archiveren

Engelse literatuur

3262127424aa1935932784e5541444341587343
Voor eenieder die binnenkort zijn eerste shot wil zetten; beter eerst Trainspotting van Irvine Welsh even lezen. Het is het onverbloemde verhaal van Mark Renton, “Rents” voor intimi, en zijn vrienden die in Edinburgh het hoofd boven water trachten te houden.

Het boek is een niet aflatende maalstroom van drugsgebruik, afkicken, geweld en sex. Niet veel meer, maar dat is nu eenmaal de wereld van de hoofdpersonen. Het taalgebruik is grof, het geweld ook en je leest dingen die je helemaal niet wilt weten. Je leest ook dingen die je wel wilt weten. Het boek geeft je in ieder geval een idee wat het betekent als je probeert af te kicken.

Het grote verval zet al in. Het begint net zoals anders, met een gevoel van misselijkheid onder in mijn maag en een onberedeneerde paniekaanval. Zodra ik merk dat ik me ziek begin te voelen verandert het gevoel moeiteloos van onbehaaglijk in ondraaglijk. Kiespijn straalt uit naar mijn kaken en oogkassen en trekt in al mijn botten met een weerzinwekkend, meedogenloos, gekmakend gebons. Het zweten begint precies op tijd, om nog maar te zwijgen van de rillingen die mijn hele rug bedekken als een laagje herfstrijp een autodak.

Je begrijpt wat beter dat iemand weer een shot wil om hier van af te komen. We worden meegenomen op een trip langs ongebreideld drugs- en drankgebruik, willekeurig geweld, waanideeën, ziekte, dood en onuitsprekelijke smerigheid. Toch werkt het. Misschien is de Engelstalige versie het mooist om te lezen omdat het in het Schotse accent is geschreven. Dat vereist wellicht een behoorlijke inspanning maar het is bedoeld om nog dichter op de huid van de hoofdpersonen te zitten. Ik heb gekozen voor de vertaalde versie en ook dat leest goed weg. Ik sla op goed geluk het boek open en citeer:

Ik pak de reserveringskaartjes en stop ze in mijn zak. “Die zijn godverdomme helemaal niet gereserveerd. Ik zal die klootzakken eens reserveren,” zeg ik en lach tegen een van de wijven. Wat zullen we godverdomme nou krijgen. Veertig pond voor zo’n teringkaartje. Hondsbrutaal, die kutten van British Rail, dat kan ik je wel vertellen. Rents haalt zijn schouders op. Die lul heeft een groene baseballpet op. Die gaat het raam uit als die klaplul in slaap valt, dat verzeker ik je.

En dan valt dit fragment nog wel mee. Toch heb ik niet het idee dat dit taalgebruik dient om onnodig te shockeren, het komt authentiek over. Zelfs ouders en grootouders hebben een leven achter de rug van ruzies en gebroken relaties. Een mooi fragment is de reactie van de vader als zoon vertelt dat hij seropositief is:

Uiteindelijk heb ik mijn ouders toch verteld dat ik seropositief ben. Mijn moeder kon niets anders doen dan mij in haar armen sluiten en huilen. Mijn ouwe heer zei niets….Toen zijn snikkende vrouw vroeg of hij niets te zeggen had, zei hij: “Nou ja, wat valt er te zeggen”. En dat bleef hij maar herhalen. Al die tijd keek hij me niet één keer aan…Later die avond, toen ik weer op mijn flat was, ging de bel…Enkele minuten later stond mijn ouwe heer in de deuropening met tranen in zijn ogen. Het was voor het eerst dat hij mij in mijn flat opzocht. Hij kwam op me af en nam me in een verpletterende omarming, snikkend en alsmaar herhalend: “Mijn jochie.”

Wat het verhaal zo boeiend maakt is dat het wordt verteld vanuit de diverse personages uit de vriendenclub. Het legt de verhoudingen binnen de groep bloot en ook dit zorgt ervoor dat je het van dichtbij mee beleeft. Niet voor mensen die zich storen aan de grofheden van dit bestaan, wel voor eenieder die zijn ogen niet sluit voor de rauwe werkelijkheid zoals die nog steeds bestaat.

6c340c2eabf599e592f6e504b67444341587343
In 1949 wordt het boek 1984 van George Orwell voor het eerst uitgegeven. Een beklemmend verhaal over hoe de maatschappij er over een goede dertig jaar uit zou kunnen zien. Beklemmend, omdat er een beeld wordt geschetst van een totalitair regime, van een alleswetende leider die in de beschrijving aan Stalin doet denken en van een alles beheersende partij die in strakke meerjarenplannen de toekomst uitstippelt (Orwell kon toen nog niet weten dat Mao in China dat later ook zou proberen).

De maatschappij bestaat voor 85% uit proletariërs. Zij werken lange dagen, hebben niets in te brengen en worden meedogenloos onder de duim gehouden. De overige 15% zijn partijleden die zich op een aantal ministeries bezighouden met propaganda en geschiedvervalsing. Binnen de partij is er de “Inner Party” waarvan de leden speciale privileges hebben.

Overal hangen teleschermen. Hierop wordt de hele dag propaganda afgespeeld, er klinken commando’s op en zie dienen om partijleden in de gaten te houden. De kleinste afwijking kan worden bestraft. Straffen variëren van werkkampstraffen tot totale verdwijning. Mensen worden opgepakt en uit de geschiedenis gewist alsof ze nooit hebben bestaan.

In deze maatschappij beweegt Winston Smith zich. Hij werkt als partijlid op het Ministerie van Waarheid waar hij de geschiedenis herschrijft. Hij houdt tegen de regels een dagboek bij en beweegt zich in de wijken der proletariërs met alle gevaren van dien. Hij gaat zelfs een relatie aan met een collega. Beiden weten ze dan eigenlijk al dat dit een keer fout moet gaan.

Ze hebben gehoord van een ondergrondse beweging, “The Brotherhood” waar ze zich bij aan willen sluiten. Het doel is om een eind te maken aan de onderdrukking en de vrije wil in ere te herstellen. Ze nemen een collega in vertrouwen uit de “Inner Party” waarvan ze denken dat hij een rol speelt in “The Brotherhood”.

Uiteindelijk worden ze verraden en wordt Winston opgesloten. Hij wordt vreselijk gemarteld en bekent misdaden die hij nooit heeft gepleegd. Hij weet dan nog niet of hij ooit vrijgelaten wordt of direct de kogel krijgt. Zijn grote vraag is dan ook waarom hij al die daden moet bekennen als de dood onvermijdelijk blijkt. Daar heeft de partij een antwoord op:

“Do not imagine that you will save yourself Winston, however completely you surrender to us. No one who has once gone astray is ever spared…what happens to you here is forever. Understand that in advance. We shall crush you down to the point from which there is no coming back…Everything will be dead inside you…We shall squeeze you empty, and then we shall fill you with ourselves.”

Het gaat niet zozeer om de bekentenis. Hij moet overtuigd worden van de juistheid van de partij en haar daden. Vroeger stierven dissidenten als dissidenten, met hun eigen denkbeelden, maar Winston zal sterven als een goed partijlid. Het draait om macht, pure macht. Hij wordt naar de beruchte kamer 101 gebracht. Wat daar gebeurt verklap ik uiteraard niet, maar als ze klaar zijn met hem gelooft hij in en accepteert hij de partij volledig. Met zijn geest, maar nog niet met zijn hart. En ook daar komen ze achter…

Orwell heeft nauwkeurig nagedacht over wat voor maatschappij hij wilde neerzetten, waarbij hij natuurlijk een enorme waarschuwing afgeeft tegen het totalitaire systeem. Er zijn een paar superstaten die constant met elkaar in oorlog zijn. De taal wordt ontdaan van overbodigheden en er onstaat een nieuwe taal, “Newspeak”. Geen snel verzinsel, er staat een uitgebreide appendix in het boek over hoe deze taal tot stand komt. Het werk op de ministeries wordt uitgebreid beschreven en we leren uit het boek van “The Brotherhood” hoe deze maatschappij ontstaan is. Het meest blijft echter bij wat het gevaar is van macht, manipulatie en wat angst met een mens kan doen. Beklemmend.

3046714517f45bc593747685741444341587343
Ik had ooit Oliver Twist van Charles Dickens gelezen, maar dat was weggezonken in de krochten van mijn geheugen. Het was iets met vieze achterbuurten en een hoop ellende. Nu, dat klopt ongeveer. Dickens heeft een fraai beeld neergezet van een wereld vol armoede, criminaliteit en wanhoop, maar ook van barmhartigheid, hoop en dankbaarheid.

Het draait allemaal om Oliver. Hij wordt geboren in een armenhuis en zijn moeder sterft bij zijn geboorte. Hij is wees en zal het alleen moeten doen in deze wereld. Op zijn negende wordt hij meegenomen door een knorrige functionaris om maar eens aan de slag te gaan in het werkhuis. Een club van regenten beslist hierover en Dickens schrijft cynisch:

De regenten waren zeer verstandige, degelijke en wijsgerig aangelegde naturen; en toen zij er zich toe zetten zich bezig te houden met het werkhuis, begrepen zij terstond, wat gewone mensen nooit ontdekt zouden hebben, dat armelui er veel mee op hadden!

Oliver komt terecht bij een begrafenisondernemer waar hij mishandeld en weggetreiterd wordt. Hij gaat op weg naar Londen en ontmoet daar een linkmiecheltje, Jack Dawkins. Die introduceert hem in de bende van de lelijke Jood Fagin. Die runt een bende van kleine diefjes. Oliver gaat een keer mee kijken en wordt prompt opgepakt. De man die is bestolen, de heer Brownlow neemt hem echter na zijn vrijspraak onder zijn hoede.

Oliver is dankbaar en doet klusjes voor hem, maar wordt weer in zijn kraag gepakt door Nancy, de vriendin van Sikes. Sikes is een zware jongen die contacten met Fagin heeft. Oliver is weer terug bij af. Hij wordt meegenomen door Sikes om te helpen bij een inbraak. Dat loopt echter mis. Er wordt geschoten, Sikes vlucht en laat Oliver gewond achter in een greppel. Hij weet zich naar het huis van de inbraak te slepen waar hij wordt verpleegd door Rose Maylie. Hij wordt liefdevol opgenomen en bloeit weer helemaal op.

Nancy, de vriendin van Sikes weet uiteindelijk veel te achterhalen over het verleden van Oliver. Ze gaat met die informatie naar Rose en de heer Brownlow en moet dat met de dood bekopen. Dat is ook meteen de meest gruwelijke scene in het boek. Er speelt nog een grote boef mee, Monks, die toch een band met Oliver blijkt te hebben. Dat geldt voor nog een hoofdpersoon; het wordt allemaal duidelijk op het eind.

Wat mij vooral bij blijft van dit boek is de sfeer. Dickens zet toch wel prachtig een Londen neer waarin de allerarmsten in buurten wonen waar je het liefst met een grote boog omheen loopt:

In de nabijheid van dat gedeelte van de Theems, waar de kerk van Rotherhithe op uit komt, daar waar de huizen aan de oever het vuilst en de beurtschepen het zwartst zijn van het gruis der kolenschuiten en de smook der dicht opeengestouwde, laaggedakte huizen, vindt men de smerigste, zonderlingste en vreemdsoortigste van de vele achterbuurten, die zich in Londen verschuilen, bij het overgrote deel der Londenaren zelfs niet bij name bekend.

Die beschrijving gaat zo nog een goede pagina lang door en dan heb je echt de sfeer wel te pakken. Mooi gedaan. Verder is het boek een aanklacht tegen de armoede in die tijd en dat is meteen de reden waarom er aandacht is besteed aan de beschrijving ervan.

Wat de karakters betreft is Fagin natuurlijk een prachtfiguur. Een lelijke, sluwe en doortrapte crimineel die uiteindelijk belandt waar hij waarschijnlijk hoort, hoewel nergens echt duidelijk wordt waarom hij wordt opgepakt. Oliver Twist zelf is eigenlijk een tenenkrommend braaf jongetje. Wat hem ook overkomt, hoe hij ook wordt vernederd, hij blijft de goedheid zelve. Ja, hij slaat zijn kwelgeest een keer tegen de grond maar dan heeft hij al het nodige over zich heen gehad. Verder wil hij alleen maar goed doen en moet hij zich eerst door een hoop kwellingen heen worstelen voor hij zijn geluk vindt. We gunnen het hem. Mooi boek en wat mij betreft een aanrader.

307eb0ead1fb80f592f567a5741444341587343
Ik schafte mij onlangs een cassette aan met tien boeken van Charles Dickens en begon goedgemutst aan deel één, De nagelaten papieren van de Pickwick Club.

Het draait in eerste instantie om de brave baas Samuel Pickwick. Hij is een vermogend man en oprichter van een erudiete club die zich ten doel stelt de ongewone en bijzondere verschijnselen des levens te onderzoeken.

Een man moet wat. Hij doet dit niet alleen, hij reist met een aantal vrienden per postkoets, tilbury of sjees door het land om van zijn reizen en belevenissen verslag uit te kunnen brengen aan de club.

Zo is daar Tupman, de onvermoeibare bewonderaar van het vrouwelijk geslacht. Snodgrass, de dichter van wie niemand ooit een hele rijm gehoord heeft en Winkle, die van zichzelf denkt uit te blinken in de jacht en de sport. Zij reizen mee met Pickwick en belanden in een bonte stoet van avonturen die een kleine 800 pagina’s voortduren.

Al snel wordt hun pad gekruist door de sluwe Jingle en zijn knecht Trotter. Hij zal hen een aantal malen goed dwars zitten. Toch kunnen de heren, en met name Pickwick zelf, zichzelf ook prima in de nesten werken. Een fraai voorbeeld is het moment dat Pickwick alleen zijn hotelkamer moet opzoeken en eindelijk denkt hem gevonden te hebben. Moe kleedt hij zich om in zijn nachtgewaad en stapt zijn hemelbed in:

Hierop glimlachte Pickwick wederom, nog breder dan tevoren, en maakte juist aanstalten om zich in de opgewekste stemming te ontkleden, toen hij hierin door een onverwachte storing werd verhinderd en wel doordat iemand met een kaars binnentrad, de deur achter zich sloot, naar de kaptafel ging, en het licht daarop neerzette…Pickwick viel bijna flauw van ontzetting en afschuw. Voor de kaptafel stond een dame van middelbare leeftijd met gele papillotten in het haar…”A-hem!”

Het was duidelijk dat de dame bij dit onverwachte geluid ontstelde, want zij deinsde tegen het lichtschermpje aan.

Pijnlijk, de keurige Pickwick stapt in de verkeerde sponde. Hij belandt zelfs in de gevangenis omdat zijn hospita er vast van overtuigd is dat hij haar een huwelijksaanzoek heeft gedaan. Hij wordt veroordeeld tot een boete, weigert standvastig te betalen en belandt in het gevang, waar hij uiteraard Jingle en Trotter tegenkomt.

Het ene avontuur na het ander, genante situaties, verliefdheden en een Bourgondische levensstijl, dat is het recept voor dit boek. Het is verluchtigd met grappige tekeningen en de verhalen lezen op zich vlot weg. De mooiste karakters zijn Pickwick zelf en zijn knecht Sam Weller. Pickwick is de goedmoedige heer, maar het is leuk om te zien dat hij af en toe zijn zelfbeheersing aardig kan verliezen. Dat maakt hem menselijk. Sam Weller is de trouwe knecht die zijn meester door dik en dun steunt. Grappig zijn de vergelijkingen die hij op iedere situatie loslaat, bijvoorbeeld bij het dekken van de tafel:

“Uitstekend,” hernam Sam, “steek er een beetje hulst in. Die andere schotel er recht tegenover. Zo. Nou zien we er afgerond en gezellig uit, zoals de vader zei, toen hij zijn zoontje ’t hoofd had afgesneden om ‘m van ’t scheelzien af te helpen.”

Tot slot: niet zoveel ten nadele van Brilliant Books, maar er staan nogal wat drukfouten in het boek. Voor deze prijs kan ik daar wel een beetje overheen lezen maar het stoort meer als er een volledige pagina dubbel in staat en er dus een pagina ontbreekt. Ook verloor ik mijn belangstelling een beetje na ongeveer 500 pagina’s. Dat heeft er wellicht mee te maken dat het boek ooit als feuilleton is verschenen, een verzameling losse avonturen, en dus een duidelijke lijn met plot ontbreekt. Toch, en dat moet de slotconclusie wezen, beleef ik plezier aan de hier uitvergrote wereld van het Engelse landleven met zijn eindeloze postkoetsreizen.

Nog negen Dickens-boeken in het vooruitzicht en daar zie ik niet tegenop. Ik zal ze voor uw en mijn afwisseling niet achter elkaar lezen, maar ze zullen met enige regelmaat voorbij trekken.

b3dbc0d2899abd2593432705741444341587343
De Woeste Hoogte door Emily Brontë is een opmerkelijk boek. We hebben twee landgoederen met twee families en die kunnen soms wel, soms niet met elkaar overweg. Een prima uitgangspunt voor een soapserie, desnoods een uitvergoot Nederlands drama. In dit geval is het de grondstof voor een Engelse klassieker over een allesverterende passie en onbereikbare liefde.

Niet direct een boek dat ik als eerste uit de kast trek, maar dit was geenszins verspilde tijd.

De familie Earnshaw woont op het landgoed Wuthering Heights. Als de heer Earnshaw een weesjongen, Heathcliff meeneemt naar huis, begint het gedonder. Zoon Hindley heeft een hekel aan hem, dochter Catherine loopt met hem weg. Dat neemt dadelijk enorme proporties aan:

Mijn liefde voor Heathcliff is als de eeuwige rotsen eronder – als een bron van nauwelijks zichtbaar geluk, maar het is noodzakelijk. Nelly, ik ben Heathcliff!

Ze loopt ook letterlijk weg met hem, want ze gaan beiden naar het andere landgoed, Thrushcross Grange, waar de familie Linton woont. Catherine wordt daar gebeten door een hond en blijft er enige tijd. Heathcliff mag niet blijven, hij is van te laag allooi. Als Catherine terugkomt op Wuthering Heights zijn haar manieren danig bijgeschaafd en hoeft ze Heathcliff ook niet meer. Hij verdwijnt voor een periode van drie jaar.

Catherine trouwt ondertussen met Edgar Linton en gaat wonen op Thrushcross Grange. Als Heathcliff terugkomt zorgt hij ervoor dat hij Catherine regelmatig bezoekt en die visites lopen over van emotie en passie:

“Je gaat niet, zeg ik je”.

“Eén uur maar,” smeekte hij dringend.
“Nog niet voor een minuut,” antwoordde ze.
“Het moet – Linton zal zo wel boven komen,” hield de verschrikte indringer aan. Hij wilde opstaan en zich uit de greep van haar vingers losmaken – maar hijgend klemde ze zich aan hem vast; er lag een waanzinnige vastberadenheid op haar gezicht.
“Nee!”gilde ze. “Oh, ga niet, ga niet! Het is de laatste keer! Edgar zal ons geen kwaad doen, Heathcliff, ik ga sterven! Ik ga sterven!”

Catherine en Edgar krijgen een dochter, Cathy. Catherine sterft bij de geboorte. Heathcliff trouwt met de zus van Edgar, Isabella en zij krijgen ook een kind, zoon Linton. De hoofdrolspelers laten één voor één het leven en als Isabella de geest geeft moet Linton bij Heathcliff wonen. Hij had daarvoor nooit naar zijn zoon omgekeken. Cathy, de dochter van Catherine en Edgar wordt op haar beurt weer verliefd op de zwakke Linton, maar die maakt het ook niet lang. Uiteindelijk blijft Cathy over met Hareton, de zoon van Hindley Earnshaw en worden de familiebanden alsnog aangehaald.

Het zijn maar twee families en twee locaties waar het verhaal zich afspeelt. Het verhaal wordt verteld door huishoudster Nelly Dean aan een huurder, de heer Lockwood. Ik moest er even in komen door al die personages maar het verhaal neemt je al snel mee. Het draait eigenlijk allemaal om de relatie tussen Catherine en Heathcliff, waarbij de laatste het interessantste karakter is. Ruw en meedogenloos voor iedereen, inclusief zichzelf. Zijn obsessie voor Catherine beheerst het verhaal tot op het eind.

Wat het verhaal razend boeiend maakt is dat het geschreven is door Emily Brontë. In het nawoord van vertaalster José van Vonderen lezen we dat Emily een vrouw was met een gereserveerd karakter. Zij leefde geïsoleerd en schuwde ieder contact met vreemden. Driemaal slechts heeft ze haar woonplaats Haworth verlaten. Toch heeft ze een verhaal weten te componeren over een hartstochtelijke liefde, over enorme haat en alle spanningsvelden die daartussen liggen. Indrukwekkend.

aee3582c04ae0d959784b385451444341587343
Ik moest mijzelf er even toe zetten om aan Jane Eyre te beginnen van Charlotte Brontë. Volgens mij sta ik niet bekend om mijn hoogromantische inborst, alhoewel beekjes mij niet genoeg kunnen murmelen en het uitspansel mij niet purper genoeg kan zijn. Toch heb ik mij aan dit, naar verluid, hoogromantisch meesterwerk gezet en daar heb ik voorwaar geen spijt van.

Jane is een wees en is opgenomen in het gezin van de familie Reed. Daar is de familie niet blij mee, maar moeder heeft dit nu eenmaal beloofd aan vader op zijn sterfbed. Ze wordt als een Assepoester overal voor ingezet en ondervindt alleen maar spot en nijd. Als ze naar kostschool wordt gestuurd moet ze daar haar plek zien te veroveren. Het regime is streng en puriteins; slecht eten, hard werken en vernederingen behoren tot de dagelijkse kost. Uiteindelijk weet ze er lerares te worden maar het voldoet niet. Jane wil meer zien en ze plaatst een advertentie. Zo komt ze terecht als gouvernante op het landgoed Thornhill. Zij moet voor de opvoeding zorgen van Adèle, wiens voogd, mijnheer Rochester, vaak afwezig is maar sinds de komst van Jane zijn neus meer en meer laat zien.

Zoals dat hoort in oude Engelse landhuizen is het er niet pluis. Af en toe klinkt er een vreselijke gil door het huis. Het bed van Rochester staat in brand en Jane ziet ’s nachts iemand in haar kamer staan. Toch wil ze er aanvankelijk niet weg. Ze kan goed opschieten met het personeel, Adèle is dol op haar en ze gaat zich meer en meer hechten aan Rochester. Dat is uiteindelijk wederzijds en het gaat zover dat Jane ten huwelijk wordt gevraagd. Ze stemt toe en toch gaat het huwelijk niet door. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het geheim van Thornhill maar dat doen we hier maar niet uit de doeken.

Jane vertrekt en laat Rochester wanhopig achter. Jane is net zo wanhopig. Ze heeft niets meer en moet op de heide overnachten. Uiteindelijk wordt ze geholpen door het gezin Rivers. Ze krijgt een baan als lerares en het tij keert ten goede. Er blijken onvermoede familiebanden te bestaan, ze erft een som geld en is de onafhankelijke vrouw die ze uiteindelijk wilde zijn. Toch kruipt het bloed waar het niet gaan kan en ze vertrekt weer. Op zoek naar Rochester, die ze nooit heeft kunnen vergeten.

Bovenstaande biedt natuurlijk mogelijkheden te over voor een romantische sfeerroman, maar Jane Eyre is veel meer dan dat. Het draait om de zoektocht naar onafhankelijkheid van een vrouw. Dat gaat met vallen en opstaan, want Jane heeft twee verschillende kanten. Als meisje geeft ze al een volwassen reactie na de doodsangsten die ze heeft uitgestaan na een opsluiting in de rode kamer:

“Ik ben blij dat u geen familie van mij bent. Ik zal u nooit meer tante noemen zolang ik leef. Ik zal u nooit komen opzoeken als ik groot ben, en als iemand mij vraagt wat ik van u vind en hoe u mij behandeld hebt, zal ik zeggen dat ik misselijk word als ik alleen al aan u denk en dat u mij ellendig en gemeen behandeld hebt.”

“Hoe durf je dat te zeggen, Jane Eyre?”
“Hoe ik dat durf, mevrouw Reed, hoe ik dat durf? Omdat het de waarheid is.”

Die volwassenheid en standvastigheid laat ze later ook zien, soms tot wanhoop van anderen. Toch heeft ze ook een andere kant. Ze kan zich ook laten meeslepen door haar gevoel:

“Mijn toekomstige echtgenoot was bezig mijn hele wereld ter worden en meer dan de wereld, haast mijn hoop op de hemel. Hij stond tussen mij en iedere gedachte aan godsdienst, zoals een zonsverduistering tussen de mens en het volle zonlicht. Ik kon in die dagen God niet zien vanwege Zijn schepsel, van wie ik een afgod had gemaakt.”

Die worsteling zorgt voor een mooi spanningsveld door het hele verhaal heen. Voor de fijnproevers zitten er de nodige symboliek en subtiliteiten in het boek. Het huis waarin ze het naar haar zin heeft als gouvernante maar dat ze uiteindelijk wanhopig verlaat heet niet voor niets Thornhill. De plek waar ze uiteindelijk rust vindt en waar ze geld erft heet niet zomaar Marsh End (einde van het moeras). Uiteindelijk komt Jane gelouterd uit het verhaal en ze is bepaald niet de enige. Lees daarvoor het verhaal en laat je onbekommerd meeslepen. Ik vertrek vast naar de Woeste Hoogte van zus Emily Brontë.

ivanhoe-wordsworth-classics
Tja, denk je de ultieme ridderroman te gaan lezen, pakt dat toch anders uit dan je denkt. De ingrediënten uit Ivanhoe van Sir Walter Scott waren mij wel bekend. Riddertoernooien, Richard Leeuwenhart, Robin Hood, de belegering van een kasteel, heksenproces, alles is er voor een spetterend verhaal. Dat viel wat tegen.

Wij bevinden ons in het Engeland van de 12 eeuw. Normandiërs heersen en koning Richard Leeuwenhart zucht in een Oostenrijkse cel. Ivanhoe, een Saks, laat de Normandiërs op een toernooi alle hoeken van het veld zien. Dat doet hij voor de ogen van vrouwe Rowena, die met een andere Saks moet trouwen om een dynastie veilig te stellen. Zo gaat dat in die dagen. Op het toernooi verschijnt ook een mysterieuze zwarte ridder die Ivanhoe een handje helpt. Uiteindelijk raakt Ivanhoe gewond en verdwijnt naar een kasteel, onder de goede zorgen van een Jodin, Rebecca.

Het Saksische kasteel wordt bezet door een Normandiër en vervolgens belegerd door de zwarte ridder, van wie we eigenlijk al weten dat het Richard Leeuwenhart is. Robin Hood doet ook mee en ze nemen het kasteel in. Rebecca wordt ontvoer, dreigt als heks verbrand te worden en wordt uiteindelijk gered door Ivanhoe.

Dat is in een notendop het verhaal. Ik verwachtte een hoofdrol voor de titelheld, maar dat viel wat tegen. Hij deed zijn best op het toernooi, raakte vervolgens gewond en ligt tijdens de belegering van het kasteel op zijn bed. Hij is lange tijd niet te zien. Als hij uiteindelijk heldhaftig in het strijdperk treedt om Rebecca van de dood te redden verslaat hij zijn tegenstander, maar meer door geluk dan wijsheid. Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Rebecca en haar vader Isaac worden mooi neergezet. Scott laat onverbloemd zien hoe men dacht over Joden en het Jodendom, het antisemitisme spat van de bladzijden af. De vader van Ivanhoe, Cedric, krijgt ook karakter. Hij verstoot eerst zijn zoon, staat pal achter zijn Saksische gedachtegoed en is uiteindelijk niet te beroerd om zich (weliswaar op uitdrukkelijk koninklijke wens) zich te verzoenen met zijn zoon.

De mooiste karakters zijn de eenvoudigste, Gurth de zwijnhoeder en Wamba de nar. Altijd trouw en vindingrijk en opvallend genoeg verricht Wamba zo’n beetje de meest ridderlijke daad van het verhaal als hij zichzelf opgeeft voor zijn meester Cedric. Deze is gevangen genomen en Wamba weet bij hem te komen en neemt zijn plaats in als gijzelaar:

“You are called wise men, sirs,” sais the Jester, “and I a crazed fool; but, uncle Cedric, and cousin Athelstane, the fool shall decide this controversy for ye, and save ye the trouble of straining courtesies any farther…I came to save my master, and if he will not consent – basta – I can but go away home again. Kind service cannot be chucked from hand to hand like a shuttlecock or stool-ball. I’ll hang for no man but my own born master”.

Dit geeft wat diepte aan zo’n figuur, meer dan als Ivanhoe Rebecca te hulp schiet. Dat is tenslotte zijn job. In de inleiding wordt verder “gewaarschuwd” voor de overdaad aan details, als zou de schrijver de kleding of festiviteiten beschrijven met een afvinklijstje naast zijn manuscript. Het is waar dat Scott heel veel bronnen heeft geraadpleegd en dat er een enorm notenapparaat mogelijk zou zijn. Dat valt in dit boek nogal mee. Ik heb ook niet zo’n last van uitgebreide beschrijvingen, ze voegen voor mij wel wat toe. Het geeft mij een beter beeld van de tijd.

Resumé: Ivanhoe is vrij kleurloos en onzichtbaar, de randfiguren zijn interessanter dan de titelheld. Het verhaal is vrij voorspelbaar maar het decor is uitvoerig beschreven en vind ik wel weer mooi. Ik zal me niet direct als een Don Quichot storten op de rest van de ridderliteratuur. De molens op Kinderdijk kunnen gerust zijn.

 

1840224002.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Nu ik toch lekker in de klassiekers zit waarom Sherlock Holmes niet geknipt en geschoren? Direct maar één van de bekendere verhalen; The Hound of the Baskervilles door Sir Arthur Conan Doyle.

Een respectabele familie uit de zompige moerassen van Dartmoor, Devon, zit met een familievloek opgescheept.

Een spookachtig grote hond met een sterk gevoel voor traditie pleegt alle erfgenamen van het huis Baskerville uit de weg te ruimen. Dit overkwam ook Sir Charles Baskerville. Hij wordt dood gevonden na een avondwandeling. Naast hem de pootafdrukken van een ongezond grote hond.

De neef en volgende erfgenaam, Sir Henry Baskerville verschijnt stoutmoedig ten tonele maar roept toch voor de zekerheid de hulp in van Sherlock Holmes om dit raadsel op te lossen. Holmes doet of hij druk is maar stuurt zijn trouwe metgezel Watson mee naar de mistroostige moeraslanden, waar hij zijn intrek bij Sir Henry mag nemen. Hierop volgen allerlei onderzoeken en gesprekken. Waarom sluipt de bediende ’s nachts door de gangen? Wie huilt er ’s nachts in het huis? Op wie wachtte Sir Charles toen hij de dood vond? Heeft de ontsnapte gevangene er iets mee te maken? Wie is die andere vreemdeling die in verlaten onderkomens in het moeras huist? Weet de vlindervangende buurman misschien meer? Genoeg voor Watson om zich in vast te bijten maar hij is opgelucht als Sherlock Holmes zich met de zaak komt bemoeien. Samen beantwoorden ze in ieder geval bovenstaande vragen, waarbij niet iedereen er goed van af komt.

Vermakelijk zijn de gesprekken tussen Holmes en Watson, zoals wanneer iemand een wandelstok achterlaat in het kantoor van Holmes. Watson mag eerst beargumenteren wie die wandelstok toebehoort, waarop Holmes vervolgens met een heel ander profiel komt. Zo zijn er meer staaltjes van observatie en deductie door het hele verhaal heen. Holmes legt uit dat een boodschap in een hotel geschreven moet zijn omdat de pen heeft gehaperd; thuis heb je geen haperende pennen, die liggen in hotels. Uitgeknipte letters herkent Holmes uit de Times van gisteren enzovoort.

Wat mooi overkwam in het verhaal is het landschap waarin alles zich afspeelt. Eindeloze moeraslanden, soms zonnig, vaak mistig en altijd verraderlijk. Buurman Stapleton geeft uitleg aan Watson:

“That is the great Grimpen Mire”, said he. “A false step yonder means death to man or beast. Only yesterday I saw one of the moor ponies wander into it. He never came out. I saw his head for quite a long time craning out of the bog-hole, but it sucked him down at last. Even in dry seasons it is a danger to cross it, but after these autumn rains it is an awful place. And yet I can find my way to the very heart of it and return alive.”

De sfeer wordt er nog beter op als ’s nachts een verschrikkelijk geluid over het moeras klinkt, waar Holmes en Watson behoorlijk van schrikken:

A terrible scream – a prolonged yell of horror and anguish burst out of the silence of the moor. That frightful cry turned the blood to ice in my veins.

“Oh, my God!” I gasped. “What is it? What does it mean?….The cry had been loud on account of its vehemence, but it had pealed out from somewhere far off on the shadowy plain. Now it burst upon our ears, nearer, louder, more urgent than before.

Het valt niet meer te ontkennen, er huist wat in het moeras. Voor de ongeduldige lezers, ze komen de hond tegen, compleet met vurige ogen en vurige bek. Bestrijdt Sherlock Holmes dan toch spoken? Ga het vooral lezen. Het is een onderhoudend verhaal met een wat tegenvallend slot, maar het geheel deed mij toch verlangen eens een naargeestig hotel te boeken nabij de mistige moeraslanden van Dartmoor.

Maar er is meer. Twee voor de prijs van één. The Valley of Fear van Sir Arthur Conan Doyle is een tweede volwaardig Holmes-verhaal in dit boek. Holmes en Watson worden opgeroepen om een bloederige moord te onderzoeken. De eigenaar van een landhuis, Douglas of Birlstone, is niet meer te herkennen als zodanig; zijn hoofd is er af geschoten. Het is onduidelijk wie de dader is en hoe deze binnen is gekomen, er ligt een gracht om het huis en de ophaalbrug is omhoog. Er zijn wel aanwijzingen; een achtergelaten fiets, een verdwenen dumbell en een bloedspoor bij het raam. Iedereen is met van alles bezig maar Holmes weet al waar het op hangt:

“Dear me, Watson, is it possible that you have not penetrated the fact that the case hangs upon the missing dumb-bell? Well, well, you need not be downcast, for between ourselves I don’t think that either Inspector Mac or the excellent local practitioner has grasped the overwhelming importance of this incident. One dumb-bell, Watson! Consider an athlete with one dumb-bell! Picture to yourself the unilateral development, the imminent danger of a spinal curvature. Shocking, Watson, shocking!”

En Holmes heeft gelijk. De dumbell verraadt wie er waarom vermoord is. Dan zijn we nog maar op de helft van het verhaal, want het bestaat uit twee delen. In deel één mag Holmes zijn ding doen, deel twee vertelt de voorgeschiedenis die leidt tot de bloederige opening van het verhaal. Het speelt zich af in de Verenigde Staten, waar ene McMurdo zich inwerkt in een organisatie die The Eminent Order of Freemen heet. Overal een liefdadigheidsorganisatie, maar hier een bende moordenaars die een hele vallei stevig in zijn greep heeft. McMurdo maakt snel carrière en heeft daar zo zijn redenen voor. Waarom hij het beste jongetje van de klas wil zijn wordt pas op het laatst verrassend duidelijk (of ik zie dat soort dingen gewoon niet aankomen, kan ook).

Deze verhalen waren mijn eerste kennismaking met Sherlock Holmes en ik heb mij prima vermaakt. Ik hoef niet achter elkaar de rest te lezen, maar af en toe een verhaal kan ik mij toch zeer goed voorstellen.

0199537151.01._SX450_SY635_SCLZZZZZZZ_
Frankenstein van Mary Shelley biedt een interessante casus. Victor Frankenstein creëert in zijn laboratorium een monster, zo weten wij, en dat monster doet allerlei dingen die wij van een beetje monster verwachten. Dat vinden wij dan monsterlijk en daarmee hebben we een helder verhaal. Lijkt het.

Het monster heeft daar een andere kijk op. Hij begint immers niet als monster maar als wezen. Hij is wel groot en afstotelijk, dat wel. Als hem de levensvonk wordt ingeblazen wordt zijn maker echter bang en laat hem in de steek. Daar begint het gelazer.

Het wezen mag het zelf uitzoeken. Terwijl Frankenstein uit moet zieken van de schrik slaat hij aan het zwerven en raakt hij uit het zicht.

Dan krijgt Frankenstein een brief. Zijn broertje is dood. Vermoord. Hij keert terug naar zijn familie en dan volgt een fraaie scene als hij buiten in een storm verzeild raakt:

While I watched the storm, so beautiful yet terrific, I wandered on with a hasty step. This noble war in the sky elevated my spirits; I clasped my hands, and exclaimed aloud, ‘William, dear angel! This is thy funeral, this thy dirge!’ As I said these words, I perceived in the gloom a figure which stole from behind a clump of trees near me; I stood fixed, gazing intently: I could not be mistaken. A flash of lightning illuminated the object, and discovered its shape plainly to me; its gigantic stature, and the deformity of its aspect, more hideous than belongs to humanity, instantly informed me that it was the wretch, the filthy daemon to whom I had given life.

Uiteraard valt het kwartje snel, dit is de moordenaar van zijn broer. Toch weet het wezen hem mee te tronen om hem zijn verhaal te doen. Het is een verhaal van verstoting en afwijzing. Hij zoekt gezelschap maar vindt slechts haat. Hij redt een meisje van verdrinking maar wordt beschoten. Dat doet zijn humeur geen goed. Hij wil een kind meenemen, de jeugd staat vast onbevangen tegenover grote wezens, denkt hij, maar het kind verzet zich en maakt zich bekend als lid van de familie Frankenstein. Het wezen neemt wraak en doodt uiteindelijk de jongen. Het wezen wordt monster.

Toch wil hij monster-af zijn. Hij doet Frankenstein een voorstel (ik zal niet alles verklappen) en als hij hier op ingaat dan vertrekt hij en horen we nooit meer iets van hem. Frankenstein doet het niet en dit kan niet anders leiden tot nog veel meer ellende.

Mijn mening over het boek is tweeledig. Er zitten mooie stukken in, zoals bovenstaande scène, of de finale op de grote ijszee. Kan ik me van alles bij voorstellen. Toch las ik het niet in één stuk uit. Dat kan te maken hebben met het feit dat ik eerst ruim 60 pagina’s introductie door heb zitten lezen voordat ik aan het verhaal begon. Dat begint dan niet al te flitsend met een aantal brieven en komt voor mij pas een beetje op gang als het monster zijn verhaal begint te doen. Het heeft ook te maken met de figuur van Frankenstein. Egocentrisch, veel zelfbeklag en in het begin weinig verantwoording nemend. Hij maakt het op het eind een stuk goed met zijn verbeten jacht op het monster. Of dat lukt mag u zelf gaan uitvogelen. Is dit boek nu een aanrader? Ja toch wel; wat mij stoort daar hoeft een ander geen last van te hebben. Je kan het ook lezen als een commentaar op de tijd; op de wetenschap van toen, op vraagstukken over het leven en de dood, goed en kwaad, ga maar door. Je kan ook wachten op een onweersbui en gewoon gaan zitten griezelen. Het weerhoudt mij niet van een volgend avontuur; op naar de volgende engerd.

51e68e2520a7710592f55345841444341587343

Zijn vader had het nog zo gezegd; ga niet naar zee, dat wordt je ongeluk. Zo ongeveer begint Robinson Crusoe door Daniel Defoe. Zoals zoveel jongeren trekt Robinson zich weinig aan van vader’s goede raad en lijdt meteen schipbreuk op zijn eerste reis. Les geleerd zou je zeggen maar nee, hij gaat onverdroten verder. Hij maakt één succesvolle reis maar wordt daarna tot slaaf gemaakt in Marokko.

Hij weet slim te ontsnappen en wordt opgepikt door een Portugees die hem naar Brazilië brengt, waar hij een plantage opzet. Als hij in Afrika wat handjes wil gaan halen, jawel de slavenhandel, lijdt hij één van de beroemdste schipbreuken in de literatuur en spoelt moederziel alleen aan op een eiland.

Hoe vul je nu een heel boek met iemand die het allemaal alleen moet doen? Dat valt gerust mee; er zit een mooie opbouw in het verhaal. Crusoe kan gelukkig bij het wrak van zijn schip en hij weet een hoop gereedschap te bemachtigen. Vervolgens gaat hij aan de slag, stukje bij beetje. Hij hakt een grot verder uit en bezorgt zich een onderkomen. Hij maakt een tafel en een stoel. Dat gaat niet makkelijk, hij is geen timmerman, maar hij heeft iets en dat is tijd en doorzettingsvermogen. De tafel en stoel komen er. Hij houdt de tijd bij en schrijft in een dagboek. Hij is niet gelovig, bidt nooit maar heeft een bijbel en leest er in. Hij merkt dat er graan en rijst groeit en experimenteert er mee. Welk gewas groeit wanneer het beste? Er gaat lang overheen, maar hij weet steeds meer te oogsten. Er lopen ook geiten op het eiland. Eerst temt hij één geit, langzaamaan zorgt hij voor een hele kudde. Hij zet ze niet bij elkaar, maar houdt meerdere kuddes; risicospreiding dus. Hij vindt een manier om brood te bakken en om zuivel te maken. Het plaatje wordt steeds completer, hij is geheel zelfvoorzienend. Hij maakt zijn eigen kleren, heeft meerdere onderkomens, bouwt boten en om dit te bereiken gaan er een hoop jaren voorbij. Ook komt hij nader tot God, eerst zijn lot beklagend, maar later dankbaar als hij denkt aan al zijn scheepsmaten die verdronken zijn.

Zo wordt het verhaal mooi opgebouwd tot een compleet plaatje van iemand die wel weg wil, maar zichzelf prima kan redden. Plotseling (want de opbouw gaat verder); een voetafdruk in het zand. Dat veroorzaakt een schok:

It happened one day, about noon, going towards my boat, I was exceedingly surprised with the print of a man’s naked foot on the shore, which was very plain to be seen in the sand. I stood like one thunderstruck, or as if I had seen an apparition. I listened, I looked round me, I could hear nothing, nor see anything….But after innumerable fluttering thoughts, like a man perfectly confused and out of myself, I came home to my fortification, not feeling, as we say, the ground I went on, but terrified to the last degree, looking behind me at every two or three steps, mistaking every bush and tree, and fancying every stump at a distance to be a man.

 

De voetafdruk blijkt van een kannibaal. Soms bezoeken ze het eiland met hun oorlogsslachtoffers die ze op het strand oppeuzelen. Jaren later bevrijdt Crusoe één van die slachtoffers en die is hem zo dankbaar dat hij bij hem blijft. Zijn naam is Vrijdag. Uiteindelijk lukt het ze om van het eiland af te komen. Hoe, dat verklap ik niet, lees het vooral zelf. Het is een mooi boek, intiemer dan bijvoorbeeld Schateiland. Dat is meer een avonturenboek, hoewel het avontuur van Crusoe in de wouden van Frankrijk er ook mag wezen (huh? jawel, het klopt echt). Robinson Crusoe gaat echter vooral over een individu die op zichzelf teruggeworpen is en er met al zijn angsten en onzekerheden iets van moet zien te maken. Dat lukt hem uiteindelijk, 28 jaar lang.