Eeuwig moment

Zijn vorige door mij besproken essaybundel vond ik geen hoogvlieger, maar Het eeuwige moment van Maarten ’t Hart heb ik weer met veel plezier gelezen. Dat zit hem in zijn manier van vertellen en het strooien met zijn kennis over onderwerpen waar ik niet direct aan zou denken maar die hij ineens interessant maakt door er zijn visie op te geven.

Dat eeuwige moment bijvoorbeeld. Die uitdrukking stamt van Proust en doet zich voor als Swann een vioolsonate hoort;

‘Misschien omdat hij de muziek niet kende, had deze zo’n overrompelende indruk op hem gemaakt, gevoelens in hem opgewekt, die ondanks de verwardheid ervan, misschien wel de enige zuiver muzikale, grenzeloze, volmaakt oorspronkelijke, niet tot een ander soort te herleiden gevoelens zijn. Een dergelijke ervaring is iets als “een eeuwig moment”.’

Ik herkende het direct en dacht terug aan mijn “eeuwige moment”. Dat was op een zaterdagmiddag in de Domkerk in Utrecht tijdens een wondermooie, mij onbekende, orgelpassage, toen het herfstlicht ineens tegelijk met die passage over de aanwezigen streek. ’t Hart begrijpt dit ook en gaat los met een bloemlezig vol “eeuwige momenten”, waarbij hij aangeeft dat er gewaakt moet worden voor routine en herkenning die de verassing uitsluit. Dit komt te vaak voor met concertprogrammeringen, die lang van tevoren zijn samengesteld en zelden zo’n “eeuwig moment’ zullen oproepen.

 ’t Hart gaat verder met een onderzoek naar het verband tussen poëzie en muziek. Er blijkt bar weinig gedicht over muziek maar een mooi voorbeeld is het gedicht van Vestdijk over de wals van Glazoenov. U kunt het op Youtube opzoeken, voorgelezen door Vestdijk zelf. De conclusie is wel dat de Nederlandse poëzie over muziek helemaal niets opheldert over de mysterieuze werking ervan. Dat wist ’t Hart allang en het doet er niet toe, het onderwerp is een kapstok voor hem om zijn kennis te etaleren en dat doet hij met verve.

Overigens is hij niet altijd even zorgvuldig, want als hij musicoloog Emanuel Overbeeke de les leest over Vestdijk en diens muziekverwijzingen, introduceert hij Overbeeke in het geheel niet en weten we dus niet dat hij musicoloog is en hij vermeldt ook niet waar Overbeeke zijn beweringen doet. Overigens, en dat moet je ’t Hart altijd nageven, zal Overbeeke van goede huize moeten komen om hem te weerleggen. Voor de goede orde, Overbeeke zou beweerd hebben dat men honderden verwijzingen naar muziek in het oeuvre van Vestdijk tegenkomt en ’t Hart is een kenner van dit oeuvre. Hij geeft haarfijn aan dat het maar om enkele verwijzingen gaat en om welke.

Na de muziek duikt ’t Hart de literatuur in en heeft het over de mathematische inslag van Emily Brönte. Hij roemt het boek Wuthering Heights, wijst ons op details en weerlegt Simon Vestdijk die Heathcliff ‘een ploert’ vindt omdat hij een hondje ophangt. Natuurlijk is dat niet sympathiek maar ’t Hart licht toe waarom dit gebeurt. Lastige hondjes tijdens een ontvoering zijn nu eenmaal niet handig.

Charles Dickens krijgt ook veel aandacht en je hebt direct zin om die boeken weer te gaan lezen. Met Kierkegaard had ik dat gevoel nooit zo, maar ’t Hart weet wel mijn interesse te wekken. Hij leerde zelfs Deens omdat hij zo graag diens dagboeken integraal wilde lezen. Dat lukt hem aardig en dan merkt hij dat de Nederlandse vertalingen, zoals van W.R. Scholtens, wel iets te wensen over laten;

Overigens heeft de manier waarop Scholtens pleegt te vertalen soms komische effecten. Zo treft de verbaasde lezer in Het ogenblik nr. 7 de volgende zinsnede aan: ‘En dit allertreurigste wat misschien van een mens gezegd kan worden is: dat hij niet meer omhoog te krijgen is.’ Dat staat er in het Deens dus niet.

Die dagboeken zijn in de Privé-Domeinserie deels uitgegeven, maar dat betreft maar een fractie. De integrale editie is inmiddels in het Engels vertaald, maar daarvoor dient u aardig in de buidel te tasten.

Nog zo’n voorbeeld van een haakje waaraan hij een nieuw hoofdstuk kan hangen; de overeenkomst tussen soortvorming in de evolutie, de kerkscheuring en het ontstaan van nieuwe literaire genres. Ik had er nog nooit bij stilgestaan, tot nu. Er valt ook genoeg op af te dingen of aan toe te voegen, maar het zorgt voor een vermakelijk hoofdstuk waarbij we eerst over het paargedrag van gorilla’s en chimpansees lezen en waar een paar regels verder de misdaadroman wordt verdedigd;

Edmund Wilson vond het zonde je tijd te verdoen met het lezen van misdaadromans terwijl er nog zoveel goede boeken waren. Misschien niet onwaar, maar anderzijds is het ook waar dat de meeste detectiveromans boeiender, interessanter zijn dan de bleekzuchtige kruimelwerken van Willem van Toorn of de modeprullen van Leon de Winter.

Zo kennen we ’t Hart weer. U wordt verder nog even bijgespijkerd over de auteurs Hjalmar Söderberg, Elias Canetti en Patricia Highsmith waarbij het steeds weer verbluffend is te merken hoe goed hij alle werken van die auteurs kent. Ik hoop dat ’t Hart nog niet uitgeschreven is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: