Bach en ’t Hart

9200000086440939
In het Bach-jaar 2000 schreef Maarten ’t Hart zijn boek over Johann Sebastian Bach, destijds te koop bij een welbekende drogisterijketen. Dat boek heeft hij herzien en uitgebreid en dat is het boek dat onlangs is uitgekomen. Ik heb het herlezen en heb mij er goed mee vermaakt.

Dat kan positief en negatief zijn en er zit van beiden wat in. Allereerst de meerwaarde van de heruitgave. Die zit hem in de toevoeging van de hoofdstukken over de Goldbergvariaties en Die Kunst der Fuge, in de bespreking van de Bach-publicaties na het jaar 2000 én de uitbreiding van de bespreking van de Bach-cantates. Waar er eerst een selectie werd besproken, behandelt ’t Hart ze nu allemaal.

De auteur is een bevlogen liefhebber en kenner van Bach’s werk. Dat zorgt voor een aanstekelijk enthousiasme, maar ook voor een overdaad aan superlatieven. Met name in de cantate-besprekingen buitelen ze over je heen. Ik heb even voor u geturfd, van de 215 besproken cantates geeft hij 184 keer blijk van zijn enthousiasme. Bovendien kan ik er niet altijd iets mee (“Een van de tien machtigste cantates”, “Boven alle lof verheven”).

Prachtig is het stuk over het incident met Geyersbach. Bach kreeg het aan de stok met deze leerling en dat wordt beschreven in de Bach-Dokumente. Dat zou de bron voor de Bach-biografen moeten zijn, maar ’t Hart toont haarfijn aan wie er met de feiten aan de haal gaat. dat gaat zover dat biograaf Eidam aan ’t Hart moet toegeven wat namen erbij verzonnen te hebben.

De auteur geeft aan dat we weinig weten over Bach en dat er door de biografen talloze aannames worden gedaan. Toch ontkomt hij daar zelf ook niet aan. In het stuk waar Bach de koorprefect Krause verjaagt, kan ’t Hart het niet nalaten te zeggen “Bovendien schijnt die Krause een prutser te zijn geweest.” Ook spreekt de auteur zichzelf tegen als het over Bach als briefschrijver gaat. Waar hij op pagina 71 aangeeft niet te zwaar te tillen aan Bach’s epistolaire kruiperigheid en beleefdheid, zegt hij op pagina 76 “Wat mij bij eerste lezing meteen stoorde, waren weer die onderdanige frasen”. Nu ik toch even in de kritiek zit, de meest grappige fout vind ik terug op pagina 269. Hierin geeft ’t Hart aan dat er wat foutjes zitten in het boek van De Keyzer “Bachs grote passie“. Hij schrijft dat er onder meer op pagina 21 van dat boek wat foutjes staan. Die foutjes staan inderdaad in dat boek, zij het op pagina 31…

De kritiekpuntjes daargelaten is er gelukkig ook veel positiefs over het boek te vertellen. ’t Hart laat mij stilstaan bij mij bekende muziek, maar waar ik aan de tekst voorbij ben gegaan, zoals bij cantate 206. De auteur vertelt;

Vrij vertaald luidt dus de tekst: zolang er nog water in de kanalen staat, moge het Uwe Doorluchtigheid goed gaan. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik daar bepaald onthutst van opkeek. Je hoort een onvergankelijk stukje muziek en dat blijkt geïnspireerd door kanaalwater.

Zo ken ik ’t Hart weer. Ook zijn verhandeling over Bach’s orgelwerken mag er zijn. Hij geeft aan dat, hoewel algemeen erkend wordt dat Bach de grootste orgelcomponist was, hij toch geen speciale verwantschap had met dat instrument;

Heeft Bach een innige relatie met het orgel gehad? Nauwelijks. Zijn laatste ambtelijke functie als organist is zijn aanstelling in Mühlhausen geweest, die hij in 1708, dus toen hij drieëntwintig was, opgaf…De grootste orgelcomponist aller tijden had geen grotere verbondenheid met het orgel dan bijvoorbeeld met de viool, waarvoor hij tenslotte zijn allermooiste stuk componeerde: de Chaconne.

Uiteraard heb ik bij dit boek veel muziek beluisterd. Zo wist ik wel van de Köthener Trauermusik, maar was dit aardig weggezakt. Bach schreef dit stuk voor zijn overleden vorst toen hij aan de Matthäus-Passie bezig was en zag er geen been in deze muziek op andere tekst te zetten en voilà, we hebben een treurstuk. Er valt dus best wat op te merken aan dit boek maar er valt ook veel uit te halen. Het is vintage ’t Hart, wat blijkt uit de volgende citaten, de eerste over de top als hij in zijn enthousiasme een beetje uit de bocht vliegt, de tweede recht uit zijn muzikantenhart;

In de Vijfde partita, met zijn grootse Preambulum, zijn triolen-Allemande, zijn liefelijke Corrente (alsof je weer even mag terugstappen in de wereld van de Kleine preludes en fughetten), zijn tertsen-Sarabande, zijn halsbrekende Menuet, zijn grappige Passepied, en zijn voor een amateur vrijwel onspeelbare Gigue, wordt al de aanloop genomen naar de meest vergeestelijkte Partita.

Een van de vele aantrekkelijke kanten van Bach is dat zelfs zijn moeilijkste werken gedeelten bevatten die een beginneling kan spelen. Vrijwel niets in zijn werken voor klavier stelt hogere eisen aan de uitvoerende dan de laatste Goldbergvariaties, maar ook daarin vind je simpele variaties die je vrijwel à vue spelen kunt. Als gevolg daarvan heb je ook als amateur het gevoel dat Bach je serieus neemt en alvast een tipje van de sluier voor je oplicht, je wordt al een beetje ingewijd, je mag al meedoen, en niet eens voor spek en bonen.

Advertenties
6 reacties
  1. Hoi Koen, wat ik mij nou afvraag: hoe bepaal jij welke uitvoering van een klassiek stuk je wilt beluisteren? Zeker van een groot componist als Bach zijn er van bepaalde stukken (denk aan bijvoorbeeld de Mattheus passie) zoveel uitvoeringen dat ik althans daar grote moeite mee heb om te bepalen welke ik het liefste hoor. Vaak kom ik ergens uit waar ik tevreden mee ben (in dit geval de uitvoering van Ton koopman) en laat het daar dan bij. Hoe ga jij daar mee om, en heb jij nog tips waar ik absoluut niet omheen kan, voor wat betreft de muziek van Bach? Ik heb een paar cantates in de uitvoering van Ton Koopman, die ik geweldig vind, maar ja, alle cantates in die uitvoering kosten een klein fortuin. Verder heb ik een 12-tal cd’s van de cantates in de uitvoering van John Eliot Gardiner, ook prachtig. De Goldberg variaties van Glenn Gould vind ik ook prachtig, maar daar moet je wel een beetje van houden. Ik ben ooit in Vredenburg naar een concert van de Mattheus passie geweest. Ik was die dag helaas erg moe, ik heb het toen niet uitgezeten. Groetjes, Erik

  2. Hoi Erik, zeker met de muziek van Bach kom je daar haast niet uit (wat voor mij juist de grootste vreugde en uitdaging is). Ik heb 16 uitvoeringen van de Matthäus-Passion in huis en heb er nog veel meer beluisterd. Ik kan ongeveer per aria en recitatief mijn favoriet weergeven, maar overall kan ik zeggen dat mijn absolute favoriet (qua tempo en solisten) de uitvoering onder Karl Münchinger is (solisten Ameling, Höffgen, Pears, Wunderlich, Prey en Krause). Bij de cantates ligt dat nog moeilijker. Ik heb de complete set van Harnoncourt en Koopman, de complete box van Gardiner en alle geestelijke cantates door Suzuki (leerling van Koopman). Een box van Richter is onderweg. Dat verschilt echt per cantate en soms per aria of koraal. Ik denk er wel eens over om er een totaaloverzicht van te maken maar dat zou een monsterklus zijn…Koopman en Suzuki blinken bijvoorbeeld uit in helderheid maar gaan voor mijn smaak soms veel te snel (hoewel Suzuki in BWV 65 weer onovertroffen is) en Harnoncourt is qua tempo vaak weer geweldig maar heeft last van valse jongenssopranen. Instrumentaal; daar is ook een boek over te schrijven. Glenn Gould koester ik om zijn academische helderheid op piano (Wohltemperierte Klavier) maar daarnaast ook Gustav Leonhardt op clavecimbel. De orgelwerken van BAch vind ik fenomenaal maar weer niet door Ton Koopman, daar prefereer ik weer Marie-Claire Alain. Zij laat het Adagio van BWV 564 klinken als het voorportaal van de hemel waarbij ik bij Koopman het gevoel heb alsof ik bramen loop te zoeken in het bos…dus veel luisteren en vergelijken is het devies ben ik bang. Gelukkig is er onnoemelijk veel op internet terug te vinden 🙂 Als je nog meer vragen hebt laat maar weten, ik kan er tijden over doorgaan. Groet, Koen

  3. Hoi Koen, ik hoor het wel, hier spreekt de echte kenner. 16 uitvoeringen van de Mattheus passie! En ik denken dat ik er met 3 uitvoeringen al heel wat heb ;). Ik zal de Mattheus passie die je aanbeveelt eens opzoeken bij de bibliotheek. Groetjes, Erik

  4. Het mooie van de muziek van Bach is dat het altijd overeind blijft. De Matthäus door Mengelberg zou nu niet meer kunnen maar het is met overtuiging uitgevoerd dus het staat. De cello-suites heb ik op saxofoon gehoord. Niet mijn ding maar waarom niet? Jan Rot heeft Bach’s werken hertaald, ook niet mijn favoriet maar natuurlijk is dat prima. Je moet ermee aan de gang gaan, zo blijft het leven. Ik zou zeggen, zoek al zijn cantates op op internet en gebruik dit boek van ’t Hart erbij, je gaat echt wel genieten hoor 🙂

    • Hoi Koen, de hertalingen van Jan Rot kan ik wel waarderen. Het meest geslaagd vind ik zijn bewerkingen van liedjes van The Beatles en The Rolling Stones. Vooral Ankie vind ik erg leuk (Ankie, Ik zit hier eenzaam op een bankie, Ik word zo stijf als een plankie, Ik zie ineens de fiets van Frankie, Frankie blijf met je poten van mijn Ankie, Frankie, Frankie, kijk jij maar uit ik schop je mankie, Ankie en Frankie, waarom krijg ik stank voor dankie, Ankie en Frankie, het is jullie schuld dat ik jankie.). Een erg effectief gebruik van rijm! Groetjes, Erik

  5. Nabrander: hoe ver het kan gaan…ik heb in Japan een lp besteld, omdat Herman Scherchen de sinfonia uit Cantate 42 langzaam speelt, zoals het in mijn opzicht moet (ik verzin het niet zelf, Maarten ’t Hart heeft mij op het spoor gezet). Het is een geweldige sinfonia, maar altijd veel te snel gespeeld en Scherchen neemt alle tijd omdat hij de context goed begrijpt. Je betreedt geweide grond, dus rustig aan, daar huppel je niet overheen. Die details fascineren mij dus 🙂

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: