teksten van mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381) kwamen zelfs in aanmerking om als eerste in het Engels vertaald te worden. Sterker, hij is na Anne Frank nog steeds de meest vertaalde Nederlandstalige auteur.

Het mooie van dit deel is dat het de kentering zo mooi aangeeft. De ridderroman heeft afgedaan en men ontdekt de eigen werkelijkheid als schrijfstof. Dat kan nog steeds krijgsgeschiedenis zijn, maar dan uit het echte leven. Het Kerelslied uit het bekende Gruuthuse-handschrift vertolkt zelfs actuele groepshaat (een spotlied op de paupers). Dat staat in schril contrast met het wonderschone en beroemde Egidius-lied uit hetzelfde handschrift.

Maar ik ga te snel, er staat zoveel meer in dit boek. Aan de hand van teksten en boeken leer ik veel over de geschiedenis van de lage landen. Het gaat over de hoogwaardige lakennijverheid van de Vlaamse steden, wat een prachtig Keurboek van Ieper oplevert (1363). Triest om te lezen dat het verloren is gegaan bij bombardementen in 1914.

Deze eeuw levert ook boeken op, geschreven door artsen. Voor leken waren er boeken zoals de Sidrac, een encyclopedie met antwoord op vragen zoals waarom onze ogen tranen, waar het bloed blijft als het lichaam sterft enz.

Naast de werken van grootheden uit de 14e eeuw als Jan van Ruusbroec, de onbekende bijbelvertaler uit 1360 met zijn geweldige oeuvre, de schrijver Augustijnken die zijn sporen na laat (hij sprak nog in de Ridderzaal) houd ik van de talloze anekdotes in dit boek, zoals van de kopiist van de Lucidarius, een traktaat ten behoeve van het kerkelijk onderwijs;

De kopiist was evident de verkeerde man voor deze taak, en sommige van zijn verschrijvingen zijn zelfs zo flagrant dat men zich afvraagt of hij soms opzettelijk uit balorigheid of kwade wil de vrome tekst geweld aandeed. Hij schrijft dat God, mild als hij is, de wereld zal beoordelen niet als een lammetje (lammekijn) maar als een kammetje (kammekijn); dat bij Hem vooral degene welkom is die de meeste (in plaats van de minste) zonden heeft gepleegd, en dat priesters meer kans maken op het eeuwige leven naarmate zij gelovigen de rechte weg wijzen naar de hellepoort (bedoeld is uiteraard de hemelpoort). 

De literaire bakens worden verzet en actie maakt in de literatuur plaats voor emotie. Een voorbeeld is de Roman de la Rose. Het is een allegorie over wat de liefde in en om de mens teweeg brengt. De liefde als kracht die het beste in de mens naar boven brengt en dus het hoogste goed op aarde is, is volgens de Zwitserse denker Denis de Rougemont (1906-1985) het duurzaamste erfstuk van de Middeleeuwen.

De opkomst van sprooksprekers met hun vertellingen en boerden (een komische vertelling) leveren mooie teksten op, waarvan er een aantal in het boek worden weergegeven;

De eerste gaat over een priester bij wie een parochiaan opbiecht dat hij van plan is ergens een vette ham te stelen – en die zijn biechtvader daarvan de helft belooft als deze hem op voorhand absolutie geeft. Gretig leent de pastoor zich hiervoor, om een paar dagen later zijn halve ham verlekkerd in ontvangst te nemen. Totdat hij die wil ophangen naast die andere vette ham die hij in voorraad dacht te hebben…

De Moderne Devotie was een beweging die koos voor geestelijke inkeer temidden van de samenleving. Zij zetten voluit in op het boekbedrijf en wel tweetalig, in zowel Latijn als Nederlands met een breed gamma aan onderwerpen, zowel laagdrempelig als veeleisend. Het zorgde voor een enorme productie aan teksten. Ook de zusterboeken zijn een interessant fenomeen. Het zijn persoonlijke levensbeschrijvingen van zusters als memoriaal van een gemeenschap. Ik weet niet of de zusters van toen blij zijn met de publicaties van nu, maar mooi is het wel;

Zuster Mette van Delden kon er niet tegen als er traag werd voorgelezen. Zuster Alijt Plagen had een uitstekend verstand, maar was geneigd zich daar te veel door te laten leiden, ‘en was daarom dikwijls een lastpost voor haar oversten en medezusters’. Zuster Zweder van Rechteren was ‘zo vol van vuur voor al het goede, dat het haar pijn deed als haar iets ontging dat welgedaan was’. Jutte van Ahaus ‘vermeed zich te warmen als het koud was’. 

Zo komen we langzaam weer in de buurt van het wonderlijke Gruuthuse-handschrift. Vernoemd naar zijn eerst bekende bezitter, de Brugse patriciër Lodewijk van Gruuthuse (1422-1492), houder van het monopolie op gruut, grondstof van bier. Het is nu in het bezit van de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag en was ooit na de dood van Lodewijk van Gruuthuse door het Franse hof achtergelaten. De Franse koning confisqueerde de complete bibliotheek van Lodewijk maar dit zag er blijkbaar niet koninklijk genoeg uit. Het bleek wel een schatkist van berijmde gebeden, liederen en gedichten. De auteur is onbekend maar er zijn vermoedens. Een mogelijkheid zou Jan Moritoen zijn, van Schotse origine (‘Moreton’), en dat zou wat zijn. Een Schot die ons de belangrijkste Middelnederlandse teksten bezorgt. Een sterk staaltje inburgering.

Het mooiste bewaart de auteur voor de laatste pagina’s en dat gaat over de al genoemde Egidius. Wie was Egidius? Ook daar zijn gedachten over maar ze doen er feitelijk niet toe. Het gaat om de tekst en de beelden die ze oproept. Ik neem ze toch op, wie ze zelf wil lezen, dan beter hier gestopt;

En dan komt wat toch wel de meest ontroerende regel van het lied is. Beware mijn stede di beneven – ‘hou mijn plekje vrij naast jou’. De middeleeuwse letterkunde wemelt van de passages over de onmetelijkheid des hemels – hier lijkt de hemel haast een tweezitsbankje.

De hemel als tweezitsbankje….daarvoor lees ik rijke boeken als deze en de literatuur waarnaar ze verwijzen.

Overigens hoort er een mooie website bij dit deel met toelichtingen op foto’s en teksten uit het boek.

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
In de boeken over de Bourgondiërs die ik las kwam Jeanne d’Arc ook voor en de door Larissa Juliet Taylor geschreven biografie had ik in de kast staan, dus dat was reden genoeg om het boek te lezen.

Larissa Juliet Taylor is een Amerikaanse mediëvist met het Franse katholicisme als specialisatie. Haar biografie van Jeanne d’Arc is een wetenschappelijke biografie, gebaseerd op de primaire bronnen die zijn overgeleverd. Dat zijn er nogal wat. De stukken van het proces waardoor Jeanne op de brandstapel belandde zijn bewaard gebleven, evenals de stukken met betrekking tot haar rehabilitatie, de zogenaamde nullificatieprocedure.

Wetenschappelijk staat gelukkig niet gelijk aan gortdroog. In een kleine 300 pagina’s wordt een levendig beeld geschetst van een meisje uit Lotharingen, dat in haar korte leven en in een periode van twee jaar de loop van de Franse geschiedenis zou veranderen.

Als tiener begon Jeanne stemmen te horen, die haar opdroegen Frankrijk te bevrijden van de Engelsen, zodat Karel VII tot koning gekroond kan worden. Jeanne geeft gehoor aan die stemmen en verlaat haar geboortedorp. Het kost haar, uiteraard, de nodige moeite om serieus genomen te worden en ze moet talloze vragen beantwoorden en onderzoeken ondergaan. Daar blijkt ze niet voor één gat te vangen. Ze is scherpzinnig, doortastend, topfit én maagd. Bovendien weet ze feilloos Karel VII aan te wijzen terwijl ze hem nooit gezien heeft én geeft ze en passant aan waar haar droomzwaard zich bevindt, ergens begraven in een kerk waar ze ook nooit is geweest.

Deze zaken worden als wonderbaarlijk gezien en Jeanne wordt toegelaten tot het leger. Ze meet zich een harnas aan en begeeft zich naar Orléans om de stad te ontzetten. Dat wordt haar eerste grote overwinning. Het wordt beeldend beschreven en het is verbijsterend om te beseffen dat het hier om een zeventienjarig meisje gaat;

Voor de inwoners van Orléans en de soldaten beloofde Jeannes komst verlossing…Terwijl haar vaandel voor haar uit werd gedragen, reed ze door de straten van de stad, met de Bastaard naast haar en gevolgd door edelen, schildknapen, commandanten en eenvoudige soldaten…De drang om haar en haar paard aan te raken was zo groot dat een van de mensen met een fakkel zo dichtbij kwam dat haar lansvaantje in brand vloog.

Hierna zouden er meer veldslagen én overwinningen volgen. Jeanne geeft blijk van grote moed, van militair inzicht en raakt gewond. Ook dat laatste lijkt ze uit te buiten, want hoewel ze serieus gewond lijkt blijkt ze even later wonderbaarlijk hersteld. De Engelsen zijn verbijsterd en de Fransen krijgen enorme moraal.

Uiteindelijk bereikt Jeanne haar doel, Karel VII kan in Reims tot koning gekroond worden. Toch wil ze meer en ze houdt geen rekening met krachten die haar uit de weg willen hebben. Uiteindelijk wordt ze gevangen genomen en belandt ze op haar negentiende op de brandstapel. Schrijnend is dat Karel VII erg weinig moeite doet om haar hiervoor te behoeden.

Het is een onvoorstelbaar verhaal waar natuurlijk talloze vragen bij te stellen zijn en daar helpt dit boek enorm bij. Voor uiteenlopende zaken worden logische of pragmatische verklaringen gezocht. De stemmen kunnen hallucinaties zijn geweest, het herkennen van Karel VII en het zwaard dat ze weet te liggen; het is allemaal minder wonderbaarlijk als het lijkt. De plotselinge opstanding na haar wond kan heel goed een list zijn, iets wat vaker toegepast werd. Toch blijven er genoeg vragen over. Tijdens haar proces wordt ze eindeloos ondervraagd en blijft ze overeind tegenover haar ondervragers. Hoe kan dat? Hoe kwam ze aan het militaire inzicht en de vaardigheden die haar vooraan deden strijden? Waar mogelijk worden er verklaringen gegeven door de auteur.

Het boek heeft ervoor gezorgd dat de figuur Jeanne d’Arc meer is gaan leven. Vastberaden, koppig, streng, slim maar ook vroom. Op enig moment lijkt ze te breken, als ze een document moet ondertekenen waarin ze al het haar ten laste gelegde moet bekennen, maar dan toont ze ongekende veerkracht. Voor de duidelijkheid, in eerdere (gedicteerde) brieven zette ze soms een kruisje als teken dat men niet moest geloven wat ze had opgeschreven. Toen moest ze de verklaring dus ondertekenen;

Op spottende wijze tekende Jeanne een soort cirkel. Hoewel Jeanne inderdaad niet kon lezen en schrijven, kon ze wél haar handtekening zetten. Dat ze dit niet deed is veelzeggend. Was dit een kruisje in een cirkel dat Jeanne naar eigen zeggen had gebruikt om haar volgelingen te laten weten dat ze niet moesten geloven wat ze had geschreven? Anderen zeiden dat ze lachte toen ze het document tekende. De bisschop van Noyon herinnerde zich dat na de herroeping velen zeiden dat het slechts komedie was en ze alleen maar de spot met hen dreef. Vermoedelijk had hij gelijk.

Het komt allemaal naar voren uit de bronnen die er nog zijn. Achterin het boek staat dit in bijlagen toegelicht, evenals namen van de getuigen die ondervraagd zijn in verband met haar rehabilitatie en de belangrijkste personages in Jeanne’s leven.

Vertaling; Rob Hartmans

4bba7cab41471665971444b6c51444341587343
Ik had elders al aangegeven dat ik met die Bourgondiërs nog niet klaar was en
De Bourgondische vorsten van Edward De Maesschalck stond dus nog in de kast te branden. Het boek is 237 pagina’s dik en bestrijkt de periode 1315-1530. Uiteraard heeft het veel overlap met het boek van Bart van Loo, wat ik onlangs heb gelezen en dat meer tekst bevat. Is dit boek daarmee dan overbodig? Zeer zeker niet.

Allereerst vind ik het prettig om het verhaal in andere woorden opnieuw te lezen, ik onthoud het dan beter. Er staan handige stambomen en kaarten in het boek die veel verduidelijken. Verder staan er werkelijk prachtige foto’s in, soms paginagroot en zelfs over twee pagina’s.

Het boek is verdeeld in zeven delen en beschrijft achtereenvolgend Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Filips de Goede, Karel de Stoute, Maria van Bourgondië en hun kinderen. Omdat veel verhalen mij nu bekend voorkomen kan ik mij verliezen in al die details waar ik zo van houd. Zo werd ik getriggerd door de huisdieren van Margaretha van Male. Zo had zij papegaaien en die associeerde ik niet direct met de Middeleeuwen, maar niets is minder waar. Ik zocht dat even op en in het midden-Nederlands was het pape gaie (gaai van de paap?) en ze waren alom aanwezig aan de hoven in Europa. Die details zijn prachtig maar onherroepelijk word je ook meegezogen in de grote gebeurtenissen van die tijd.

De kruistochten en het verschrikkelijk pak slaag dat Jan zonder Vrees kreeg in Bulgarije. De koppige Fransen die de fiere ridder wilden uithangen en bij Azincourt werden verslagen door de Engelse boogschutters en die later bij Poitiers precies dezelfde fout maakten. De moorden op Lodewijk van Orléans en op Jan zonder Vrees. Het doorlopende politieke spel om de macht en om zo gunstig mogelijke huwelijken en verbintenissen te sluiten. Een opvolger was van levensbelang en het ging zover dat Maria van Bourgondië moest bewijzen dat ze een jongen had gekregen en geen meisje. Dat deed ze;

Zij ontdeed het kind van zijn zwachtels, toonde het midden op de markt naakt aan de samengestroomde menigte en ‘nam sijn cullekens in haer hant’.

Uiterst interessant is het inkijkje in de hofhouding van de vorsten, ofwel het hôtel;

Het hôtel van Isabella van Portugal kende een hoogtepunt rond 1445, toen er sprake was van 25 eredames en samen meer dan 300 personen of 480 monden…Met monden bedoelde men ook de paarden, want die kosten aan onderhoud ongeveer evenveel als een mens.

Die paarden waren voor een vorst van cruciaal belang dus werden ze goed verzorgd. Een detail in een stukje over wijn;

De mindere wijn werd gebruikt om er na een zware rit de poten (sic) van de paarden mee te wassen.

De Bourgondische feesten ontbreken ook in dit boek niet en prachtig is het verhaal waarin Filips de Goede zich verplicht tot een kruistocht door een eed op een goudkleurige, levende fazant. Die kruistocht zou er overigens niet komen. Kortom, de grote lijnen zijn prima te volgen en het is smullen van al die details, ook in de talloze miniaturen die in het boek staan.

a1a0ebd29140369593671335477444341587343
Stemmen op schrift van Frits van Oostrom is het eerste deel van de prachtige reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuurDit deel bestrijkt de periode vanaf het vroegst bekende begin tot het jaar 1300.

Waar ik wellicht vreesde voor een wat droge opsomming en toelichting van de vroege werken werd ik blij verrast, want Van Oostrom blijkt een bezield verteller. De 550 pagina’s vlogen er doorheen.

Dat begint al met speculaties over het wellicht oudst bekende Nederlandstalige boek. Professor Justus Lipsius vond het in 1591 in Luik, het dateerde uit ongeveer het jaar 900 en…het is zoek. Dat begint veelbelovend en zo gaat het door. Ik maak kennis met Galbertus van Brugge, een vroege literator, die zo zijn eigen redenen had om te gaan schrijven;

Het heeft er alle schijn van dat de hoofdfunctie van zijn kroniek het schrijven zelf was, en dat Galbertus dus de eerste literator van de Lage Landen was voor wie het schrijven zweemde naar therapie. In de voorrede lijkt hij zich daarvan op verrassend moderne wijze bewust te zijn: “Dáár, te midden van zo veel rampzalige omstandigheden en benauwde ruimtes, begon ik mijn hevig wankelende geest […] te beteugelen en schrijvenderwijs te kalmeren […].’ 

Ik maak kennis met veel beroemde en soms minder beroemde werken. Ik kende de eerste geïllustreerde encyclopedie, de Liber floridus, van de kanunnik Lambertus van Sint-Omaars niet. Hier is het prachtwerk online in te zien. We hebben het natuurlijk getroffen met de oudst bekende Nederlandstalige tekst, ‘Hebban olla vogala…’. Aangetroffen in een abdij in Rochester blijkt het een gedichtje, als pennenproef neergezet. Voor hetzelfde geld had het een rekening of besluit geweest, maar wij hebben dus dat prachtige gedichtje.

Kijkend door de inhoudsopgave van het boek duizelt het eigenlijk weer, zoveel is er voorbij gekomen. Bijbelepiek en heiligenlevens, ridderromans, mystici en schrijvende vrouwen, Bijbelvertalingen en beroemde werken als Vanden vos Reynaerde en de werken van veelschrijver Jacob van Maerlant (ca. 1235 – ca. 1300). Van die vos had ik wel gehoord maar ik heb het boek nooit gelezen en het verhaal van Van Oostrom maakte mij zo enthousiast dat ik ging zoeken. Ik heb de vertaling besteld van Ard Posthuma. Het grappige is dat deze de Reynaert juist vertaald heeft omdat hij enthousiast was geworden juist door dit boek te lezen. U leest het hier.

Het is dus al met al materie die gortdroog lijkt maar met verve wordt verteld. Dat blijkt uit zinnen als;

“Walewijn blijkt al met al Great Gatsby, Rudolf Valentino en Rambo ineen.”

“Haar…strofische gedichten…zijn dusdanig gevoelig…dat de lyriek van Jan van Brabant…er hoofse horlepiep bij lijkt.”

“Discovery Channel op perkament”

Naast al die prachtige verhalen en hun ontstaansgeschiedenis zijn er uitstapjes naar andere onderwerpen. Ik kende het begrip “glossen” niet, volkstalige verklaringen van Latijnse woorden die vaak in de marge worden geschreven. Er wordt beschreven wat er nodig was om überhaupt te gaan schrijven, hoe wordt perkament gemaakt. We lezen het horrorverhaal van het middeleeuwse Nederrijns moraalboek. Verstopt gedurende de Tweede Wereldoorlog, maar toen in Hannover de Leine buiten haar oevers trad, dreef het kostbare boek een tijd in rivierwater.

Verhalen genoeg en de enige omissie is misschien een geografische. De titel van de reeks is Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, maar in deze periode bestond Nederland nog niet, zo leerde ik uit het boek De Bourgondiërs van Bart van Loo. Hoe groot is het gebied waar we het over hebben en waar komen de geschriften vandaan die hier later verschenen in vertaling? Wat kaarten hadden veel kunnen verhelderen, maar laat dat de enige kanttekening zijn. Ik heb erg veel opgestoken en kijk uit naar de rest van de serie.

Overigens heeft dit deel een eigen website voor achtergrondinformatie en biedt de website Literatuurgeschiedenis een prachtig totaaloverzicht.