Jas van belofte

581
Ik weet niet zo goed wat ik met dit boekenweekgeschenk moet. Met Jas van belofte preludeert Jan Siebelink vrij op hem welbekende thema’s, zoals daar zijn de vader als tuinder, het geloof en het leraarschap. Op zich staat hem dat vrij en is daar niets mis mee, maar dit boek heeft teveel ongemakkelijke rafelrandjes.

Het boek opent met een proloog waarin Arthur Siebrandi, leraar Frans, met een ambulance naar het ziekenhuis wordt gebracht. Dan volgt een verhaal over Arthur, vrij gemodelleerd naar de auteur zelf (beiden zoon van een tuinder), die met een dissertatie bezig is over de Franse schrijver Jean Tinan én aan een grote roman bezig is.

Die roman gaat over zijn vader. Toen Arthur elf jaar was stapte zijn vader op de fiets en verdween, voorgoed. Alleen zijn fiets en zijn jas werden nog terug gevonden. Als Arthur bezig is aan zijn boek over zijn vader komt hij in aanraking met Edwin Wopereis, die een verhaal van zijn hand had gelezen. Wopereis maakt zich sterk voor een uitgave maar gaat zich met de roman bemoeien en verdwijnt later uit beeld.

Arthur heeft een relatie met Lisette, maar begint ook een relatie met een leerlinge van hem, Caroline. Tussendoor worden we geconfronteerd met het feit dat Arthur en Lisette een kindje verloren hebben, iets waarvan de toegevoegde waarde mij ontgaat. De relatie met de schrijver Loet IJzertje (dat moet de schrijver/dichter Louis Ferron zijn) speelt een rol maar daarvan ontgaat mij ook de meerwaarde. Ik vond de passages tussen hen volstrekt oninteressant.

Uiteindelijk komt zijn roman toch af en overlijdt de schrijver naar aanleiding van de beroerte waar het boek mee opent. Gedurende het verhaal zijn er korte episodes over zijn ambulancerit op weg naar het ziekenhuis.

Waar zitten dan die rafelrandjes? Allereerst de grote tijdsprongen. Caroline werd verliefd op een andere man en opeens lees ik een passage waarin ze al drie jaar getrouwd is. Ik had het even niet door. Soms staan er draken van zinnen in het boek. Stel je even zo’n conversatie voor:

Ze keken naar de vissen. Lisette kuste hem. ‘Natuurlijk ben ik blij dat je thuis bent. Waar ik ook vaak aan denk: als je boek zou lukken en al moet alles daarin omver worden gegooid, als het echt zou lukken, in zekere zin, ja, zo zie ik het soms, maar dan moet het ook in alles volmaakt zijn, dan brengt jouw boek ons, in zekere zin, ook het kind terug dat we al kwijt waren voor we het hadden.’

Het idee van een verdwenen vader waar je alleen de jas van vindt, het kan zomaar een prima verhaal opleveren, maar de passage dat Arthur achter zijn vader aanrent kwam ik een aantal maal tegen (ik had geen zin om alsnog te gaan tellen). Je hoeft vervolgens niet te gaan uitleggen dat de achtergelaten jas de ‘jas van belofte’ is en als ik later op dezelfde pagina nogmaals lees ‘Ik zei het straks. Die jas is een jas van belofte’, vind ik dat niet best. Als vervolgens ook nog vrij duidelijk wordt dat Siebelink zichzelf eigenlijk een prachtige roman in dit boek laat schrijven (de redactrice van de uitgeverij had verrukt opgekeken uit zijn manuscript) was ik er wel een beetje klaar mee.

Helemaal niets moois dan? Gelukkig wel en laat ik daar dan mee eindigen. Als Arthur op het einde van het verhaal een wedstrijd aangaat in zijn Maserati met een Lamborghini, volgt een mooie verwijzing naar een hemelvaart;

Dan de ultieme sensatie. De voorwielen spoten vuur door de wrijving, werden vuurballen, vuurkolommen. Ze maakten zich los van de aarde. Zijn vurige wagen, met vurige paarden, o ruiteren Israëls, reed schuin omhoog de hemel in, en algauw was de autobaan nog maar een smal streepje.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: